Part 4
Het door vreemde avonturiers begonnen werk der islamiseering van de Oost-Indische eilanden werd door de bekeerde Inlanders zelve voortgezet. In het midden der veertiende eeuw prijst de Arabische reiziger Ibn Battoetah den Moslimschen vorst van Soematra-Pasè om de heilige oorlogen, die hij voerde tegen de heidenen in het binnenland van het eiland. De Mohammedaansche koloniën aan de Noordkust van Java ontwikkelden zich tot rijkjes, die ten slotte deels door aantrekking, deels door strijd Madjapait en Padjadjaran overweldigden. Van Java uit verbreidde zich de Islâm over Zuid-Soematra, deelen van Borneo en van Celebes en meer Oostelijk gelegen eilanden.
De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later te werken.
Onder de uit Indië afkomstige eerste invoerders van den Islâm in den Archipel waren er met Arabische stamboomen van twijfelachtige echtheid, en ook wel enkele van onverdacht Arabische afkomst. Dit neemt niet weg, dat hun Islâm een ontwijfelbaar Indisch karakter vertoonde, en zich dus met name op Java uitnemend aansloot bij de Hindoeistische elementen, die zich daar lang te voren met het oorspronkelijke animisme vermengd hadden. Eigenlijk Arabische invloed deed zich eerst later gelden. Het waren Arabische gelukzoekers van voorname geboorte in Hadhramaut, die de kustrijkjes van Siak op Soematra en van Pontianak op Borneo stichtten. Emigranten uit dat Zuid-Arabische gebied vestigden zich sinds anderhalve eeuw in Palembang en verschillende handelshavens van Java en Madoera. De geletterden onder hen deden hun best om zoowel de specifiek Voor-Indische elementen van den hier ingevoerden Islâm als de voor hen meest aanstootelijke bestanddeelen van Hindoeistischen en animistischen oorsprong uit geloof en zeden der inheemsche Mohammedanen te verwijderen. Eene veel krachtiger werking in dergelijke richting ging echter van Mekka uit, niet zoozeer omdat zich ook enkele Mekkanen in Oost-Indië vestigden, als wel omdat in verband met de bedevaarten naar het heilige land sinds ongeveer twee en eene halve eeuw vele Inlanders te Mekka hunne studiën maakten of voltooiden. De vreedzame verdringing van de aan de Indische Mohammedanen ontleende methoden en denkwijzen door Arabische, die door de werkzaamheid der uit Mekka volleerd teruggekeerden begon, is nog niet afgeloopen, maar wint geleidelijk veld.
Samenvatting.
Wij hebben nu, denk ik, in hoofdtrekken het beeld voor ons van de wijze, waarop de Islâm getracht heeft, zijn ideaal van heerschappij over heel de menschheid te verwezenlijken en van de soort van zending, die een groot deel van den Indischen Archipel voor dezen godsdienst won. Van het jaar 630 af zocht hij de bereiking van zijn doel bovenal in onderwerping van de grootst mogelijke menschengroepen in den kortst mogelijken tijd; eene methode, die ook buiten den Islâm in de middeleeuwen vele aanhangers had. In het stelsel, dat omstreeks 900 zijne definitieve afronding verkreeg, bleef deze toepassing van materieele machtsmiddelen de eerste plaats innemen, ook nadat de veranderde tijdsomstandigheden die in de practijk zoo goed als onmogelijk gemaakt hadden. Feitelijk moest men zich in nieuwere tijden steeds meer beperken tot eene andere soort van propaganda, die van oudsher naast de gewelddadige aanbevolen en ook beoefend was: vreedzame overreding, die gewoonlijk den vorm aannam van assimilatie, vooral van primitieve volken, door kooplieden en avonturiers, die in hun eigen belang met die volken verkeerden. De leer van den heiligen oorlog, door de schriftgeleerden onveranderd overgeleverd en bij het mindere volk altijd geliefd, bleef daarbij gereed om zich onder gunstige omstandigheden te doen gelden. Zoo niet zelden bij pas bekeerde volksstammen, die hunne heidensche rasgenooten met geweld tot den Islâm brachten.
