Nederland en de Islâm

Part 3

Chapter 33,599 wordsPublic domain

Meer waarde zou men geneigd kunnen zijn toe te kennen aan het argument, dat, zoo ergens, dan zeker in den Islâm, theorie en practijk, stelsel en leven vaak wijd uiteenloopen. Inderdaad hebben menigmaal Moslimsche bestuurders tegenover niet-Mohammedanen in en buiten hun gebied eene veel transigentere houding aangenomen dan die het systeem hun voorschreef. Aan den anderen kant ging het mindere volk zich jegens de getolereerden vaak te buiten op eene wijze, die de Mohammedaansche wet streng afkeurt. Maar van veel meer beteekenis dan zulke afwijkingen ter rechter of ter linker zijde is het onbetwistbare feit, dat de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarbij behoort zich volkomen logisch ontwikkeld heeft uit beginselen, die wij van de verovering van Mekka door Mohammed af tot in de derde eeuw der Hidjrah toe zien voortwerken. Zonder sprongen of tegenstellingen, zonder sporen van principieele ontleening van buiten sluit zich hier het volgende steeds bij het voorgaande aan.

Mohammed is in de laatste jaren van zijn leven op niets meer bedacht dan op middelen om het aantal der geloovigen uit te breiden, waarbij natuurlijk steeds minder op bewijzen van innigheid des geloofs kan worden gelet. De door hem onderworpen Arabieren vallen dan ook na zijnen dood voor een groot deel weder af, maar Aboe Bakr, die hem als hoofd der gemeente opvolgt, beschouwt, geheel in Mohammeds geest, de wederonderwerping dier ontrouwen als eerste en voornaamste taak der geloovigen, en onder zijne leiding wordt die taak op schitterende wijze volbracht. En daarop volgt onmiddellijk de verovering van een belangrijk deel der wereld door de nu definitief geïslamiseerde Arabieren. Geheel evenwijdig met dezen loop der zaken beweegt zich de theorie der wetgeleerden, die vooral in de eerste eeuw van den Islâm het deelnemen aan den heiligen oorlog bijna tot een hoofdplicht voor alle geloovigen willen maken en geen heerlijker einde van een vroom leven kennen dan den dood op het slagveld als getuige des geloofs, als martelaar (sjahîd). Drongen in de eerste eeuwen onzer jaartelling vele Christenen naar eene gelegenheid om zich de kroon van het passieve martelaarschap te verwerven, vele malen grooter was het aantal der oudste Islâmbelijders, die als actieve geloofsgetuigen met ijver den dood op het slagveld zochten in den strijd met hen, die het gezag van Allah en Zijnen Gezant weerstonden.

Deze overdrijving der waarde van het oorlogsbedrijf kon evenmin duurzaam zijn als de zegevierende tochten van den Islâm door de wereld; toen die veroveringen hare voorloopige grenzen bereikt hadden, kwam weldra in de school de kalmere beschouwing tot heerschappij, volgens welke de vrome ook door levenslange uitoefening van een vreedzaam bedrijf aanspraak op den eerenaam van geloofsgetuige kan verwerven. De heilige oorlog bezonk in het stelsel als eene solidaire verplichting der gemeente in haar geheel, waaraan slechts zoovele geloovigen behoefden deel te nemen als de omstandigheden volgens het oordeel van het staatsbestuur telkens vereischten. Maar de oorlogstoestand mocht dan toch niet als geëindigd worden beschouwd voordat het door Allah gewezen doel: onderwerping der gansche wereld aan den Islâm, bereikt zou zijn.

De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens.

Over de hoofdzaken van deze leer bestaat tusschen de wetgeleerden der verschillende scholen en perioden geen verschil van meening, en zij is meer wellicht dan eenig ander deel der wet populair geworden ook bij de leeken, bij de groote onwetende schare zelfs. Zij is het kort begrip van de actie van den Islâm naar buiten in het glansrijkste tijdperk, dat hij beleefd heeft, omgezet in een voor alle tijden geldend voorschrift. Zij vleit in hooge mate de ijdelheid der menigte: men behoeft slechts de dubbele geloofsbelijdenis te hebben uitgesproken om zeker te zijn, dat men behoort tot de gemeenschap, aan welke Allah de heerschappij over de wereld heeft beloofd. Zij werkt na, ook sedert de wereldgeschiedenis den spot is gaan drijven met hare hoovaardige pretentie: in de scholen der wetgeleerdheid blijft men haar voordragen omdat zij, gelijk de geheele wet, als van onfeilbaar gezag geldt voor alle tijden, en het gemeene volk blijft daaraan kracht ontleenen voor zijne ijdele verwachtingen, gepaard met haat jegens "ongeloovigen".

