Part 6
In Algiers wil de Regeering het beproeven. De Délégation financière des Colons sprak in hare zitting van 18 Maart 1904 de wenschelijkheid eener codificatie van het in de kolonie geldende Mohammedaansche recht uit, dewijl het ontbreken van eenen voor Europeesch gebruik geschikten codex tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf, en vooral het totstandkomen eener dergelijke regeling der grondrechten belemmerde. De Gouverneur-Generaal gaf aan dien wensch gehoor door bij besluit van 22 Maart 1905 eene commissie in te stellen bestaande uit 11 leden, waarvan 5 Inlandsche en 6 Fransche ambtenaren, afgevaardigden en geleerden, met het doel om te bestudeeren "eene codificatie der bepalingen van het Mohammedaansch recht, die op de Moslimsche inboorlingen van Algerië toepasselijk zijn". Daaronder vallen, zooals nader blijkt, het personen- en familierecht, het erfrecht en de bepalingen betreffende vrome stichtingen, het zakelijke recht betreffende onroerend goed, de bewijsleer.
De koloniale regeering van Algerië zoowel als de commissie hebben op voorbeeldige wijze zorg gedragen, dat de voorbereidende werkzaamheden bij het volste daglicht door iedereen gezien en beoordeeld konden worden. Onder den algemeenen titel "Projet de codification du droit musulman" verschenen van 1906 tot 1909 vijf deeltjes, waarin een getrouw verslag wordt gegeven van de ongunstige zoowel als van de gunstige adviezen van tal van Fransche en Inlandsche deskundigen, waarin verder de notulen van de vergaderingen der commissie en de door een harer leden uitgewerkte wetsontwerpen met de door anderen daarop voorgestelde verbeteringen worden medegedeeld. Hoogst belangrijk blijft die verzameling documenten, zelfs al moest de poging tot codificatie ten slotte op niets uitloopen. Dan toch zou, duidelijker dan een betoog a priori dit vermag, bewezen zijn, dat ook de samenwerking van hoogst bekwame mannen niet in staat is, de hinderpalen tegen de uitvoering van zulk een plan weg te nemen.
De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen.
Voor mij, ik zeide het reeds, is de uitslag niet twijfelachtig. De overtuiging, die ik altijd heb gekoesterd, dat het Moslimsche recht geene codificeering toelaat, wordt zelfs versterkt door den inhoud der zooeven genoemde publicaties der commissie van Algiers, ofschoon de leden dier commissie zelve nog volharden bij hun optimisme.
De drang tot codificatie kwam geheel en uitsluitend van Europeesche zijde. Fransche rechters, die zich soms belast zien met de beslechting in eerste of tweede instantie van geschillen, waarbij het Mohammedaansche recht geldt, weten in de Arabische handboeken den sleutel tot de oplossing vaak niet te vinden en snakken naar eene samenvatting der bepalingen naar de methode en in den vorm, waaraan zij in hun eigen recht gewoon zijn. Europeesche kolonisten verlangen eene vaststelling der rechten van Inlanders op onroerend goed, die hen bij hun verkeer met Inlandsche grondbezitters voor onzekerheid behoedt.
De Europeesche adviseurs zijn over de mogelijkheid van het voldoen aan deze wenschen zeer verdeeld. Onder de Inlandsche autoriteiten, die adviezen gaven, zijn een belangrijk aantal besliste tegenstanders van de codificatie, en dit aantal zou ongetwijfeld toenemen, als men ook adviezen inwon van ambtelooze schriftgeleerden, die in zaken van dezen aard in veel hooger mate de vox populi vertegenwoordigen dan zij, die door ambtelijke banden aan de Regeering gebonden zijn. Van de Inlandsche adviezen die door de commissie onder de gunstige gerangschikt zijn, maken vele het voorbehoud, dat de codificatie zich strikt beperken zal tot eene voor Europeanen meer bruikbare rangschikking van den inhoud der algemeene gebruikelijke Arabische handboeken, zonder aan geest of letter van dien inhoud te raken. De onvoorwaardelijke voorstanders onder de Inlanders zijn blijkbaar alleen zulken, die onder Europeeschen invloed van de tradities van hun volk min of meer los geworden zijn, en wier advies derhalve in eene zoo delikate quaestie als deze met groote behoedzaamheid gebruikt dient te worden.
