Part 7
Anders staat het met de vijfde zuil, de door iederen Moslim, die physiek en finantieel daartoe in staat is, eenmaal in het leven te verrichten bedevaart naar Mekka. Dit onderwerp is door mij bij verschillende gelegenheden met zooveel uitvoerigheid behandeld, dat ik mij hier wel tot resumtie der hoofdzaken mag bepalen. Zelfs dit zou overbodig geacht kunnen worden, indien niet telkens weer met dezelfde versleten argumenten, drang op de Regeering uitgeoefend werd om toch eindelijk eens maatregelen te nemen tot tegengang van den hadj.
Het laatst trad als orgaan van dien aandrang op hetzelfde parlementslid, dat de Islâmquaestie wilde vereenvoudigen door zijn voorstel om vijf zesden der Nederlandsch-Indische Mohammedanen, die door hem gewogen, maar voor den Islâm te licht bevonden waren, eenvoudig uit de registers der Islâmbelijders te schrappen. Natuurlijk bleef hij in gebreke aan te geven, hoe de Regeering, zonder de vrijheid van godsdienst en van beweging Harer onderdanen aan te randen, aan zijnen wensch gevolg zou kunnen geven. Hij vergenoegde zich ermede, aan zijne met Indië minder bekende medeburgers voor het bedevaartspook schrik aan te jagen met behulp van een paar beweringen, die van de waarheid evenver verwijderd waren als van de welvoegelijkheid.
Of wat zegt gij, die bij ervaring weet, dat Mohammedaansch fanatisme in Oost-Indië evenzeer onder ongetulbande Inlanders als onder hadji's voorkomt, en dat tienduizenden hadji's in Nederlandsch-Indië als rustige onderdanen van het Gouvernement leven, van deze uitspraak van onzen volksvertegenwoordiger: "de bedevaartganger--ook als Mohammedaan niet gevaarlijk vóór zijne reis--is beslist een opruier tegen het Gouvernement, wanneer hij de bedevaart naar wensch heeft volbracht?" En wat dunkt u, lettende op het feit, dat bijna alle leden der Javaansche aristocratie naaste bloedverwanten hebben, die de bedevaart naar Mekka hebben verricht, en dat onder hen steeds meer kennis genomen wordt van hetgeen in onze pers en in ons parlement betreffende de Inlandsche wereld gezegd wordt, wat dunkt u van zijn ander orakel, dat die Inlanders na terugkeer van hunnen tocht naar Arabië gelijk stelt met reizigers, die in hun land terugkomen "gewapend met dynamiet en wapenen (sic) om de gebouwen in de lucht te doen vliegen en onze medeburgers ad patres te helpen?"
De nuchtere werkelijkheid komt hierop neer, dat, al verzuimen vele Nederlandsch-Indische Moslims, die volgens hunne wet in de termen zouden vallen tot het verrichten der bedevaart, de vervulling van dien godsdienstigen plicht toch, vergeleken met de vele andere landen van den Islâm, hun ijver voor den hadj betrekkelijk groot is, grooter ook dan hun ijver in de volbrenging van andere plichten, die de Moslimsche wet hun minstens even na aan het hart legt.
De oorzaken van dit verschijnsel zijn velerlei. De verzoenende kracht voor vroegere zonden, die aan de volbrenging der bedevaart toegekend wordt, doet haar bijzonder waardeeren door hen, die in trouw aan de dagelijks en jaarlijks terugkeerende ritueele verplichtingen van den Moslim zoo veel tekortschieten. Zekere onderscheiding, die de hadji's van hunne landgenooten genieten, draagt tot de voorliefde ook iets bij, al werkt deze prikkel door de toeneming van hun aantal steeds minder sterk. Voor de groote meerderheid der Inlanders is de reis naar Arabië bijna het eenige, en wel een vrij gemakkelijk en niet te kostbaar middel om hun isolement van de buitenwereld te verbreken en ook eens iets van andere landen te zien. Bij deze en andere motieven komt ongetwijfeld ook de aanmoediging vanwege de belanghebbenden te Mekka, het hadjiwerven, zooals men het pleegt te noemen. Hiertegen valt evenwel weinig te doen, want de eigenlijke wervers, die met de desalieden in aanraking komen, zijn geene vreemdelingen, aan wie men, met eenige willekeur om bestwil, den toegang zou kunnen ontzeggen, neen het zijn in den regel Inlanders uit de streek zelve, die door hadjisjeichs en dergelijken bij het aanbrengen van klanten geïnteresseerd zijn.
