Part 5
Wij leerden haar daarstraks kennen als, wel veel meer later ingedrongen elementen van vreemden oorsprong bevattend dan zijzelve ons wil doen gelooven, maar sedert hare volgroeidheid bijzonder stroef. De keerzijde van die stroefheid was, dat het werkelijke leven in vele opzichten buiten haar om zijn eigen weg ging. Deze voor de wet ongunstige verhouding werd ook door andere oorzaken zeer in de hand gewerkt, voornamelijk doordien reeds enkele tientallen jaren na Mohammeds dood de machthebbers in den Islâm en de uitleggers der wet niet meer samenwerkten, maar twee jegens elkander meestal wantrouwende en naijverige groepen vormden. Dat is sedert aldus gebleven: de bezitters van het gezag waren even ongeneigd om zich in alles onder de vaak lastige controle van de wetgeleerden te stellen als dezen om zich door de vorsten der wereld den critischen mond te laten snoeren. Des te vrijer konden die juristen zich aan hunne casuïstische liefhebberijen overgeven, en daar zij, gelijk wij vroeger zagen, op de onwetende schare minachtend neerzagen, waren zij allerminst doordrongen van het besef, dat hunne uitlegging der onfeilbare wet rekening diende te houden met de practische eischen der maatschappij.
De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld.
De samenhang van theorie en practijk liet reeds zeer veel te wenschen over in de eerste drie eeuwen van wording van het systeem, en in de landen zelve, waar die groei tot stand kwam; hoeveel te meer in later eeuwen en in landen, die van dat oorspronkelijke centraalgebied ver af gelegen waren. Gewoonterecht en willekeur der bestuurders deden alom ten aanzien van menig hoofdstuk der wet bijna vergeten, dat het eene andere bestemming had dan die van bestudeerd te worden. Het qâdhî-ambt, ingesteld ter beslechting van alle geschillen volgens de wet Gods, ontaardde weldra, deels omdat het meegesleept werd in de algemeene corruptie der staatsambten, deels omdat het in de vrijheid zijner functie belemmerd werd door zijne afhankelijkheid van het bestuur. Om hunne gemoedsrust te kunnen bewaren bij het onloochenbare feit, dat Allahs geboden op elk gebied veronachtzaamd werden, namen de schriftgeleerden aan, dat deze wereld te slecht was voor eene zoo volmaakte wet, die hare volle kracht slechts kon ontwikkelen in het gulden verleden van Mohammed en zijne eerste opvolgers en in het toekomstige messiaansche tijdperk, wanneer de mahdî, de door Allah geleide, aan het hoofd der gemeente zou staan en de wereld zou vervullen met gerechtigheid gelijk zij thans vervuld was met onrecht. Dat het zoo gaan zou, werd zelfs in den vorm eener voorspelling aan Mohammed in den mond gelegd.
Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet.
Theoretische erkenning hebben de wetgeleerden aan hun werk in de geheele Mohammedaansche wereld weten te verzekeren; wie de verbindbaarheid ook maar van een enkel door den onfeilbaren consensus der gemeente gestempeld wettelijk voorschrift in twijfel trok, werd daardoor een rebel tegen den Almachtige, wie haar loochende, een kâfir.
Juist hierom mogen wij dus toch weer van bijna geen deel der wet zeggen, dat het ontbloot is van alle beteekenis voor het leven der Mohammedanen; wel kan men naar het verschil in graad van de waarde voor de practijk verschillende bestanddeelen dier wet onderscheiden.
De zuiver godsdienstige bestanddeelen.
De vijf hoofdplichten der geloovigen jegens Allah, de zoogenaamde vijf zuilen van den Islâm, met welker behandeling ieder leerboek der wet begint, hebben groote beteekenis voor het individueele godsdienstige leven, in onzen tijd zelfs meer dan in de middeleeuwen, toen nog vaak de vervulling dier voorschriften door bestuur en politie bevorderd werd. Thans wordt die ook in landen onder Mohammedaansch bestuur meestal aan den eigen aandrang der Moslims overgelaten, zoodat men duidelijker dan voorheen kan onderscheiden, welke soort van godsdienstige verrichtingen in eene bepaalde streek de hoogste waardeering geniet. Voor de vraag, of men eene bevolking al of niet bij de Mohammedanen zal indeelen, heeft, gelijk ons bleek, die relatieve waardeering evenwel geen groot belang.