Altijd was het hoofdoogmerk snelle vermeerdering van het aantal Moslims, terwijl de opvoeding der bekeerden naar de beginselen en voorschriften van den Islâm aan de toekomst overgelaten bleef en met weinig ijver en ondoelmatige middelen beproefd werd. Onder de aangewende middelen van overreding speelden in systeem en practijk die van stoffelijken aard steeds de hoofdrol. Van missie met zuiver geestelijke middelen doen zich in ouderen tijd sporadisch gevallen voor; het meerdere, dat in onze dagen daarvan voor den dag komt, dankt zijn ontstaan meestal aan reactie tegen en concurrentie met Christelijke zending, die onder Moslims werkt.
Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd.
Bij het licht der geschiedenis van de Moslimsche propaganda en harer resultaten begrijpt men zonder moeite den afstand, die overal, waar de Islâm beleden wordt, te constateeren valt tusschen de leer en de wet eenerzijds en anderzijds het leven, vooral het leven van de massa des volks. Zonder dat licht begrijpt men er niets van en komt men gemakkelijk tot valsche oordeelen. Zoo onlangs een onzer volksvertegenwoordigers, die in dagbladartikelen en in eene parlementaire redevoering de stoute bewering deed vernemen, dat van de vijf en dertig millioen Nederlandsche onderdanen, die officieel als Mohammedanen te boek staan, slechts ongeveer zes millioen werkelijk belijders van den Islâm zijn.
De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis.
Het is altijd gevaarlijk voor een buitenstaander, met een zelfgemaakten maatstaf te gaan bepalen, in hoeverre menschengroepen, die zich bij eene godsdienstige belijdenis indeelen, terecht daartoe gerekend worden. Hoevele millioenen Europeanen, wier namen in Christelijke doopregisters voorkomen, zou men op die wijze niet de buiten de gemeenschap der Christenen kunnen plaatsen omdat zij van den godsdienst vervreemd zijn of omdat zij geene kennis hebben van hun geloof en bevangen zijn in heidensche superstitie en practijken van animistischen oorsprong? Wat zou er op die wijze overblijven van het Christen-zijn van vele gedoopte Inlanders? Het eenig bruikbare criterium zal toch wel zijn, hoe de menschen zichzelve genoemd willen hebben, vooral omdat alleen daaruit blijken kan, waar zij hun vertrouwen hebben geplaatst.
Bepalen wij onze aandacht eens bij Java als uit het oogpunt van bevolking verreweg het belangrijkste eiland van Nederlandsch-Indië. Met uitzondering van de kleine groepen der Badoei's en der Tenggereezen en van kleine Christengemeenten onder Europeesche leiding, noemt de geheele bevolking zich Mohammedaansch. Vooral op Midden-Java is van leer en wet van den Islâm in het leven van den kleinen man nog weinig doorgedrongen, terwijl zeden en bijgeloof er algemeen getuigen van de heerschappij van oud-animistische begrippen, min of meer gewijzigd door den invloed van het vroeger ingedrongen Hindoeisme. Toch zou een Hindoesch pandit thans evenveel moeite hebben om bij de bevolking gehoor te vinden als een zendeling van het Christendom.
De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf.
Zeker, van de millioenen zijn het slechts tienduizenden, die aan de over geheel Java verspreide pesantrèns kennis van eenige beteekenis opdoen van de dogmatiek en de wet van den Islâm. Evenals in andere Mohammedaansche landen zien ook hier die schriftgeleerden minachtend op de onwetende schare neer, en doen zij uiterst weinig om ze uit hare onwetendheid op te heffen. Maar evenals elders ziet ook hier die schare op naar die geleerden als naar degenen, die haar vertrouwen verdienen, waar het gaat om hare hoogste belangen.