Politieke beteekenis van den hadji.
De uit een politiek oogpunt te overwegen gevolgen van van het verkeer met Mekka komen niet bij de groote massa der pelgrims aan den dag. Dezen komen terug even wijs of onwetend, even fanatiek of verdraagzaam als zij enkele maanden tevoren de reis aanvaard hebben. Van belang is hoofdzakelijk het feit, dat sedert ongeveer twee en eene halve eeuw een nog al aanzienlijk getal Inlanders te Mekka jaren doorbrengt om er te studeeren. Deze omstandigheid heeft ten gevolge gehad, dat de daar heerschende methoden van studie en onderwijs gaandeweg de vroeger van Voor-Indië geimporteerde hebben verdrongen, en wat nog meer zegt, dat de--gelukkig niet de meerderheid vormende--hiervoor vatbare studeerenden in dat internationaal-Mohammedaansche milieu met panislamitische denkbeelden kennis maken, die op hunne gezindheid jegens het Europeesche bestuur van hun vaderland ongunstig kunnen werken. Tot nog toe heeft niemand het middel weten aan te wijzen om dien sedert eeuwen bestaanden, en vooral sedert de stoomvaart toegenomen stroom direct te keeren. De eenige middelen, die zich aanbevelen, zijn indirecte, langzaam maar zeker werkende, die den zin der Inlanders in andere richting leiden. Al wat de opvoeding van het volk bevordert, kan daartoe strekken. Elke stap, dien men de inlanders verder brengt in de richting onzer cultuur, leidt hen evenver af van de bedevaartzucht.
Economische gevolgen van den hadj.
Het economisch nadeel van den hadj voor de Inlandsche maatschappij is niet denkbeeldig, al wordt het wel eens breeder uitgemeten dan het verdient. Dat laat ons zeggen vijf millioen gulden [1], die jaarlijks in den vorm van reis- en verblijfkosten en vrome gaven van pelgrims den Archipel verlaten, mogen voor een deel aan de Nederlandsche scheepvaart ten goede komen, in het ware belang der bevolking zagen wij die som gaarne beter besteed. In verband met het bevolkingscijfer en met de vele andere finantieele aftappingen, die Indië ondergaat zonder er zelf profijt van te hebben, maakt dat bedrag echter niet meer zóó'n enormen indruk als op het eerste gezicht.
In ieder geval staat het vast, dat elke regeeringsmaatregel, die ten doel zou hebben, de bedevaart te verhinderen of te belemmeren, dat doel zou missen, den ijver veeleer zou prikkelen en een storm van verontwaardiging zou ontketenen in de geheele Moslimsche wereld, waar de Nederlandsche Regeering nu reeds bekend staat als geneigd tot onbillijkheid jegens Mohammedanen.
Tegenover de dogmatische overtuiging zoowel als tegenover de eigenlijk godsdienstige wetten Harer Moslimsche onderdanen past der Regeering en Haren ambtenaren onder alle omstandigheden geen ander richtsnoer dan dat der onvoorwaardelijke en strikt eerlijke handhaving der godsdienstvrijheid, zonder eenig voorbehoud betreffende den graad hunner islamiseering, de beweegredenen, die hen ten opzichte van een of ander voorschrift tot bijzondere trouw of zelfs tot overdrijving brengen. Elke schending van dit beginsel brengt zijne straf mede, en alleen onverantwoordelijke stuurlui aan den wal zullen eene andere methode durven aanbevelen.
Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt eerbiediging.
Uit onze vroegere beschouwingen is gebleken, dat sommige gedeelten van het stelsel van den Islâm, die bij ons krachtens haar onderwerp tot het recht gerekend zouden worden, even stellig als de leer van het geloof en die der godsdienstplichten aanspraak maken op eerbiediging. Zoo in de eerste plaats het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht en hetgeen daarmee het nauwst samenhangt.