In den Indischen Archipel loopt die waardeering plaatselijk ver uiteen. In Atjèh wordt de çalât lang niet met denzelfden ijver waargenomen als in Banten; het vastengebod wordt op Midden-Java door een groot deel der bevolking veronachtzaamd. Op West-Java daarentegen overschat men dikwijls deze verplichting door haar getrouwer na te komen dan die der ritueele godsdienstoefening. Aan het zakâtvoorschrift houden zich de Soendaneezen veel strenger dan de andere bewoners van Java, terwijl de ijver voor de bedevaart naar Mekka in de meeste eilanden van den Archipel in vergelijking met andere landen overdreven wordt.
Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen.
Onder de overige hoofdstukken der wet, die de verhouding der menschen onderling als onderdanen van den staat, als leden van maatschappij en gezin regelen, zijn er verscheidene, die onze belangstelling slechts in zoover verdienen als zij kunnen bijdragen tot de kenschetsing van den geest van het geheel of omdat zij den historicus van den Islâm in staat stellen na te gaan, uit wat voor vreemde bronnen de oudste bewerkers der Mohammedaansche wet de magere Arabische stof aangevuld hebben. Overigens bezitten die hoofdstukken, daar zij zoo goed als nergens op den duur kracht van wet hebben gehad, alleen paedagogische waarde voor de betrekkelijk kleine kringen, die van de geheele wet studie maken en wier ideaal van een vroom leven mede daardoor wordt bepaald.
Dit geldt bijv., behoudens uitzonderingen, van de leer der contracten, van het strafrecht en van zoo menig ander onderdeel, dat door de casuïsten tot in de uiterste consequenties is uitgewerkt, als ware het heil der menschheid ermee gemoeid.
Bepalingen die als moreele voorschriften werken.
Er zijn echter ook een aantal onderwerpen, waaromtrent bepalingen in de goddelijke wet voorkomen, die in wijde kringen bekend zijn en welker overtreding de geloovige zich als zonde aanrekent. Meestal zijn het verbodsbepalingen, en wel liefst zulke, die op eene ondubbelzinnige uitspraak van Allahs eigen woord berusten. Deze soort heeft dus voor de Mohammedanen veel hoogere moreele waarde dan de laatst genoemde categorie.
Geen Moslim heeft gemoedsbezwaar tegen het sluiten van koop- en huurcontracten volgens andere regelen en in andere vormen dan die de goddelijke wet daarvoor aangeeft; maar wanneer hij zich laat vinden tot het aangaan eener overeenkomst, waarbij rentebeding in een of anderen vorm te pas komt, dan voelt hij zich schuldig tegenover Allah, en wanneer hij eene assurantie sluit, is zijn geweten niet veel geruster. Dat komt omdat het leenen tegen rente in den Qoerân streng verboden en met de zwaarste straffen in de andere wereld bedreigd wordt, terwijl de Mohammedaansche schriftgeleerden verzekeringsovereenkomsten als hasardcontracten beschouwen, en het hasardspel in Allahs woord tot het werk van den Duivel gerekend wordt.
Van een koopcontract, waarbij de voorschriften der heilige wet niet in acht genomen zijn, kan men uit het oogpunt van het kanonieke recht de geldigheid betwisten; maar, indien beide partijen zich erdoor gebonden achten, meer nog indien eene besturende macht die opvatting deelt en waar noodig handhaaft, dan heeft die afwijking voor geen der betrokkenen schadelijke gevolgen noch van materieelen, noch van moreelen aard. Anders staat het met rechtshandelingen, die Allah verboden en strafbaar gesteld heeft. Het sluiten van een contract met rentebeding bijv. is uit een godsdienstig-zedelijk oogpunt te vergelijken met het drinken van wijn of het plegen van ontucht.