De andere opvatting is ver in de minderheid.

De Jong-Turken en andere modern gevormde Mohammedanen hebben wel eens gewenscht, dat zij die geheele leer van den djihâd konden opbergen in het museum hunner staatkundige antiquiteiten, en vele niet modern ontwikkelde wereldwijzen deelen om zuiver practische redenen dien wensch. Toch kan niemand hunner de verhouding van den Islâm tot andere godsdiensten principieel op nieuwe grondslagen trachten te vestigen zonder het vertrouwen van de meerderheid te verbeuren en met veler instemming beschuldigd te worden van ongeloof.

Toen in 1908 de aanvoerders der Jong-Turksche revolutie in hun eerste élan de woorden: "vrijheid, gelijkheid en broederschap" in hunne vanen schreven, werd hun weldra met instemming van de massa der bevolking door de schriftgeleerden beduid, dat die gelijkheid alleen mocht bestaan in gelijke aanspraken op bescherming van rechten, welke rechten zelve echter voor de belijders der verschillende godsdiensten niet gelijk waren; en de broederschap, die heeft men later, als al te aanstootelijk, maar geschrapt.

Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm.

De billijkheid gebiedt, dat wij ons hierbij herinneren, hoe ook in de Christenwereld, met name in de middeleeuwen, staatsmacht en godsdienst bedenkelijke bondgenootschappen gesloten hebben. Christenvorsten en -volken hebben met geweld heidenen bekeerd, ongeloovigen en ketters ter eere Gods gefolterd en gedood, Joden op onmenschelijke wijze behandeld. Maar nooit heeft men uit de Christelijke heilige schriften voor alle tijden geldende voorschriften afgeleid, die zulke practijken sanctioneerden. Het is het ongeluk van den Islâm geweest, dat hij gemeend heeft eens voor altijd met onfeilbaar gezag regelen te moeten geven, die alle handelingen der geloovigen tot in de geringste bijzonderheden bepaalden, en dat hij deze onmogelijke taak kwam te vervullen juist in een tijdperk, waarin onverdraagzaamheid zoowel in het Westen als in het Oosten heerschappij voerde. De leer, dat men voor hetgeen men als de waarheid beschouwt met geweld aanhangers moet winnen, bleef dus als eene erfelijke ziekte aan het eene geslacht na het andere der belijders van den Islâm eigen.

Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast.

De geheele opvatting van godsdienstige zending wordt in den Islâm door deze leer beheerscht. Zeker, men vindt onder Mohammedanen zeer uiteenloopende geestelijke typen, en daaronder ook zulke, die zich uit deernis met de toekomstige eeuwige ellende der heidenen geroepen voelen, hun de waarheid te prediken; maar het type van den Moslimschen propagandist vertoonen dezulken niet. De echte ijveraar voor de uitbreiding van het Mohammedaansche geloof beschouwt het veeleer als zijne taak, als een trouw soldaat van zijnen God, diens rijk op aarde te helpen vergrooten door verdelging van Zijne vijanden en vermeerdering van het aantal Zijner trouwe onderdanen. Dit laatste kan, behalve door geweld, ook door overreding gebeuren. De wet wijst ook daarin den weg. Zij wil in aansluiting weder aan hetgeen Mohammed deed in zijne laatste levensjaren, dat men ongeloovigen door wereldsch voordeel verlokke tot Islâm, tot onderwerping aan Allah en Zijnen Gezant; zelfs is een deel van zekere staatsinkomsten (van de zakât genoemde godsdienstige belasting) uitdrukkelijk voor dit doel aangewezen. Met een niet ongerechtvaardigd beroep op Mohammeds handelwijze ten aanzien van de voorname Qoeraisjieten na hunne gedwongen bekeering tengevolge der verovering van Mekka, leert de wet, dat men vooral bekeerlingen van hoogen rang en stand door wereldsch voordeel blijvend aan den Islâm moet trachten te binden, ook om door dit voorbeeld aantrekkend te werken op hunsgelijken en op degenen, over wie zij gezag hadden. De geloovige, die door persoonlijke bemoeienis menschen voor den Islâm weet te winnen met behulp van prikkeling en bevrediging hunner begeerlijkheid naar rijkdom of eer, maakt zich daardoor uitermate verdienstelijk, en niemand denkt eraan, hem vermenging van materieele en geestelijke dingen te verwijten.