Men ontwaart dit wel het duidelijkst uit de nagenoeg volstrekt algemeene receptie dezer bestanddeelen van de wet door alle Mohammedanen der wereld, en voorts uit de zeer bijzondere consideratie, die alle staten met Mohammedaansche onderdanen juist daarvoor getoond hebben. Noch Frankrijk noch Groot-Brittannië hebben er ooit aan gedacht, aan eene dier zaken te tornen; bij alle hervormingsplannen stond het boven bedenking, dat die wetten onaangetast zouden blijven.
In den allerlaatsten tijd worden enkele stemmen vernomen, die met name voor een groot deel van Java willen betoogen, dat daar de in hare practijk meer heidensch dan Moslimsch gezinde bevolking zeer wel de invoering door de Regeering van een Westersch familierecht zou toelaten, daar zij toch van de Moslimsche instellingen noch goed op de hoogte, noch daaraan bijzonder gehecht was, en die alleen in zoover betrachtte, als de hoofden en de zoogenaamde geestelijkheid er de hand aan hielden.
Ik kan in die redeneering niet anders zien dan eene van perfidie niet vrije drogreden, die een nog meer afstootenden indruk maakt, wanneer het heet, dat zij moet dienen om de prediking van het Evangelie wat gemakkelijker te maken. Non tali auxilio! zal ieder eerlijk Christen met weerzin daarbij uitroepen.
De kleine man, de desabewoner in een groot deel van Java, bezit weinig of geene kennis van het familie- en personenrecht van den Islâm, en hij heeft dit nooit om zijne bij vergelijking met andere wetten gebleken voortreffelijkheid aanvaard. Neen, de fellâh van Egypte evenmin, en het gros der bevolking van Constantinopel en Mekka deelen met hen die onkunde. Maar zij allen weten wel, wie onder hen de kenners van die inzettingen zijn, en dezen staan onmiddellijk, wanneer daarop een aanval beraamd wordt, gereed om die onwetenden te waarschuwen, dat hunne religie in gevaar komt, dat het niet alleen gaat om een door de vaderen aanvaard en van hen geerfd goed, maar om geboden van den Allerhoogste, welker miskenning afval van het geloof in zich sluit.
Alleen de grofste onkunde kan zoo slechte raadgevingen eenigszins verontschuldigen. Diezelfde onbekendheid met de meest elementaire gegevens, die ons parlementslid (den man van de schrapping der vijf zesden) deed beweren, dat de Nederlandsche Regeering hare Indonesische onderdanen bestuurt naar Mohammedaansche rechtsbeginselen en zoo bij hen de meening doet post vatten, dat Zij hunne bekeering tot den Islâm gaarne ziet.
Dat eenig deel van onze voor Inlanders geldende wetgeving ook maar een spoor van Mohammedaansche rechtsbeginselen vertoont, zal zelfs die volksvertegenwoordiger niet durven zeggen. Zijne uitspraak kan dus alleen betrekking hebben op dat personen- en familierecht met aankleve, hetwelk, zoolang wij Oost-Indische eilanden bezitten, gegolden heeft als door de inheemsche Moslimsche bevolking gerecipieerd, en ook wegens zijn intiemen samenhang met hunne religie te eerbiedigen. Dit nooit weersproken feit vertoont zich nu opeens aan ons Kamerlid als eene dwaling, die haar ontstaan dankt aan angst voor of sympathie met den Islâm, die de Regeering van de wijs gebracht zouden hebben. En voor deze ongehoorde stelling voert hij niets anders aan dan de niet verder gespecificeerde autoriteit van drie geleerden, van welke twee zich nooit op dit terrein bewogen noch in dezen zin geuit hebben, terwijl de derde zich bij meer dan eene gelegenheid in zeer beslist positieven zin over de receptie van bedoelde hoofdstukken van het Moslimsch recht door de Inlandsche Mohammedanen heeft uitgesproken. Wij mogen bij deze dwaasheden niet langer stilstaan.
De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open.