Eene als onfeilbaar geldende wet, die zonder beperking van tijd of plaats rechtshandelingen verbiedt welke, voor eene normale ontwikkeling van menschelijken handel en verkeer op den duur onmisbaar zijn, dwingt de menschen, zich op de eene of andere wijze van haar te emancipeeren. Dit kan gebeuren door overtreding, die dan door hare algemeenheid en frequentie ten slotte haar afschrikwekkend karakter verliest, of door ontduiking, waarbij de schijn van gehoorzaamheid aan het voorschrift wordt bewaard. Beide wijzen van doen ondermijnen den waren eerbied voor de wet. Dat de Moslimsche wet dagelijks aldus door de geloovige Mohammedanen behandeld wordt, moet geweten worden aan het principieele euvel, waarmee die wet reeds behebt was, toen zij van Arabië uit haren tocht door de wereld begon, het voor alle tijden gelijkstellen van hetgeen de tijd noodwendig verandert.
Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet hadden.
Een natuurlijk gevolg van dezen loop der zaken is het weer, dat de wetgeleerden zelve het niet slechts hunne taak achten, de bepalingen uit te leggen en uit te werken, maar ook de wegen te wijzen, waarlangs men de in den tijd niet passende voorschriften kan ontduiken.
Een Duitsch vergelijkend rechtsgeleerde heeft gemeend, uit die gewoonte der Mohammedaansche wetgeleerden de gevolgtrekking te mogen maken, dat het recht van den Islâm werkelijk het leven heeft beheerscht; volgens hem moeten die wetten wel in volle kracht gewerkt hebben, wanneer men het noodig achtte, ze op omslachtige wijze te ontduiken. Hij vergat, dat die noodzakelijkheid zich evenzeer opdringt, waar men te doen heeft met eene gedétailleerde kanonieke wet, die met de eischen van het leven telkens in conflict komt, maar waaraan men goddelijken oorsprong toeschrijft, ja dat die ontduikingsmiddelen evenzeer gezocht worden ten aanzien eener onveranderlijke moraal, die uit voorschriften in plaats van uit beginselen bestaat. Ook als de historie ons niet op elke bladzijde getuigen maakte van de botsingen van het leven der Mohammedanen met de door hen theoretisch als onfeilbaar erkende wet, dan nog zou de vergelijkende rechtswetenschap hare bevoegdheid te buiten gaan door uit de wijze, waarop die wet in de school behandeld werd, conclusies te trekken ten aanzien harer verhouding tot de practijk.
Werkelijk geldende hoofdstukken der wet.
De vierde categorie van onderdeelen der wet, die wij van ons gezichtspunt te onderscheiden hebben, behandelt onderwerpen, waarvan men om deze of gene reden altijd van oordeel is gebleven, dat zij geheel door het goddelijke recht geregeld moesten zijn, ook in het lange tijdperk na de gouden dertig jaren der rechtzinnige chaliefen en vóór het aanbreken der messiaansche periode van den mahdî.
Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht.
Hiertoe behoort in de eerste plaats het personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht. Geen Mohammedaansch besturend hoofd heeft er ooit aan gedacht, de beslissing van geschillen, die daarop betrekking hebben, aan de jurisdictie van den qâdhî te onttrekken. De voorwaarden en de grondslagen van een huwelijkscontract kunnen de twee betrokken partijen reeds daarom niet naar eigen goedvinden regelen, omdat Allah elke moedwillige afwijking van de door hem daarvoor gestelde regelen tot ontucht gestempeld en met de zwaarste straffen in dit leven en in het namaals bedreigd heeft. Maar ook afgezien hiervan, het huisgezin is wel in elke op godsdienstige grondslagen berustende maatschappij als een onaantastbaar heiligdom beschouwd, welks inrichting niet aan den invloed van menschelijke willekeur onderworpen mocht zijn. In den Islâm met zijne ons bekende neiging tot détailregeling, die zelfs de bijzonderheden van kleeding en toilet, van beleefdheidsvormen en uitingen van gemoedsaandoening wilde binden aan van tijd en plaats onafhankelijke voorschriften, in den Islâm sprak het van zelf, dat de familie over zijn geheele gebied hetzelfde type moest vertoonen en dat hij ten aanzien hiervan voor transactie met de ethnische eigenaardigheden zijner belijders ontoegankelijk was.