Soortgelijke middelen van propaganda zijn in vroeger en later tijd in de Christelijke wereld niet zelden aangewend. Het verschil is echter weer, dat die methode in den Islâm in de periode van haren bloei met onfeilbaar geacht gezag voor altijd tot wet is verheven.

De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt.

Het spreekt wel van zelf, dat in den gedachtengang, die deze wijze van uitbreiding van den Islâm beheerscht, het stellen van belangrijke eischen van voorbereiding aan degenen, die tot de gemeente willen toetreden, uitgesloten is. Men zou daardoor de bovenal gewenschte vermeerdering van het aantal der Moslims in gevaar brengen.

In de eerste tijden is er wel eenige aarzeling geweest in de beantwoording der vraag, met welk minimum van naleving der wet men nog als Mohammedaan kon gelden. De wet stelt in hare positieve en negatieve geboden lang niet lichte eischen aan het individu, maar men was het er al vroeg over eens, dat de geloovige trots vele zonden van nalatigheid en overtreding mocht hopen op Allahs genade, en dat in ieder geval de straf, die hij in de hel zou hebben te boeten, eens een einde zou nemen, waarna hij het paradijs zou beërven. Het kwam er dus maar op aan, te weten, door welke daden men afvallig werd. Ten slotte heeft deze opvatting gezegevierd, dat alwie de belijdenis, dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Allahs gezant is, heeft uitgesproken met volle bewustheid van hetgeen hij deed, als Moslim beschouwd moet worden, en dat hij dit blijft, zoolang hij die belijdenis niet heeft herroepen noch een van de geboden van Allahs wet voor ongeldig heeft verklaard, ook al volbrengt hij geen van alle. De bedenking, dat men aldus gevaar loopt, schijngeloovigen te kweeken, wordt weerlegd met de herinnering, dat alleen aan Allah het oordeel toekomt over de echtheid van iemands geloof, terwijl de menschen elkander slechts naar uiterlijke kenmerken kunnen beoordeelen. Het uiterlijke kenmerk nu van hen, die tot de gemeente van Mohammed behooren, is het uitspreken der geloofsbelijdenis, niet gevolgd door woorden of daden, die deze uitspraak van kracht berooven.

Heeft men dit geheele stelsel der Moslimsche propaganda wel begrepen, dan heeft men tevens den sleutel tot het geheim der vaak bewonderde missionaire kracht, die in den Islâm woont, en die hem tot een zoo gevreesd mededinger maakt voor de Christelijke zending, vooral waar beiden onder volken van lage beschaving werken. Den menschelijksten aller openbaringsgodsdiensten heeft een Duitsch oriëntalist den Islâm genoemd. Inderdaad tracht hij als zendingsgodsdienst een menschelijk doel met geheel menschelijke middelen te bereiken.

Geen priesterschap noch geordende heidenmissie.

Ieder Moslim, hoe onwetend hij overigens zij, kan te allen tijde iederen ongeloovige, die Mohammedaan wil worden, den weg wijzen om onverwijld en zonder ceremoniën in den Islâm te worden opgenomen. Sacramenten kent de Islâm niet, derhalve evenmin priesters of andere gewijde of geordende personen, die deze hebben uit te deelen. Zendelingen van beroep zijn er ook niet. De uitspraak, dat ieder Mohammedaan op zijnen tijd een zendeling is, moge overdreven zijn, als men daaronder wil verstaan, dat allen vervuld zijn van fanatieken ijver tot verbreiding van hun geloof, zij is waar in dezen zin, dat niemand door de gemeente of eenig ander lichaam voor de missie wordt afgevaardigd, maar dat de meesten als de gelegenheid zich biedt, gaarne medewerken om leden te winnen voor de gemeenschap, waartoe zij behooren.