Intusschen, de eerlijke erkenning van de aanspraken dezer Mohammedaansch-Inlandsche inzettingen op volkomen eerbiediging sluit geenszins ingenomenheid in zich met die inzettingen zelve. In menig opzicht passen zij beter bij den beschavingstoestand van de oudheid of van de middeleeuwen dan bij dien van onzen tijd. De polygamie, de groote losheid van den huwelijksband, de hulpeloosheid der vrouw tegenover willekeur en onrecht van haren man, om maar enkele hoofdzaken te noemen, verhinderen de normale ontwikkeling van het gezin; ook vele détailregelingen zou men thans geheel anders wenschen. De Islâm heeft hier weer aan het tijdelijke blijvende kracht gegeven, aan voorschriften, die in eene bepaalde periode voor bepaalde landen wellicht geschikt waren, eeuwig onfeilbaar gezag toegekend. Zoolang men eene bevolking van wingewesten exploiteert, kan men voor de heerschappij van zulke instituten onverschillig blijven; eene regeering, die al hare onderdanen naar ethische beginselen wil besturen, mag dit niet zijn. Zonder ooit de bijzondere teerheid voorbij te zien van door de religie gewijde regelen, die het leven van het individu en van de familie betreffen, moet zij den weg eener gewenschte evolutie open houden, banen als het noodig is, en de menschen daarheen lokken als zij dat vermag.
Codificatie derhalve ongewenscht.
Codificatie van het gerecipieerde deel van het Moslimsche recht, al ware zij niet op zichzelve onmogelijk, zou eene der grofste fouten zijn, die de Regeering kon begaan. Men zou daardoor voor onafzienbaren tijd vastleggen, hetgeen men juist hoopt, dat zich zal wijzigen. Bovendien is de receptie van dat recht, die hier vrijwillig tot stand kwam, niet volledig noch ongeschonden geweest, en menige adat, die zich plaatselijk tusschen de regelen van het gewijde recht wist in te dringen, heeft aanspraak op officieele bescherming. Het is dus van het grootste belang, de beslissing omtrent hetgeen het Inlandsch-Mohammedaansche recht in de te behandelen gevallen leert, telkens over te laten aan de vrije, door geen officieel erkend geschrift gebonden overweging van degenen, die met deze rechtspraak belast zijn, en verder, deze functie op te dragen aan personen, die bij de bevolking gezag hebben, en van wie de Regeering vertrouwen kan, dat zij niet alleen de noodige kennis der Moslimsche wet bezitten, maar vooral ook op de hoogte zijn van hunnen tijd, zoodat zij de eischen eener gezonde evolutie verstaan.
De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout.
Daarom is de instelling der priesterraden, die in 1882 van Regeeringswege geschiedde, eene betreurenswaardige fout geweest. De Mohammedaansche rechtspraak op Java en Madoera was in handen van de panghoeloes, bijgestaan door het hun ondergeschikte personeel en somtijds ook door deskundigen daarbuiten, en onderworpen aan het toezicht van de regenten. Ten onrechte heeft men toen gemeend, het bestaande verbeterend te bevestigen door de ondergeschikte helpers van den éénen rechter te maken tot een college van stemgerechtigde leden, die door de Regeering benoemd en wat hunne rechtspraak betreft van elk hooger toezicht ontslagen werden. De misbruiken zijn daardoor eer toe- dan afgenomen, te meer, daar deze rechters door de Regeering wel benoemd, maar niet bezoldigd worden. Betrouwbaarheid kan men toch moeielijk verwachten van rechters, die over de intiemste belangen der bevolking te beslissen hebben, en wier eenige belooning bestaat in de nergens geregelde emolumenten van hun ambt. Voor de keuze der leden was men aangewezen op personen, die aan Inlandsche pesantrèns of in Arabië eene zekere kennis van den inhoud der handboeken over de Mohammedaansche wet hadden opgedaan; gewoonlijk vrij bekrompen menschen, die met de practijk des levens weinig aanraking hebben. De stem van het Inlandsche gezonde verstand, die vroeger door de bemoeienis van den regent dikwijls dan doorslag gaf, werd gesmoord, zoodat rechtsverkrachting gemakkelijker, evolutie veel moeilijker was geworden.
Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht.
Op zichzelf was het feit, dat in 1882 eene regeling der Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak door de Regeering ondernomen werd, een verblijdende stap in eene richting, die men vroeger, evenzeer uit angstvalligheid als uit onverschilligheid, placht te schuwen. Uitgaande van het juiste beginsel, dat inmenging in godsdienstige aangelegenheden verkeerd was, vergat men, dat in het stelsel van den Islâm een aantal zaken met den godsdienst in onverbrekelijk verband staan, aan welker regeling een behoorlijk bestuur onmogelijk vreemd kan blijven.