Naast deze, voor alle Mohammedanen verreweg belangrijkste kapittels der heilige wet, hebben wij in dit verband nog te letten op een aantal andere, waarmede uit den aard der zaak lang niet ieder practisch te doen krijgt, maar die toch dit met de voorschriften betreffende personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht gemeen hebben, dat zij de daarin behandelde onderwerpen ook feitelijk beheerschen.
Vrome stichtingen.
Niet ieder verkeert in de gelukkige omstandigheden, vrome stichtingen ten behoeve van eeredienst, onderwijs of andere zaken van algemeen nut in het aanzijn te kunnen roepen; maar wie dat doen kan en wil, denkt er natuurlijk niet aan, het op eene andere wijze te doen dan die in Allahs wet daarvoor is aangegeven. Hij zou immers daardoor het voornaamste resultaat, dat men zichzelf van zulke vrijgevigheid belooft: de verwerving van Allahs genade in het namaals, in gevaar brengen. Al is het dus mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat de wet betreffende de waqfgoederen in den tijd der aanpassing van den Islâm onder sterken invloed van het recht der veroverde landen haar beslag heeft gekregen, zóó als zij daar nu in het voltooide systeem voor ons ligt, vertoont zij zich aan de geloovigen als afkomstig uit dezelfde onfeilbare bronnen, waaruit de met historisch recht aan Mohammed toegeschreven inzettingen gevloeid zijn, en geen Moslim wijkt er willens en wetens van af, wanneer hij zijn credit in Allahs grootboek wenscht te vermeerderen door een deel van zijn eigendom in de doode hand te brengen.
Geloften.
Hetzelfde kan men tot op zekere hoogte zeggen van de geloften, waarbij de geloovige, al of niet onder de voorwaarde van het plaatsgrijpen eener door hem gewenschte gebeurtenis, aan Allah eene of andere prestatie in den vorm van een Hem welgevallig werk belooft. Echter is op dit gebied de heerschappij der geopenbaarde wet niet zoo onbeperkt als ten aanzien der eerst genoemde onderwerpen. Terwijl men met de stichting van een waqf in de eerste plaats eene verhooging van zijnen rang in de andere wereld op het oog heeft, wil men door geloften meestal aardsche doeleinden bereiken: de meest gewoone voorwaarden, waaraan de vervulling eener gelofte gebonden wordt, zijn genezing van zieken, erlanging van den huwelijkszegen, van geluk in den handel of in de ambtelijke loopbaan, en wat dies meer zij. Daar nu de geïslamiseerde volken ook vóór hunne bekeering allerlei magische middelen tot verkrijging van zulke wenschen plachten aan te wenden en de paedagogische werking van den Islâm nergens sterk genoeg geweest is om zulk volksgeloof uit te roeien, dingen hier nog altijd de oude beproefde recepten van heidenschen oorsprong met de in streng monotheïstischen zin gereinigde der officieele leer om den voorrang, en dan winnen de eerste het meestal bij de ongeletterde massa.
Voorschriften over de rechtspraak.
De bepalingen over de rechtspraak, die de Mohammedaansche wet bevat, hebben werkelijk ingang gevonden en hare werking behouden, voor zoover die rechtspraak zelve niet door eene andere, wereldlijke is verdrongen. Dat wil dus zeggen, dat bij de beslechting van al zulke geschillen, welker behandeling de besturende autoriteiten niet aan zich getrokken hebben, dus alweer bovenal in zaken betreffende personen-, huwelijks-, familie-, en erfrecht, de procedure volgens de regelen der heilige wet geschiedt, de door haar aangegeven bewijsmiddelen alleen in aanmerking komen, dat getuigen en partijen daarbij zonder eenigen dwang het woord moeten voeren, dat het getuigenis van vrouwen weinig, dat van niet-Mohammedanen volstrekt geene waarde heeft, dat de eed alleen aan partijen en niet aan getuigen kan worden opgelegd, dat aan het schriftelijk bewijs geene waarde toegekend mag worden. Alles geheel anders dus dan bij de berechting der vele zaken, die in den loop der tijden aan de qâdhîs onttrokken en naar gewoonterecht of willekeur door de bestuurders behandeld werden.
Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen.