Leekenpropaganda.

Voor kolonisten of kooplieden, die zich duurzaam of tijdelijk vestigen in een land met heidensche bevolking, is dit zelfs geboden door eigenbelang. Zij willen daar een eigen milieu hebben, in de eerste plaats een eigen gezin, maar dan verder een eigen wijderen kring, hoe wijder hoe liever. Dit alles gaat niet zonder het maken van bekeerlingen. Met eene heidensche vrouw mag de Mohammedaan niet trouwen, in een anderen godsdienst dan de Islâm zijne kinderen niet laten opvoeden. De vreemdeling maakt dus der vrouw zijner keuze den overgang tot zijne gemeenschap zoo gemakkelijk mogelijk en tracht ook de hem verzwagerden te winnen. Zoo gaat het verder, en er ontstaat weldra een groep van geloovigen van eenigszins gemengd bloed, die zich door wereldkennis, ontwikkeling van den geest en onderling verband voordeelig onderscheidt van de overige bevolking. De niet bekeerde bevolking ziet tegen de bekeerden op; door den Islâm aan te nemen voelen die heidenen zich, ook maatschappelijk, omhoog gaan.

Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke.

Hier hebben wij weder eene omstandigheid, die gedeeltelijk verklaart, waarom de Mohammedaansche propaganda sneller pleegt te slagen dan de Christelijke. In den Islâm volgt de grootst mogelijke assimilatie onmiddellijk op de bekeering; de Christelijke zendeling, hoe vol toewijding ook, blijft met zijne rasgenooten voor de primitieve bevolking, waaronder hij werkt, vreemdeling. Met recht vestigt professor Arnold hierop bijzonder de aandacht, en dit doen de meesten, die den voortgang van den Islâm bijv. in Midden-Afrika waargenomen hebben. Een Engelsch zendeling aldaar, die dezen ban wilde breken en met eene negerin trouwde, verwekte zulk eene ergernis met deze toepassing der eenheid in het geloof, dat hij zich genoodzaakt zag, de kolonie te verlaten.

Maar, wij zagen het al, er komt nog zooveel verlokkelijks bij. De nieuwbekeerde, wiens overgang hem geen moeite kost, heeft aanspraak op de gunsten zijner nieuwe broeders, en deze aanspraken worden in de practijk gaarne erkend. Hoe weinig hij ook aanvankelijk van den inhoud van het door hem aangenomen geloof moge leeren, hoe weinig van de voorschriften der wet hij moge naleven, hij mag zich dadelijk koesteren in het bewustzijn, te behooren tot degenen, die bestemd zijn om over alle anderen te heerschen en die het recht hebben ten nadeele van niet-Mohammedanen die heerschappij te helpen bespoedigen. Bij zulk een sprong naar boven geldt het slechts als een gering bezwaar, dat de gewoonte--niet de wet--in de meeste gevallen verlangt, dat de bekeerling zich spoedig onderwerpe aan de besnijdenis.

De populariteit van de leer van den heiligen oorlog doet zich nu bij zulke primitieve volken, wanneer zij gedeeltelijk door vreemde kolonisten of kooplui geïslamiseerd zijn, vaak in dien zin gelden, dat zij hunne nog niet bekeerde rasgenooten om hun ongeloof gaan bestrijden. De neigingen van min beschaafde menschen worden daarbij op voor hen aangename wijze geprikkeld en vinden eene welkome speelruimte. Met anderen geweld aan te doen, te plunderen of tot slaven te maken weten zij nu een Gode welgevallig werk te verrichten, mits die anderen heidenen zijn. De menschelijke ijdelheid en hebzucht worden gestreeld en gesteld in dienst van de propaganda. Het bezwaar, dat men op die manier heiligen oorlog van offensieven aard voert zonder de machtiging van den chalief, die hiervoor in den regel vereischt is, wordt ondervangen door de leer, dat in streken, die wegens verren afstand of om andere redenen buiten het bereik van het centrale gezag liggen, invloedrijke hoofden mogen doen hetgeen des chaliefs is.

Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan.