Moskeefondsen.
Werden moskeefondsen, die aan het initiatief van regenten hun ontstaan te danken hadden, met medewerking dikwijls van Inlandsche en ook van Europeesche ambtenaren op ergerlijke wijze misbruikt, om het zacht uit te drukken, dan vond de Regeering elk ingrijpen gevaarlijk, omdat het hier den godsdienst der Inlanders betrof. Dezelfde bedenking deed zich gelden, wanneer de panghoeloes en hunne consorten voor de hun krachtens aloude herkomsten opgedragen bemoeienis met de sluiting en ontbinding van huwelijken, met boedelscheidingen, met de rechtspraak, voor de bevolking drukkende honoraria eischten. Bedenkelijk werd het zelfs geacht, wanneer een bestuursambtenaar zich van de inrichting van Inlandsche godsdienstscholen door eigen aanschouwing op de hoogte wilde stellen.
Al deze beschouwingen waren erfgoed uit den tijd, toen de Inlandsche bevolking voor het Gouvernement in de eerste plaats een instrument was om verhandelbare producten te cultiveeren, en zij hebben nog lang nagewerkt, nadat de exploitatieleer in beginsel opgegeven was. Dat is nu anders geworden; men acht het nu niet meer de hoogste wijsheid, de Inlandsche maatschappij zooveel doenlijk in haar eigen sop te laten gaarkoken, en men begrijpt, dat ook op het gebied, waar de volksinstellingen en gebruiken, van godsdienstigen of anderen oorsprong, het leven dier maatschappij nog beheerschen, de Regeering verplicht is te zorgen, dat niemand onherstelbaar onrecht worde aangedaan, allerminst door beambten, die Zijzelve aanstelt of erkent.
Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs.
Zoo is dan de administratie der moskeefondsen van hooger hand aan regelen onderworpen en onder toezicht gesteld, de van ouds gebruikelijke deskundige hulp en toezicht bij de sluiting en ontbinding van huwelijken der Inlandsche Mohammedanen ter vermijding van onzekerheid en ter voorkoming van misbruiken op vastere grondslagen gevestigd, het Mohammedaansche godsdienstonderwijs, zonder inmenging in den godsdienst zelf, onder controle genomen op een wijze, die bij goede uitvoering waarborgen bevat voor de handhaving der openbare orde, terwijl de Regeering behoorlijk op de hoogte kan zijn van de invloeden, waaraan vele harer Moslimsche onderdanen zich onderwerpen.
Ik sprak daar van eene goede uitvoering, en naar aanleiding hiervan mag ik te dezer plaatse de opmerking niet terughouden, dat daaraan vaak veel heeft ontbroken. Was het de ongewoonte om zich aan deze soort van belangen der bevolking veel gelegen te laten zijn of overlading met ander werk, of hield eene andere oorzaak de Europeesche bestuursambtenaren van de behoorlijke toepassing van eenvoudige, ondubbelzinnige, door de Regeering herhaaldelijk gegeven en ingescherpte voorschriften af? Op deze vragen weet ik het juiste antwoord niet, maar dit moet ik zeggen, dat ik u ware geschiedenissen zou kunnen verhalen van gewesten, waar gedurende jaren zelfs met de eerste voorbereiding der uitvoering van de stelligste bevelen geen aanvang was gemaakt, waar de herhaaldelijk in herinnering gebrachte voorschriften niet slechts papieren voorschriften bleven, maar zelfs het papier na eenigen tijd niet meer te vinden was.
Het schijnt, dat deze onoverwinnelijke ambtelijke apathie tegenover bevelen der Regeering in het bijzonder zaken betreft, die op den Islâm betrekking hebben. Althans bleek het tot dusver eveneens niet mogelijk, de zoogenaamde Mekkapassen, waarvan het bestuur de vertrekkende hadji's moet voorzien, eenigszins behoorlijk ingevuld te krijgen, en verklaart de Consul der Nederlanden te Djeddah, zelf Indisch bestuursambtenaar, telkens met smart, dat onder de duizenden passen, die hij jaarlijks te controleeren heeft, de enkele goed ingevulde hem bijna doen schrikken van wege hunne zeldzaamheid.