Ten onrechte beroept men zich op voorgangers.
De voorbeelden, waarop de commissie zich beroept om de rechtmatigheid van haar plan te betoogen, namelijk hetgeen in deze richting in Turkije, in Egypte en in Tunesië tot stand gebracht is, kunnen den verlangden dienst niet bewijzen, zoolang niet is aangetoond--en die aantooning zou niet licht gelukken--dat de officieele verzamelingen van beginselen en bepalingen der Moslimsche wet, die op last van de Turksche en Egyptische regeeringen uitgegeven zijn, in de practijk der rechtspraak dier landen de handboeken en fetwa's, die van ouds door de rechters als grondslag voor hunne beslissingen gebruikt werden, verdrongen hebben, en wat Tunesië aangaat, dat men daar met het codificatiewerk, wat de belangrijkste hoofdstukken van het Moslimsche recht betreft, verder gekomen is dan tot projecten.
Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht.
En dan moet men nog twee zaken bedenken, die de uitvoering van het plan voor eene niet-Mohammedaansche regeering als de Fransche heel wat bezwaarlijker zouden maken dan voor Mohammedaansche als de Turksche en Egyptische. In alle opzichten, maar vooral waar het aankomt op de behandeling der heilige wet, heeft de minst aanzienlijke Mohammedaansche bestuurder voor eene bevolking, die dien godsdienst belijdt, een gezag, waarmee dat van den machtigsten niet-Moslimschen staat nooit kan wedijveren. Ging de Gouverneur-Generaal van Algiers er inderdaad toe over, bij decreet verbindende kracht toe te kennen aan eenen codex van het Mohammedaansche recht, die door eene commissie van eenige Fransche deskundigen en eenige Mohammedaansche ambtenaren van de Fransche regeering was samengesteld, dan zou zulk eene wet reeds om haren oorsprong in de oogen van alle vrome Moslims verdacht zijn. Kwam daar nog bij, dat bij die codificatie gestreefd was, uit de leerstellingen der verschillende rechtsscholen van den Islâm datgene bijeen te lezen, wat zich het best leende voor aanpassing aan moderne rechtsbegrippen--en hiernaar streeft inderdaad de commissie van Algiers--dan zou de gehoorzame aanvaarding van zulk eenen codex door eene Moslimsche bevolking eenvoudig bewijzen, dat de Fransche Regeering over haar een zoo onbeperkt gezag had, dat zij bijna even gemakkelijk het geheele Mohammedaansche recht door een ander had kunnen vervangen.
De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken.
Het tweede, niet minder ernstige bezwaar is hierin gelegen dat het recht niet alleen zijn eigen inhoud heeft, dien men volgens de meening der Mohammedanen alleen door steeds vernieuwde raadpleging der door den consensus gewaarmerkte handboeken mag leeren kennen, kennen, maar dat bovendien rechters en moefti's (gezaghebbende uitleggers der wet) bij de toepassing en verklaring dier wet gebonden zijn aan methoden, die ver afwijken van die der Europeesche juristen. Een door een Europeesch rechter geveld vonnis kan door hem op volkomen logische wijze zijn gebaseerd op een artikel van zijnen Mohammedaanschen codex en toch rechtmatige ergernis geven aan Mohammedanen, die tegen den inhoud van het artikel zelfs geen enkel bezwaar hebben.
Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht.
Eenige Fransche adviseurs der Regeering van Algiers, die evenals ik eene bevredigende codificatie van het Moslimsche recht niet mogelijk achten, spreken zich daarenboven tegen de wenschelijkheid van zulk een vastleggen van bepalingen dier wet uit. Zij wijzen erop, dat de Fransche Regeering zoo doende aan inzettingen, die zij niet goedkeurt, maar alleen om historische redenen ter wille van eene groep harer onderdanen tolereert, een langduriger bestaan verzekeren zou dan deze, aan zichzelve overgelaten in den strijd tegen de moderne levensopvatting, zouden bereiken. Wel verre van in het ontbreken van eenen codex eene lastige leemte te zien, beschouwen zij dat veeleer als een groot voordeel, daar Fransche rechters en bestuurders nu bij allerlei gelegenheden hunnen invloed kunnen aanwenden om de practijk der Mohammedanen geleidelijk met nieuwere beginselen in overeenstemming te brengen, hetgeen zij zeer dikwijls met succes gedaan hebben. De codex, dien men bezig is te ontwerpen, zou daarom voor een deel reeds bij zijne geboorte verouderd zijn, en voor het overige de zoo gewenschte ontwikkeling der Moslimsche maatschappij uit hare middeleeuwsche windselen zeer bemoeilijken.
Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen.
In Nederlandsch-Indië zijn meer dan eens stemmen opgegaan voor eene codificatie van die gedeelten der Mohammedaansche wet, die voor de rechtspraak over Inlanders van practisch belang zijn. Onze wetgeving heeft den omvang hiervan nergens zoo nauwkeurig bepaald als dit in Algerië geschied is, maar de natuurlijke loop der zaken heeft dien feitelijk hier tot dezelfde onderwerpen beperkt als daar; het huwelijks-, familie-, personen- en het erfrecht staan bovenaan, de waqf-instellingen worden uit den aard der zaak volgens de heilige wet behandeld, en de Moslimsche leer van het bewijs, die in zoo menig opzicht van moderne opvattingen afwijkt, is de eenige, welke de handhaver der wet van den Islâm bij zijn onderzoek mag volgen.
Degenen, die ten onzent op codificatie aandrongen, behoorden ongeveer tot dezelfde groepen, die in Algerië zulk eenen mijns inziens onvervulbaren wensch uitten: vooral rechterlijke ambtenaren, die inzagen, dat de Regeering zich op den duur niet mag onttrekken aan alle toezicht op de Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak, en dat zulk toezicht niet beperkt kan blijven tot de wettige samenstelling der rechtbanken en tot de quaestie der competentie, maar zich ook behoort uit te strekken tot den inhoud der vonnissen, daar anders de justitiabelen overgeleverd worden aan de willekeur van niet of slecht bezoldigde rechters, die toch door de Regeering worden aangesteld. Die Europeesche juristen achtten evenwel de doelmatige uitoefening van zulk toezicht niet mogelijk, wanneer zij daarvoor niet beschikten over een codex, die voor hen, bruikbaar en tevens met onbetwist gezag bekleed was.
Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren.
De principieele bezwaren tegen dit desideratum behoeven wij na al hetgeen naar aanleiding der in Algiers op touw gezette codificatie werd opgemerkt niet meer te herhalen. Kon men--wat ik ontken--die algemeene hinderpalen overwinnen, dan nog zou, naar ik vermoed, onze Regeering, die zich terecht verplicht acht, de volksinstellingen der door Haar bestuurde Oosterlingen, vooral wanneer zij eenen godsdienstigen grondslag hebben, te tolereeren, in hooger mate dan die van Algiers door gemoedsbezwaren weerhouden worden van het door officieele codificatie min of meer consacreeren van instellingen als de polygamie met hetgeen daaruit voortvloeit, om niet meer te noemen.
Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen.
Ook zou eene codificatie van het Moslimsche recht, om te voldoen aan de eischen der meest deskundige Mohammedaansche Inlanders, verschillende instellingen, die in het inheemsche volksrecht gegrond zijn en waarmede vele rechters naar den Islâm rekening plegen te houden, moeten negeeren en zoo hare afschaffing voorbereiden, terwijl juist hare handhaving aanbeveling verdient. Ik noem slechts het op nagenoeg geheel Java en Madoera geldende instituut der voorwaardelijke verstooting na elk huwelijk, waardoor de positie der gehuwde vrouw belangrijk sterker wordt dan door eenvoudige toepassing der Mohammedaansche wet het geval zou zijn; verder de in een groot deel dier eilanden gebruikelijke verdeeling der staande het huwelijk verworven goederen tusschen de echtgenooten bij ontbinding van den echt.