De wettelijke voorschriften, die bestemd zijn om de verhouding van den Moslimschen staat tegenover het "gebied van den oorlog", van de belijders van den Islâm tegenover ongeloovigen te bepalen, hebben eeuwenlang de werkelijkheid beheerscht, zij het ook vaak met eene zekere vrijheid in het bijzondere, die zich vanzelf verklaart wanneer men bedenkt, dat de uitvoering lag in de handen der vorsten en hunner dienaren, niet der schriftgeleerden. Ook toen de staatkundige roem van den Islâm al geweldig getaand was, hield men nog lang vast aan zulke middeleeuwsche beginselen als dat een Moslimsch staatshoofd nooit duurzamen vrede met een niet-Moslimsch land mocht sluiten, ja zelfs een wapenstilstand niet langer dan tien jaren mocht duren.
Nog in onze dagen, kan men, gelijk ons reeds bleek, de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarmee verband houdt niet als voor de practijk onverschillig beschouwen, al is hare werking van geheel anderen aard dan die van in eigenlijken zin nageleefde wetten zooals de huwelijkswet.
De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie.
Dit overzicht zal voldoende zijn ter bevordering eener klare voorstelling der beteekenis, die het stelsel van den Islâm gehad heeft en die het nog bezit voor het leven zijner belijders. Toch zou onze schets aan duidelijkheid te wenschen overlaten, indien wij er niet iets aan toevoegden over den aard der bronnen, waaruit dat systeem, inzonderheid in zijne legislatieve bestanddeelen, gekend wordt. Het kan daarbij niet de bedoeling zijn, de in den laatsten tijd meermalen door mij gegeven uiteenzetting van de wordingsgeschiedenis der Mohammedaansche wet nogmaals te herhalen, maar wel om scherp te doen uitkomen, dat het bij deze wet nooit gekomen is tot eene eigenlijke codificatie, en dat, naar het schijnt, ook in de toekomst elke poging om daartoe te geraken van te voren als mislukt moet worden aangemerkt.
Qoerân en Soennah.
In den allereersten tijd hebben de leiders der Mohammedaansche gemeente getracht, de geheele wet te beschouwen als berustend op de eigen woorden van Allah, zich daarvoor o.a. beroepende op het Qoerânvers (VI : 38): "Wij hebben in het Boek niets veronachtzaamd", openbaringswoorden, die blijkens het verband iets geheel anders wilden zeggen. Men was huiverig voor het stellen van menschelijk gezag als ongeveer gelijkwaardig naast dat van God.
Niet lang kon men echter blind blijven voor de waarheid, dat de Qoerân van het eerste begin af doorgaans de verklaring en aanvulling zijner sobere wetgevende uitspraken door woord en voorbeeld van den Gezant Gods onderstelt. De Soennah, de wijze van doen, van Mohammed, werd derhalve als tweede bron van wetgeving naast den Qoerân erkend. Deze Soennah had boven den weldra na Mohammeds dood voor altijd schriftelijk vastgestelden Qoerân eene zekere rekbaarheid voor, waarvan bij de vroeger genoemde aanpassing der wet aan de onafwijsbare behoeften der veroverde landen een ruim gebruik gemaakt werd. De overlevering (hadîth) omtrent den inhoud der Soennah bleef gedurende een paar eeuwen vloeiend, en zoo vond men gelegenheid om de meeste vreemde elementen, die de Moslimsche wet niet missen kon, door tradities over Mohammeds woorden en daden te sanctionneeren.
De Overlevering, al hield ook hare rekbaarheid na ongeveer drie eeuwen op, heeft nooit zoo vasten vorm verkregen als de Openbaring. Uit het ontelbaar aantal tradities, die elk een of ander klein détail der wet tot onderwerp hadden, kozen gezaghebbende geleerden, ieder volgens zijne eigene critische beginselen, de "echte" uit, en zij rangschikten die in hunne verzamelwerken min of meer naar den inhoud of naar de herkomst. Ofschoon nu sommige van die verzamelingen eene soort van kanonieke waarde hebben verkregen, bleef toch de weg altijd open voor verschillende relatieve waardeering der enkele tradities, die daarin eene plaats gevonden hadden, en tevens voor gelijke waardeering van andere, die in die collecties niet waren opgenomen. De uitlegging van al die overleveringen was natuurlijk voor latere geslachten vooral niet minder aan discussie onderhevig dan die van Allahs eigen woord.