Goede of slechte geestelijke waar, die haar geboden wordt, beoordeelt de bevolking in de eerste plaats naar het Mohammedaansche merk, waarmee zij voorzien is. Mist zij dit, dan beschouwt zij haar zonder onderzoek met achterdocht en wantrouwen. Laster is het, wanneer men zegt, dat de Regeering door bestuursmaatregelen deze gezindheid heeft bevorderd of in het leven geroepen. Zij bestaat van de dagen der Compagnie af, Raffles constateerde haar in het begin der negentiende eeuw, en de uiterst geringe verandering, die in den geestelijken staat der Javaansche landbouwers is gekomen, heeft ook haar ongewijzigd gelaten. De bevolking van Java evenzeer als de Atjèhers, de Maleiers, Boegineezen, Makassaren en wie zich verder in Indonesië naar Mohammed noemen, zijn Mohammedanen, of men moet dien naam tevens ontzeggen aan de Berbers, de Egyptenaren, de Syriërs, ja zelfs aan de meerderheid der Arabieren.
De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der godsdienstvrijheid.
De Regeering kan dit erkennen zonder zich daardoor te laten weerhouden van ook maar één enkelen bestuursmaatregel, die het belang van land en volk gebiedt. Maar Zij kan niet--zoolang Zij aanspraak maakt op den naam eener eerlijke regeering--medegaan met den wensch, dien de afgevaardigde van daarstraks namens onverstandige vrienden der Christelijke zending uitsprak, eenige millioenen Mohammedanen tot heidenen of pantheïsten verklaren, en daaraan vrijheid ontleenen om de zending meer direct te steunen door op die tot heidenen gestempelde Inlanders maatregelen toe te passen, die men tegenover Mohammedanen voor ongeoorloofd zou houden. Zulke steun zou ook beneden de waardigheid der Christelijke zending zijn. Men zou er bovendien het tegendeel van hetgeen men beoogde door bewerken: men zou aanleiding geven tot fanatiek verzet.
Wel doet de Regeering wijs door hare volle aandacht te schenken aan het veelszins gelukkige feit, dat onder een groot deel van de Mohammedanen van Nederlandsch-Indië de beginselen van het stelsel van den Islâm nog weinig diepe wortels hebben geschoten, waardoor zij veel toegankelijker zijn voor andere cultuurinvloeden dan anders het geval zou wezen. Hiervan behoort in het belang der bevolking zelve partij getrokken te worden voordat het te laat is; voordat nog de aan wezenlijke beschaving vijandige elementen, die den Islâm als eene uit hare middeleeuwsche periode overgebleven kwaal aankleven, gelegenheid vinden op die dusver gespaarde Inlanders in te werken, moet men alle kracht inspannen om ze daartegen immuun te maken. Dat dit geschieden kan in volkomen eerlijkheid en zonder valsche listen, hoop ik in het vervolg aan te toonen.
II.
KENSCHETSING VAN HET STELSEL VAN DEN ISLÂM.
Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken.
In mijne vorige voordracht gewaagde ik meer dan eens van het stelsel van den Islâm, dat ongeveer drie eeuwen na Mohammed zijn definitieven vorm had verkregen, en wees ik erop, dat het heel andere dingen bevatte dan waarvan men in Mohammeds dagen ook maar een flauw voorgevoel kon hebben. Dit sprak in verband met de ontzagwekkende gebiedsuitbreiding van het Mohammedanisme geheel van zelf.
Het schijnt ons reeds een wonder, dat die halfbarbaarsche Arabieren als in een ommezien niet slechts de volken van Zuid-Spanje tot de Westelijke grens van China wisten te onderwerpen, maar tevens aan de meesten hunner, waaronder naties met eene oude, hooge cultuur, hunnen nuchteren, nieuwen godsdienst wisten op te dringen, de Arabische taal in de plaats wisten te stellen van de talen der veroverde landen of althans haar den voorrang daarboven te verzekeren, de afstamming van de zonen der woestijn te doen erkennen als de hoogste aristocratie. Maar zonder eene groote mate van aanpassing zou dit alles toch geheel onmogelijk zijn geweest.
Voor de regeling van het staatsbestuur in die oude cultuurlanden, van grondbezit, handel en verkeer in zulk een wereldrijk, om niet meer te noemen, waren de sobere, naieve wetgevende gedeelten der Qoerânische openbaring volstrekt ontoereikend. Nu had echter in de oudste gemeente deze overtuiging diep wortel geschoten, dat alle levensverhoudingen, groot of klein, zonder uitzondering geregeld moesten worden door Allahs woord, toegelicht door Allahs gezant. Zoo was het geweest te Medina zoolang Mohammed als levend orgaan der openbaring in het midden der zijnen had verkeerd, en zoo behoorde het te blijven na zijn dood in het door hem gestichte rijk.