Een der meest gezaghebbende Mohammedaansche schriftgeleerden in Nederlandsch-Indië, Sajjid Oethmân bin Jahja te Batavia, heeft door de samenstelling van zijnen verdienstelijken gids voor de priesterraden (onder den titel: al-Qawânîn as-Sjar'ijjah) zijdelings de onmogelijkheid eener codificatie aangetoond. Hij wist uit rijke ervaring van vele jaren, welke quaesties aan die geestelijke rechtbanken op Java en Madoera plegen te worden voorgelegd; zijn streven was, uit de beste werken der doctores van het Sjafi'itische recht bijeen te lezen, hetgeen de leden van die rechtbanken anders in eene bibliotheek van handboeken zouden moeten zoeken. Inderdaad gaf hij al wat iemand, die met de materie vertrouwd is, billijkerwijze verwachten kon: geene codificatie dus, maar een nieuw, voor bijzondere behoeften berekend leerboek, dat evenwel telkens den gebruiker noodzaakt, voor een te behandelen geval zijn licht te ontsteken bij een anderen auteur. Van volksrecht, dat niet met de kanonieke wet overeenstemde, nam hij natuurlijk alleen notitie om het met alle kracht te bestrijden.
Beteekenis der mystiek in den Islâm.
Onze vluchtige karakterschets van het systeem van den Islâm zou al te onvolledig zijn, als we de mystiek geheel stilzwijgend voorbijgingen. Voor hem, die den Islâm van alle zijden wil bezien, is dit zelfs juist een onderwerp, dat verleidt om er lang bij stil te staan, want in de mystiek heeft het Mohammedanisme het middel gevonden om zich te verheffen tot eene hoogte, van waar hij boven zijn eigen, eng begrensden horizon uit kon zien.
Die geesten onder de Moslims, voor welke het keurslijf der wettelijke voorschriften en der dogmata van den Islâm te eng was, hebben in de periode, waarin hij zich aan de door hem veroverde wereld aanpaste, aan denkbeelden van eene andere orde binnen zijne grenzen een zeker burgerrecht weten te verzekeren. In hunnen kring werkten ascese en wijsgeerige diepzinnigheid van Griekschen, Perzischen en Indischen oorsprong samen om de wet en de dogmatiek te vervluchtigen tot de eerste, meest elementaire middelen om te geraken tot vereeniging van mensch en God. Soms ging die vervluchtiging zoo ver, dat er van de specifieke voorschriften en leerstellingen van den Islâm niet veel meer overbleef. Natuurlijk begon dan van de andere zijde de ketterjacht, en daarom vermeden vele mystieken het dan ook, de ondergeschiktheid van wet en geloofsleer aan hoogere doeleinden tot de consequentie van opheffing dezer beide uit te werken. Dit alles behoort echter meer tot het terrein van godsdienst en wijsbegeerte, dat ons hier slechts in zooverre bezighoudt als het voor de practijk belangrijke directe gevolgen heeft.
Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten.
In één opzicht raakt de mystiek toch onze tegenwoordige sfeer van belangstelling. Overal, en ook in den Islâm, onderscheidt zij zich door neiging om den godsdienst boven zijne vormen te verheffen, dus ook door verdraagzaamheid; zij heeft, als ik het zoo eens noemen mag, iets interreligionaals. Nu hebben sommigen daarom de Mohammedaansche mystiek beschouwd als bestemd om den Islâm uit zijn geestelijk isolement te verlossen en hem de gewenschte verzoening met de moderne cultuur mogelijk te maken. Als deze verwachting gegrond was, dan zou zij voor de Mohammedanen van den Indischen Archipel bijzondere beteekenis hebben, want daar heeft vooral in den aanvang der Islamiseering de mystieke opvatting diepe wortels geschoten. De bodem was daartoe met name op Java, maar ook elders, door het vroeger heerschende Hindoeïsme uitnemend voorbereid, en de eerste predikers van den Islâm waren zelf weer geïslamiseerde Hindoes, die veel van den ouden zuurdeesem behouden hadden.
Voor het proces der inlijving van Javanen en Maleiers bij de moderne beschaving is deze omstandigheid zonder twijfel gunstig, althans daar, waar niet in lateren tijd de invloed van West- en Zuid-Arabië, van Mekka en Hadhramaut, met succes tegen te zwakke waardeering van wet en leer gereageerd hebben. Maar dan toch alleen in dezen zin, dat die Indonesiërs daardoor minder dan vele andere Islâmbelijders zich tegen de inwerking van vreemden geestelijken invloed zullen verzetten; niet zoo, dat zij kans hebben om meegesleept te worden in eene algemeene hervorming van den Islâm in de richting der mystiek.