Losmaking der wet van hare bronnen.
De wettelijke bepalingen, die men uit deze bronnen kon afleiden, werden vervolgens stelselmatig en met weglating van het betoog, door de schriftgeleerden (faqîhs) geordend en aldus verwerkt tot hetgeen men zou kunnen noemen handboeken der plichtenleer, leerboeken, waarin de geheele wet voor de weetgierigen werd uiteengezet met zooveel gezag als de naam van ieder auteur vertegenwoordigde. Het verschil in opvatting, dat bij die behandeling der stof aan den dag kwam, betrof meestal dingen, die wij bijzaken zouden noemen, en het verminderde bovendien nog met den tijd. Toch werd volkomen eenstemmigheid ten aanzien van geen enkel hoofdstuk der wet bereikt, zelfs niet binnen de grenzen van eene der rechtsscholen, waarvan thans nog vier--de Hanafitische, de Malikitische, de Sjafi'itische en de Hanbalitische--over zijn, die dat meeningsverschil vertegenwoordigen. Dit doet geen afbreuk aan de katholiciteit van het systeem van den Islâm, daar het totaal van de resultaten der legislatieve werkzaamheid van de eerste eeuwen als onaantastbaar gewaarborgd wordt door de onfeilbaarheid der gemeente, die dat alles, de verschillen incluis, voor hare rekening heeft genomen.
De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan.
Deze loop der zaken, men begrijpt het licht, verzet zich tegen het denkbeeld eener algemeen aanvaarde codificatie, zelfs van hetgeen in ééne en dezelfde school op dit gebied als waarheid geldt. Zij zou niet kunnen geschieden zonder dat daarbij telkens van verschillende, gelijkwaardige inzichten enkele voor goed ter zijde werden gesteld. Ook heeft de onfeilbaarheid van den consensus van oudsher alleen zóó gewerkt, dat eene volgende generatie op bepaalde resultaten der werkzaamheid eener vorige het stempel harer goedkeuring drukte, maar er is nooit een lichaam of eene vergadering geweest, die zich bevoegd achtte, op een gegeven oogenblik over bepaalde quaesties in naam der onfeilbare gemeente uitspraak te doen. Eene commissie van geleerden eener rechtsschool (madhab) te belasten met de codificatie van de Moslimsche wet, zou dus, afgezien van de moeilijkheid harer samenstelling in verband met de verspreiding der aanhangers van zulk eene school over den aardbodem, een absoluut novum zijn, en men weet hoe vijandig bovenal de wetgeleerdheid tegen nieuwigheden is, gedachtig aan de uitspraak, die op naam van den Profeet overgeleverd wordt: "hoedt u voor nieuwe dingen: want elke nieuwe zaak is eene ketterij, elke ketterij eene dwaling, en elke dwaling behoort in het helsche vuur".
Gesteld eens, dat men de waarlijk niet geringe bezwaren, die ik al noemde, ter zijde wist te stellen, dan nog zou de aanvaarding van de meest zorgvuldige codificatie op haast onoverkomelijke gemoedsbezwaren stuiten. Men zou in den codex niet veel anders mogen zien dan een nieuw leerboek naast de vele bestaande, niet een wetboek. Al hebben feitelijk de handboeken der verschillende scholen de bronnen der wet verdrongen, zoodat het niemand meer vrijstaat, die bronnen onafhankelijk van de rechtsscholen te gebruiken, terwijl ook het recht der geleerde critiek op de uitspraken van gezaghebbende handboeken uiterst beperkt is, toch ziet men in ieder dier met autoriteit bekleede auteurs slechts iemand, die op gezag alweer van oudere voorgangers den inhoud van Qoerân en Overlevering verklaart, zonder zijn werk voor die gewijde bronnen in de plaats te stellen. Geen Mohammedaansch concilie--gesteld eens dat het mogelijk ware, er een samen te stellen--zou het wagen, voor zijn werk op zulk eene plaats aanspraak te maken.
Poging tot codificatie in Algerië.