Al heeft dus de Islâm, in de plaats van het evangelische "onderwijst al de volken", het bevel "onderwerpt al de volken" als een hoofdgebod voorop gesteld, hij is daarmee geenszins tevreden, maar wil, dat op de onderwerping onderwijzing volge. Het bovenal streven naar uitbreiding van gebied en vermeerdering van het aantal dergenen, die de geloofsbelijdenis hebben uitgesproken, heeft echter vanzelf tot eene minder krachtige werking in de diepte geleid. Nog tal van andere omstandigheden komen daarbij, die maken dat de geestelijke opvoeding der voor den Islâm gewonnenen in den regel veel te wenschen overlaat.

Reeds vroeg zijn de schriftgeleerden zich gaan verdiepen in dogmatische en juridische spitsvondigheden, en in de drukte van hun onderlingen strijd vonden zij niet veel tijd om zich met de geestelijke belangen der ongeletterden bezig te houden. Voor hen scheen het nu eenmaal in de natuur der dingen te liggen, dat eene kleine uitgelezen schare van kenners der wet met zelfgenoegzame minachting neerzag op de menigte der onwetenden. Van eenig gevoel van medeverantwoordelijkheid voor dien toestand vindt men bij hen zelden eenig spoor.

De minderheid der bevolking, die eenig onderwijs genoot, ontving dit in den meest onpractischen vorm. In de eerste eeuwen van den Islâm kon men nog de illusie koesteren, dat in alle Mohammedaansche landen de oude landtalen het veld zouden ruimen voor het Arabisch. Op deze later onhoudbaar gebleken onderstelling is bijna geheel het elementaire godsdienstonderwijs gebaseerd. Wie iets leeren wil, wordt ondersteld, Arabisch, en wel liefst klassiek Arabisch te verstaan. Eerst later werden schoorvoetend kleine concessies aan de moedertalen der geloovigen gedaan. Toch bleef eene kennis der wet, die iets beduidde, zonder bedrevenheid in het Arabisch zoo goed als onmogelijk. De leeken moesten het doen met een werktuigelijk leeren opdreunen van den Qoerân in het oorspronkelijk en met eenige even werktuigelijke oefening in het ritueel. Het plebs bleef meerendeels zelfs hiervan verstoken.

Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur beheerschen.

Geen wonder dus, dat in nagenoeg alle Mohammedaansche landen de geestelijke gedachtensfeer, waarin de eigenlijke bevolking leeft, meer oorspronkelijk heidensche dan Mohammedaansche elementen in zich bevat. Men neme kennis van de beschrijvingen van de populaire zeden en gebruiken en van het volksbijgeloof, dat in het leven de hoofdrol speelt, in Noordwest-Afrika, in Egypte, in Syrië, ja in het stamland van den Islâm, in Arabië zelf, overal ziet men de eenheid van Allah verscholen achter een onnoemelijk aantal levende en doode heilige personen en voorwerpen, die de hoogste vereering genieten, overal de middelen, die de wet aangeeft om Allahs gunst te verwerven, verdrongen door magische practijken, die van vóór den Islâm dateeren. Het Moslimsche bepaalt zich bij de menigte voor de vromeren tot eenige ritueele uiterlijkheden, voor de meerderheid tot eenige leuzen en phrasen, soms bovendien het daarstraks door mij beschreven gevoel van deel uit te maken van de tot heerschappij geroepen gemeenschap.

Is dit alles zoo in het stamland van den Islâm en in de landen, die hij het eerst aan zich onderwierp, het spreekt van zelf, dat de officieele leer en het volksleven nog veel verder van elkander verwijderd moeten zijn daar, waar de Islâm eerst later binnendrong, en zeer geleidelijk veld won door de assimileerende kracht van vreemdelingen, die om zich heen propaganda maakten, ten slotte gevolgd door vreedzame of gewelddadige uitbreiding van het geloof door het bekeerde deel der inheemsche bevolking zelve.

In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen.