De verwachting van zulk eene beweging laat zich namelijk op redelijke gronden niet rechtvaardigen. De mystiek van den Islâm heeft nooit propaganda onder het volk gemaakt, zij bleef steeds beperkt tot enkele kringen, die zich als geestelijk bevoorrechten beschouwden en nog dieper haast dan de schriftgeleerden en de dogmatici op de schare neerzagen. De mystieken werden door de massa beschouwd òf als ketters òf als godsmannen, die wonderen deden, maar wier denken en doen gewone menschen zich niet tot voorbeeld mochten nemen. Hunne beschouwing van wereld en leven mist dus al hetgeen zou kunnen dienen om de menigte te boeien of aan te trekken.
De mystieke broederschappen.
Wel is er ook eene populaire soort van mystiek ontstaan, die in de zoogenaamde geestelijke broederschappen, de tarîqah's, haren vasten vorm heeft gevonden, maar van deze verwacht wel niemand hervormende kracht, want zij heeft zelve hare kracht gezocht in streeling van de vulgaire behoefte aan menschenvereering en allerlei bijgeloof. Noch de vaak verheven, maar meestal hoovaardige denkheiligheid der mystieke leer van den Islâm, noch de op de lagere neigingen der menschen speculeerende tarîqah's kunnen aan het Mohammedanisme de geestelijke emancipatie brengen, die het geschikt moet maken voor het internationale geestelijke verkeer.
III.
DE NEDERLANDSCHE KOLONIALE REGEERING EN HET STELSEL VAN DEN ISLÂM.
De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek.
Sinds ongeveer zeven eeuwen heeft op de bevolking van onzen Indischen Archipel de in onze eerste voordracht geschetste propaganda ingewerkt; sinds ongeveer vier eeuwen heeft hare overgroote meerderheid den Islâm aangenomen, dat wil zeggen zich opengesteld voor den invloed van het in onze tweede voordracht behandelde systeem en zich daarmee tevens voor andere cultuurinvloeden minder toegankelijk gemaakt, zij het ook dat de hervormende en opvoedende factoren van dat stelsel zich in vele streken nog weinig deden gelden. Vijfendertig millioenen Nederlandsche onderdanen belijden den Mohammedaanschen godsdienst, dus ongeveer een zevende deel van het geschatte totaal aller Moslims; daar gaat niet veel af, integendeel, er komt veel bij, zoowel omdat de bevolking snel vermeerdert, als omdat het toegenomen internationale verkeer, waaraan ook de Indonesiërs op hunne wijze deelnemen, hier gelijk overal de strekking heeft om plaatselijke eigenaardigheden op te ruimen, terwijl de Islâm de beste kansen heeft verworven om bij die opruiming eene hoofdrol te spelen.
Sinds Nederland tot het bewustzijn is ontwaakt, dat het zijne taak is, de volken van den Archipel naar hunnen aard voor deelname aan het moderne cultuur- en verkeersleven geschikt te maken, heeft het dus evenals elke niet-Mohammedaansche staat met Moslimsche onderdanen zijne eigene Islâmquaestie, eene levensvraag, welker oplossing elken Nederlander, die vooruitkijkt, ter harte moet gaan, waaraan bovenal de Regeering en Hare ambtenaren hunne ernstige belangstelling niet mogen onthouden.
Dat bij elke oplossing der vele vragen, die zich hier om een antwoord aanmelden, de volkomen eerlijke eerbiediging van de vrijheid der godsdienstige belijdenis van alle onderdanen ongerept moeten blijven, behoeft gelukkig geen uitvoerig betoog meer. De kleine groep van kortzichtigen, die den Islâm der Inlanders een deuk zouden willen geven door hem voor vijf zesden weg te cijferen, verdient de eer eener omstandige weerlegging niet.
Maar daar de Islâm nu eens een stelsel is geworden, dat zich niet tevredenstelt met de regeling der verhouding zijner belijders tot het Opperwezen, veeleer zijne bemoeienis opdringt met hunne betrekkingen tot het staatsgezag en tot hunne medeonderdanen van denzelfden staat, en tot in de geringste bijzonderheden al hunne levensuitingen wil binden aan zijne voorschriften, daar kan noch mag de staat, die millioenen Mohammedanen tot onderdanen heeft, hiervoor onverschillig blijven. Al ware het tegen wil en dank, hij is verplicht een scheiding te maken, die de Islâm zelf theoretisch niet maken kan, eene scheiding tusschen een gebied, waarbinnen hij zulk een imperium in imperio ter wille der gewetensvrijheid dulden kan, en een ander gebied, waarin de onbelemmerde werking van zulk eene macht met hoogere en algemeenere belangen niet te rijmen ware.
Jegens het dogma en de zuiver godsdienstige voorschriften der wet moet zij neutraal zijn.
Aan de eigenlijke geloofsdogmata van den Islâm behoort de Regeering in geen enkel opzicht te raken; zij zijn trouwens voor den staat even ongevaarlijk als die van eenige andere der gezindten, welker vrijheid van belijdenis door hem gewaarborgd wordt. Zelfs van het eschatologische gedeelte moet dit gezegd worden, want oproerige bewegingen, die soms daaraan--inzonderheid aan de mahdî-verwachting--vastgeknoopt worden, sleepen alleen onontwikkelden uit misverstand mede. Waar zij zich voordoen, zal men ze altijd met geweld moeten onderdrukken; preventief werkt daartegen opvoeding der bevolking tot een hooger intellectueel peil.
Niet minder zal de staat zich hebben te onthouden van alle belemmering van verrichtingen, die de Moslim beschouwt als te behooren tot zijnen godsdienst in den engeren zin van dat woord.
Overal, maar het meest daar, waar de Islâm niet meer den hoofdtoon aangeeft, brengt rigoureuze trouw aan hetgeen hij zijnen belijders als hoofdplichten voorschrijft--de zoogenaamde vijf zuilen van den Islâm--de geloovigen dikwijls in moeilijkheid bij intensieve deelname aan het tegenwoordige verkeer. De reinheidswetten, de vijfmaaldaagsche godsdienstoefeningen, het strenge vasten gedurende eene geheele maand van ieder jaar, dat alles maakt den ambtenaar, den koopman, den industrieel, den werkman der twintigste eeuw, die zich eraan gebonden acht, het leven vaak bedenkelijk zwaar. Dit blijkt wel het best uit het feit, dat zelfs in landen onder Mohammedaansch bestuur die verschillende klassen der maatschappij zich meer en meer van die knellende banden emancipeeren.
Onze koloniale Regeering zal zich hierdoor evenmin als de Fransche in Algerië of de Britsche in Indië gerechtigd achten op die natuurlijke evolutie vooruit te loopen door gebrek aan consideratie jegens hen, die zich nog tot inachtneming dier verouderende godsdienstige gebruiken verplicht achten. Elke directe of verkapte drang tot slapheid in zulke observanties is onverstandig, al ware het slechts omdat de evolutie daardoor met vertraging wordt bedreigd; immers alwat aan aanval blootstaat, stijgt in de waardeering van wie het bezit. Bovendien is zulk optreden van de Regeering of Hare ambtenaren met het beginsel der godsdienstvrijheid in stelligen strijd.
Minder groot is het gevaar van dit beginsel aan te randen ten aanzien van de zakât genoemde godsdienstige belasting, welker opbrengst mede als eene der vijf hoofdzuilen van het gebouw van den Islâm geldt. De Moslimsche wet zelve, rekening houdende met het feit, dat het staatsbestuur in Mohammedaansche landen al eeuwen lang niet overeenkomstig hare voorschriften is ingericht, bevat de noodige bepalingen voor het geval, waarin de vervulling van dezen plicht, zonder bemoeienis van vertegenwoordigers van het gezag, geheel aan het vrije initiatief der geloovigen is overgelaten. De Nederlandsch-Indische Regeering heeft reeds vele jaren geleden ten opzichte van deze instelling het eenig juiste standpunt ingenomen door aan hare ambtenaren mede te deelen, dat zij de zakât beschouwd wenschte te zien als eene vrijwillige liefdegave, tot welke niemand onder haar bestuur mocht worden gedwongen, evenmin als aan de naleving van dat godsdienstige voorschrift moeielijkheden in den weg gelegd behoorden te worden.
Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig zijn.