De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van den Profeet ingelijfd.
Hoe nu de geheel andere eischen der practijk in overeenstemming te brengen met die als eene levensvoorwaarde van den Islâm beschouwde beperking der bron van alle wijsheid tot eenige uitspraken, bestemd om in de vrij primitieve maatschappij van Medina de gewenschte orde te handhaven of te herstellen? Waar het voor heiligschennis gold, te meenen, dat de woorden van Allah en Zijnen Gezant aanvulling behoefden, schoot er niet veel anders over dan door vrome fictie aan Mohammed in den mond te leggen, hetgeen hij vermoedelijk gezegd zou hebben, indien hem een blik in de toekomst gegund ware geweest. Elke vraag, die rees gedurende en na de groote verovering der landen, gaf aanleiding tot het ontstaan van eene of meer overleveringen over iets, dat de profeet had gezegd of gedaan, en waaraan men voor het gegeven geval licht kon ontleenen. Later werd die steeds aangroeiende massa van tradities door schifting in omvang beperkt, door ordelijke rangschikking handelbaar gemaakt, en zoo verkreeg men de kanonieke traditie-verzamelingen. Zij vormden niet een zoo streng afgesloten geheel als de verzameling der woorden Gods in den Qoerân, zij lieten veel meer plaats voor aanvulling en verschillende uitlegging, maar eene verdere ontwikkeling der wetgeving, die naar ons spraakgebruik dien naam zou verdienen, maakten zij dan toch zoo goed als onmogelijk.
Goed- of kwaadschiks moest de Islâm in de eerste twee eeuwen van zijn bestaan de grootste plooibaarheid ontwikkelen, waartoe hij in staat was: langs verschillende wegen nam hij instellingen en denkbeelden in zich op, die ons op ondubbelzinnige wijze hunne herkomst uit Griekenland, Rome, Perzië en Hindostan openbaren, al hebben zij zich gehuld in het monotone, grauwe kleed van profetische traditie. Zonder deze veelsoortige toespijzen en sterke kruiden zou de digestie van de gulzig opgezwolgen landen en volken hem te machtig zijn geworden. Maar toen was dan ook de grens zijner spankracht bereikt; ongeveer duizend jaren geleden was dus de geschiktheid van den Islâm om zich aan te passen aan andere tijden dan de dusver doorleefde, aan andere plaatsen dan de dusver ingenomene zoo goed als geheel verbruikt.
De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente.
Het stelsel, zooals het toen reeds tot in kleine détails was uitgewerkt, werd afgesloten door de leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente als geheel, vertegenwoordigd door hare schriftgeleerden. Omtrent den Qoerân en zijne uitlegging, de kanonieke overleving en hare verklaring, de uit die bronnen af te leiden theologie en wet, was dus al hetgeen, waarover de schriftgeleerden tot eenstemmigheid waren geraakt, boven verdere discussie verheven. Stevig zaten die resultaten van drie eeuwen geestelijken arbeid vast in de vesting der onfeilbaarheid. Die vastheid van het systeem was echter tevens de oorzaak van zijn kwijning; hoe langer hoe meer verloor het den samenhang met het leven.
Dit bezwaar zou belangrijk verminderen, wanneer gezaghebbende schriftgeleerden die leer van den onfeilbaren consensus gebruikten als middel juist om door hen wenschelijk geachte hervormingen in te voeren. In de laatste jaren is dit, vooral in Egypte, en ook wel in Turkije, door kundige oelamâ beproefd. Zij gelden echter bij de groote meerderheid nog als gevaarlijke modernisten, en het is zeer de vraag, of het hun gelukken zal, op den duur een zoo grooten kring van moeqallids (erkenners van hun gezag) te vormen, dat hunne opinies voor de vaststelling van den consensus gaan medetellen.
Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah zeer moeielijk.