Het was op de laatst bedoelde wijze, dat het Mohammedanisme zijne belijders in den Indischen Archipel verkreeg. Mohammedaansche kooplieden uit Voor-Indië, het eeuwenoude spoor hunner Hindoesche landgenooten volgend, vestigden zich tijdelijk of voor goed in eenige kustplaatsen dezer eilanden. Deze kleine koloniën oefenden de gewone aantrekkingskracht, zelfs op Java, ofschoon hier het Hindoeisme al eeuwen lang de cultuur beheerschte. Men vergete hierbij niet, dat het Hindoeisme hier niet zoo diepe wortels kon schieten als in zijn vaderland, waarbuiten het zich in den regel niet verbreidt, en dat de Hindoecultuur hare geestelijke verfijning niet mededeelt aan de tot lagere kasten gerekende massa, zoodat voor eene groote meerderheid juist onder het Hindoeistisch régime veel aanleiding kan bestaan om in den Islâm verlossing te zoeken uit zijn staat van vernedering.

De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken.

De propaganda was voor die vreemdelingen stellig vaker middel dan doel. Men kan er zeker van zijn, dat de meesten hunner meer van avonturiers dan van missionarissen weg hadden, al heeft de volkslegende hunne nagedachtenis met stralenkransen van heiligheid omgeven. Ook in Mohammedaansche landen waren het destijds niet in de eerste plaats de deugdzamen, die in het Verre Oosten hunne fortuin gingen zoeken. Nog in onze dagen gaat de Moslimsche propaganda onder de heidenen van Oost-Indië steeds in de eerste plaats van zulke gelukzoekers uit. Daarom is het zoo dwaas, wanneer onhandige zendingsvrienden deze soort van missie gaan vergelijken met die van geordende zendelingen des Christendoms, en dan der Regeering verwijten, dat Zij Mohammedaansche zendelingen niet aan een soortgelijk toezicht onderwerpt als Christelijke. Ik laat de vraag geheel ter zijde, of het noodig is, de werkzaamheid der Christelijke zendelingen te binden aan de voorwaarde eener bijzondere toelating zooals het vigeerende Regeeringsreglement die voorschrijft. Maar ten opzichte van Mohammedanen zou iets dergelijks volstrekt onmogelijk zijn, daar ieder Mohammedaansch handelaar, die met heidenen zaken doet, indien hem zulks gelegen komt, aanhangers voor zijnen godsdienst wint. De Europeesche koopman, gesteld dat hij er neiging toe had, zou dit niet kunnen doen, daar hem èn de bekwaamheid tot het geven van het voorbereidend onderricht, èn, wat meer is, de bevoegdheid tot het toedienen van het onmisbare sacrament van den doop ontbreekt. Het eene zoowel als het andere is voor eene bekeering tot den Islâm overbodig: tot dezen godsdienst bekeert de heiden na bekomen inlichting zonder iemands bijstand zichzelf. Aan Mohammedaansche kooplieden, die heidensche streken bezoeken, te verbieden, die inlichting te verstrekken, dat zou strijden met elk beginsel van godsdienstvrijheid en het verbod zou bovendien practisch niet te handhaven zijn.

De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren in heidensche streken invoert.

Wel verdient het voor de Regeering aanbeveling, bij het onder geregeld bestuur brengen van heidensch gebied zooveel doenlijk te waken tegen onwillekeurige bevordering der uitbreiding van den Islâm, die licht het gevolg is van den invoer van Inlandsch-Mohammedaansche staatsdienaren. Ook het Duitsche koloniale bestuur in Oost-Afrika heeft met deze moeielijkheid te kampen, en bij ons is de verleiding bijzonder groot, daar de Inlandsche ambtenaren van Java in den regel de best ontwikkelde, met onze bestuursbeginselen meest vertrouwde zijn, terwijl overdreven godsdienstijver onder hen zelden voorkomt. Toch strekt hunne plaatsing in heidensche landen op den duur, evenzeer als de immigratie van Mohammedaansche avonturiers, tot verbreiding van den door hen beleden godsdienst, en kan zij aldus ten gevolge hebben, dat de bevolking, onder welke zij werken, gewonnen wordt voor een stelsel, waaraan de Javanen zelve bezig zijn te ontgroeien. Moslimsche kooplieden uit eenig deel van den Archipel te weren, omdat zij de propaganda in de hand werken, dat zou zonder onverdedigbare willekeur niet gaan; daarentegen is het met eenig beleid wel te voorkomen, dat men zelfs indirect de islamiseering van niet-Mohammedanen zou gaan bevorderen.

Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig uit.