Ten aanzien der priesterradenverordening van 1882, die in tijdsorde aan al de andere daarstraks genoemde regelingen voorafging, kan men over die gebrekkige uitvoering niet klagen. De instelling dier geestelijke rechtbanken en de benoeming harer leden gingen van het centrale gezag uit en kwamen tijdig en ordelijk tot stand. Ongelukkig was echter deze in beginsel prijzenswaardige stap op het gebied der Mohammedaansche volksinstellingen om de daarstraks genoemde redenen een misstap.
Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren.
Te verhelpen schijnt mij dit euvel op geene andere wijze dan door die te onzaliger ure geschapen colleges geheel af te schaffen en de beslissing der rechtsvragen, die hun thans worden voorgelegd, op te dragen aan den gewonen Inlandschen rechter. De voorzorgsmaatregelen, die bij die operatie in acht genomen moeten worden, zijn: voor zulke quaesties aan het advies van den panghoeloe, die anders vaak slechts schijn-adviseur en beëediger van getuigen is, zeer hooge waarde toe te kennen, en aan de meestal uit haren aard urgente gedingen, die het familierecht betreffen, die snelle behandeling te verzekeren, waarop zij aanspraak hebben, en die vooralsnog bij de priesterraden beter dan bij de landraden gewaarborgd is.
Draagt men dan meer, dan dusver vaak geschied is, zorg voor de benoeming tot het panghoeloe-ambt van menschen, wier aanbeveling niet alleen in hunne studie van eenige kitabs en in den door hen gedragen tulband gelegen is, maar die ook over wat algemeene ontwikkeling en levenservaring beschikken, dan is de voortwoekering der enorme misbruiken, die de zoogenaamde geestelijke rechtspraak aankleven, goeddeels bezworen en de weg tot geleidelijke evolutie der daarbij betrokken soort van volksinstellingen wijd opengehouden.
Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen.
Waar ik de houding besprak, die mijns inziens de Regeering moet aannemen tegenover de Moslimsche volksinstellingen van Nederlandsch-Indië, bepaalde zich de gedachte meestal als vanzelf bij den toestand op Java en Madoera. Men zal dit zonder veel uitleg verstaan. Daar is de intensiteit van ons bestuur, ook te dezen aanzien, veel verder gevorderd dan elders; daar is het bevolkingscijfer der Mohammedaansche bevolking zoo belangrijk veel hooger dan op al de andere eilanden saam; en hetgeen zich voor de eilanden op dit gebied laat vaststellen, kan met geringe wijziging naar plaatselijke omstandigheden op de Mohammedanen der Buitenbezittingen worden toegepast, want hoe groot het ethnologisch en cultuurhistorisch verschil overigens zij, in den Islâm hebben wij met eenen factor te doen, die daar en hier op soortgelijke, alleen in graad verschillende wijze inwerkt.
Ten opzichte van de vele hoofdstukken der wet, waarvan de eene Inlandsche Moslim zich veel, de ander zich weinig of zelfs niets aantrekt, en die buiten alle bemoeienis van geestelijke rechters of andere godsdienstbeambten blijven, is het standpunt der Regeering vanzelf volstrekt neutraal. Dat er zijn, die op religieuze gronden zich onthouden van het sluiten van contracten met rentebeding of met risico, assuranties enz., behoeft het bestuur evenmin bezig te houden als de uiteenloopende waardeering van het verbod van geestrijke dranken bij verschillende Mohammedanen. De voor den nieuweren tijd en zijn verkeer al te knellende banden, die de Moslimsche wet om het leven der Islâmbelijders slingert, raken vanzelf los, zoodra ons cultuurleven in een of ander opzicht hen krachtiger tot zich trekt. De drang daartoe moet echter van binnen naar buiten werken, niet omgekeerd.
Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen.
Er is een ander gebied, waarop de Regeering zich niet mag bepalen tot belangstellend, maar lijdelijk toezien, wat de toekomstige evolutie brengen zal. Het omvat al hetgeen een staatkundig karakter heeft of dit licht kan aannemen. Chalifaat, panislamisme, heilige oorlog zijn de woorden, die bij den hoorder de voorstelling der voornaamste zaken wekken, waarom het hier gaat.