Immers hetgeen daar voor duizend jaren werd vastgelegd, dat was niet een geheel van beginselen, maar een stel van op goddelijk en profetisch gezag berustende voorschriften, die tot in het kleine en bijzondere het staatkundige, maatschappelijke en individueele leven der geloovigen bonden voor alle gevallen, waarop men bedacht was geweest. Nu hebben sinds dien tijd de verschillende Mohammedaansche landen in menig opzicht onafhankelijk van elkander ieder hun eigen leven geleid, daar de politieke, economische en andere toestanden vaak hemelsbreed verschilden; maar hetgeen hen onderling bleef verbinden, dat was juist, behalve eenige geloofsformules, de gemeenschappelijke erkenning van het goddelijk karakter dier wet, die in elk van hare deelen hare Arabische geboorte en hare opvoeding in het Westen van Azië gedurende de zevende, achtste en negende eeuw verried. Al mag men gedurende de tien eeuwen, die daarna volgden, kunnen wijzen op concessies der wet aan behoeften, die zich algemeen deden gelden, de moeite, die het kostte, ze erkend te krijgen, bewijst beter dan iets anders, hoe stroef het systeem van den Islâm geworden was.
Wie toch eene zekere mate van plooibaarheid aan dit stelsel wil toekennen, wijst terecht op het gewicht, dat vele schriftgeleerde autoriteiten toekennen aan het belang der geloovigen als motief voor wettelijke bepalingen, of aan den drang der omstandigheden, die volgens Moslimsche autoriteiten gedeelten der heilige wet buiten werking kan stellen, maar zulk beroep komt bij de meest gezaghebbende schriftgeleerden slechts voor om den loop van de ontwikkeling der wet in het verleden of ook uitzonderingen van tijdelijken aard te rechtvaardigen, daarentegen zelden om wegen te openen voor eene toekomstige ontwikkeling, die het vroeger met onfeilbaar gezag vastgestelde zou wijzigen. De door de schriftgeleerden der eerste eeuwen na eenige aarzeling aanvaarde, maar binnen enge perken gehouden redeneering bij analogie kan evenmin als hervormend beginsel werken: zij mag alleen dienen om uit de bestaande bepalingen voor dusver onbekende gevallen nieuwe deducties te maken.
Hoe men de zaak ook beschouwe, elke poging om de wet in het bijzondere te verbeteren bedreigt het heele, eeuwenoude gebouw met ineenstorting, en ieder streven naar fundamenteele herziening brengt hem, die ermee voor den dag komt, in verdenking van ongeloof. Tegen het een zoowel als tegen het ander kan men gewoonlijk rekenen op den fellen tegenstand van de meerderheid der schriftgeleerden, gesteund door de instinctief bij haar zich aansluitende massa des volks.
De stroefheid van den Islâm, die in zijne eerste periode eene wijle voor den onweerstaanbaren drang der omstandigheden week, werd dan van de derde eeuw der Hidjrah af een zijner sprekendste karaktertrekken. Een "positieve" openbaringsgodsdienst, die uit den Hemel voorschriften verlangt over alle détails van het leven, kan op den duur dit lot niet ontgaan.
Het stelsel splitst zich in geloofsleer en wet.
Ik sprak meermalen van het stelsel van den Islâm, en inderdaad was het in den beginne formeel één geheel, werden alle levensvragen door ééne en dezelfde klasse van deskundigen behandeld en opgelost. Weldra verdeelde zich de stof in twee hoofddeelen, de geloofsquaesties, de dogmatische vragen, die door theologen in den engeren zin, en de vragen betreffende de plichten, die door wetgeleerden behandeld werden. Beide vakken bleven met elkaar in innig verband, maar zij onderscheidden zich toch van elkaar in doel, in middelen, in methode.
Over de dogmatiek kunnen wij hier kort zijn. Eene geloofsleer wordt uit strijd over de ontwikkeling van het dogma geboren, en tracht in scherp belijnde formules de bovendrijvende stellingen voor altijd te bevestigen. Voor zoover men haar onfeilbaar of toch boven revisie verheven acht, komt zij in een volgend tijdperk der ontwikkeling van het menschelijke denken noodwendig in strijd met de begrippen van een deel dergenen, die zij onder hare vleugelen wil houden. Deze verwijdering kan echter zonder belangrijke practische gevolgen intreden, wanneer ten minste de geloofsleer zich binnen hare eigene grenzen houdt en niet te zeer ingrijpt in het gebied van het handelen. Zoo is het in den Islâm gegaan. Toen de hitte van den strijd der eerste drie eeuwen over geloofsformules afgekoeld en het resultaat in den vorm eener rechtzinnige dogmatiek bezonken was, nam de belangstelling voor deze dingen buiten de enge vakkringen af.
De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor de practijk.
De vragen, waarover men getwist en elkander verketterd had, vertoonden veel overeenkomst met die, welke in de Christelijke kerk de gemoederen hadden bewogen. De praedestinatie, tegenover de aanhangers der leer van den vrijen wil tot een hoofddogma verheven, werd in den Islâm niet fatalistischer opgevat dan elders. De streng gehandhaafde eenheid Gods werd met de veelheid Zijner in den Qoerân genoemde eigenschappen in een verband gebracht, dat het middelmatige verstand zoowel als het populaire openbaringsgeloof bevredigde. De leer van de eeuwigheid der hellestraf voor ongeloovigen in verband met die der eindelijke zaligheid aller geloovigen verscherpte in den geest der middeleeuwen de grenslijn tusschen Mohammedanen en niet-Mohammedanen. Het dogma der zaligmaking door het geloof alleen--geloof opgevat in den zin van eerbiedige erkenning der almacht van den door Mohammed gepredikten Allah, ongeveer zoo als een willig onderdaan zijnen vorst erkent, waarbij de werken dienen om dat geloof schooner en volkomener te maken en den geloovige meer aanspraak te geven op spoedige toelating in het Paradijs--, dit dogma was dienstig om de zwakken niet af te schrikken en de propaganda te bevorderen. Er zou veel meer te noemen zijn, maar voor de practijk van het leven, die ons hier bovenal belang inboezemt, is het eene van niet veel meer gewicht dan het andere.
Al was het stelsel óók ten aanzien van dit schema der geloofsleer in de laatste duizend jaren stroef en afkeerig van alle pogingen tot herziening, het denken der Islâmbelijders werd daardoor niet ernstig belemmerd. De in hooge sferen zich bewegende geesten gingen erboven uit of begaven zich op zijwegen; het vulgus bleef met allen eerbied voor de theologische leuzen aan zijn, slechts in vorm ietwat gewijzigde, oude bijgeloof hangen. Wie bij al die afwijkingen geene uitdagende houding aannam, had zelden veel te vreezen.
Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering.
Eén hoofdstuk der dogmatiek vraagt soms de aandacht ook van hen, die voor de bespiegeling over leerstukken zonder direct practisch gevolg weinig belangstelling hebben: het is de eschatologie. De messiaansche verwachtingen, die in de Moslimsche leer ingang gevonden hebben, met name de verwachting, tegen het einde der dagen, van eenen mahdî (eenen met Allahs bijzondere leiding begunstigden opperbestuurder), die het stelsel van den Islâm opnieuw tot eere brengen en de ongeloovigen verdelgen zal, verontrusten de gemoederen der minst ontwikkelde Mohammedanen, zoo dikwijls als het aan opruiers gelukt, eene bevolking te doen gelooven, dat de opstanding nabij is, of haar in een bepaald persoon den mahdî of een van diens wegbereiders te doen zien. De stemming jegens andersdenkenden wordt in zulke gevallen hatelijk, en soms komt het tot fanatieke daden. Maar hiermede is dan ook alles gezegd.
Al wordt dus de rechtzinnige geloofsleer op de pesantrèns van Java en op dergelijke scholen (de soerau's van Soematra enz.) in de buitenbezittingen veel, soms zelfs met overdreven voorliefde beoefend, toch mogen wij bij de beschouwing van het stelsel in zijne werking in het algemeen zoowel als op de Indonesiërs in het bijzonder, dit gedeelte verder ter zijde laten. De wet verlangt in veel hooger mate onze aandacht.
Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand.