Nederland en de Islâm

Part 2

Chapter 23,294 wordsPublic domain

De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten 78 Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel te emancipeeren 79 Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië, vooral op Java 80 Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom 80 Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid 81 In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der Islâmquastie 83 De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig te spreken 83 De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden 84 De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen religieuze associatie 85 Hoe ver kan de associatie gaan? 85 Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen deelneming aan het godsdienstonderwijs 87 Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten 89 De onlangs opgerichte desascholen 90 Studie van begaafde Inlanders in Nederland 91 Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven 91 Opvoeding buiten de school 92 De zending zou hiertoe kunnen medewerken 92 De Inlandsche vrouw en hare opvoeding 93 Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den staatsdienst verzekerd worden 94 Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie 95 Stuiting der beweging niet mogelijk 96 Samenvatting onzer beschouwingen 96 De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt aan het panislamisme alle kracht 99 Andere heilzame gevolgen der associatie 100 Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie 100

HOOFDSTUK V.

Duitschland en de heilige oorlog.

De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen 102 Contrast dier meening met de wet van den Islâm 103 De grondslagen van het program van den heiligen oorlog 104 Middeleeuwsch karakter van dat program 105 Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed 106 Chalifaat en Djihâd 108 Het chalifaat der Turksche soeltans 109 Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen 110 Panislamitisch streven van Abdoelhamied 111 Geene organisatie van het panislamisme 112 De chalief geen kerkvorst 113 De Turksche omwenteling en het panislamisme 113 Djihâd en heilige oorlog 115 Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe 116 Misverstand bij Grothe 116 Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije 117 Duitschland de redder van Turkije 118 De door Grothe gewenschte Djihâd 119 De fetwa over den heiligen oorlog 120 Het manifest van den Soeltan 122 De groote demonstratie 122 Becker's voorstelling der zaak 123 De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije 125 Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika. 126 De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het protectoraat over Turkije 127 Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans: Marquart, Hartman, Becker 128 Becker's recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm aan Turkije 131 De rede op het graf van Saladijn 132 Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch fanatisme 134 Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog 136

I.

DE VERBREIDING VAN DEN ISLÂM.

INZONDERHEID IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.

De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in de Archipel.

Omstreeks 1200 na Christus begon het Mohammedanisme in eenigszins belangrijke mate zielen te winnen op Soematra, op Java en vervolgens op de meer Oostelijk gelegen eilanden. De val van Madjapait in de eerste helft 16de eeuw bezegelde de islamiseering van heel Java, en het was eveneens in den loop der zestiende eeuw, dat voor de voornaamste andere eilanden, waarin de Islâm doordrong, het pleit beslist werd.

Hieruit volgt, dat de Islâm zijn vollen wasdom reeds ver te boven was, toen hij zich voor het eerst in dit Verre Oosten vertoonde. Om het Mohammedanisme der Indonesiërs in zijne eigenaardigheden te verstaan, hebben wij ons dus slechts weinig te verdiepen in de wordingsgeschiedenis van den Islâm als godsdienst en als beschavingsvorm, maar mogen wij ons voornamelijk bepalen tot de beschouwing van het stelsel zooals dat ongeveer drie eeuwen na de Hidjrah zijnen in de hoofdzaken definitieven vorm had verkregen, en van het leven der Mohammedaansche volken zooals dat zich, mede maar niet alleen onder den invloed van het stelsel, na dien tijd vertoonde.

Klaar dient ons daarbij voor oogen te staan, dat die Islâm tot den godsdienst van Mohammed stond als de door een leven van druk verkeer onder allerlei volken gerijpte wereldburger tot het stijve boerenjongentje, dat hij was in zijne jeugd.

Karakter van Mohammeds godsdienst.

Mohammed heeft voor zijne prediking nooit aanspraak gemaakt op oorspronkelijkheid. Integendeel: hij beroemde zich erop, dat hetgeen hem, den ongeletterden profeet, door Allah geopenbaard werd, volkomen overeenstemde met den inhoud der oudere openbaringen. Hij dacht zich de menschenwereld verdeeld in groepen, die hij, zonder klare voorstelling van den grondslag der verdeeling, oemmah's noemde, volken of gemeenten zouden wij zeggen, die door woonplaats, taal en uiterlijke kenmerken van elkaar verschilden. Aan sommige van die oemmah's, zooals bijv. die der Joden en die der Christenen, had Allah uit hun eigen midden profeten gezonden om hun Zijne leer en wet te openbaren. Andere, zooals die der Arabieren, waartoe Mohammed zelf behoorde, wandelden nog in de duisternis, zonder zich zelf daarvan bewust te zijn, daar zij het licht niet kenden. Mohammed heeft zich ten slotte door Allah geroepen gevoeld, dat licht in Arabië te doen schijnen.

Historisch beschouwd, doet zijne openbaring zich aan ons voor als samengesteld uit de gegevens, die hij gaandeweg, toen hij eenmaal over de waarde van het leven was gaan nadenken, uit vrij troebele, Joodsche en Christelijke bronnen had bijeengegaard. Hij verwerkte die op zijne wijze, zoodat zij pasten in het simpele geheel zijner voorstellingen, en eindelijk projecteerde hij het resultaat van dat proces uit zijn binnenste naar boven, zoodat het zich aan zijn zesde, profetische zintuig vertoonde als iets objectiefs, als iets, dat uit den hemel tot hem kwam, woorden Gods, die in gerijmd proza, in verhevener stijl dan die van het dagelijksch gesprek, hem de hoogste waarheid openbaarden.

De leer der opstanding uit de dooden en het daarop volgende gericht, dat Allah zou houden over heel de menschheid, met paradijs en hel op den achtergrond, die leer vormde het middelpunt van zijn geloof. Tevens lag daarin de scherpste tegenstelling met de wereldbeschouwing der Arabieren, tot wie hij de boodschap van Allah moest brengen, want deze hield zich alleen met het aardsche leven bezig, kende geen eeuwig geluk noch eeuwige verdoemenis aan gene zijde van het graf.

Een groot aardsch potentaat duldt niet, dat een deel zijner onderdanen zich als van hem onafhankelijk gedragen of andere heeren naast hem erkennen; nog veel minder gedoogt Allah, de schepper, wetgever en rechter der geheele menschheid, dat menschen leven zonder islâm, d. i. onderwerping, aan Hem en Hem alléén uit te spreken en in daden te betoonen.

Hij verlangt van hen eerbiedige huldiging in vastgestelde vormen van eeredienst, de çalât, in naam en vorm gebootst naar het model, dat Mohammed van Joden en Oostersche Christenen had waargenomen. Voorts wil Hij, dat Zijne schepselen op bepaalde tijden zullen vasten, en dat zij milddadigheid zullen beoefenen als eene hoofddeugd, zoowel om den nood van anderen te lenigen als om hunne eigene losheid van het aardsche te toonen. En in hunne verhoudingen tot elkander behooren zij wetten en regelen te volgen, die Allah hun geeft en die met menig geliefkoosd gebruik van Mohammeds rasgenooten in onverzoenlijken strijd waren.

Beteekenis der Hidjrah.

De twaalf jaren lang onverdroten voortgezette prediking van openbaringen in dezen zin stuitte bij Mohammeds stamgenooten af op hun even onverzettelijken, sceptischen spot; een paar familieleden, eenige misdeelden, enkele voor hoogere indrukken vatbare mannen van beteekenis vormden de geheele gemeente der geloovigen. Toen keerde hij met zijne getrouwen toornig zijner vaderstad den rug toe, haar overlatend aan Gods wrekende gerechtigheid. Hij deed hidjrah, d. i.--niet vlucht, zooals vele Europeesche schrijvers het weergeven, maar--afsnijding van alle banden, die hem met de ongeloovigen onder zijne stamgenooten verbonden, en hij vestigde te Medina eene nieuwe gemeenschap, die niet aan eenheid van bloed, maar aan eenheid des geloofs hare kracht ontleende.

Die afsnijding was naar Arabische begrippen op zichzelve reeds eene daad van vijandschap tegen Mohammeds stamgenooten. Toen nu zijn arbeid te Medina in korten tijd geleid had tot de vorming van eene talrijke gemeente, en deze door nieuwe, wetgevende openbaringen zoowel als door Mohammeds persoonlijke leiding voorloopig voldoende vastheid van organisatie had verkregen, ontwikkelde zich uit die vijandschap een oorlogstoestand, waarin welhaast heel Arabië werd meegesleept. Op den duur bleef het succes aan de zijde van Allahs Gezant; acht jaren na de Hidjrah werd Mekka door hem veroverd, en in de twee levensjaren, die Mohammed daarna nog restten, wist hij de onderwerping van het Arabische schiereiland aan zijn gezag bijna te voltooien.

Gewelddadige islamiseering van Arabië.

Gedurende die jaren van strijd breidde zich met Mohammeds macht tevens het programma uit van hetgeen hij door middel van geweld trachtte te bereiken. Eerst was het louter de verdediging van de belangen der gemeente, die weldra ook met offensief optreden gepaard mocht gaan; ten slotte een aanvallende krijg tegen allen, die met meer of minder recht tot de vijanden der gemeente, dus van het rijk Gods, werden gerekend. Na 630, het jaar der verovering van Mekka, verschilde het feitelijk niet meer van eenen strijd tot onderwerping van geheel Arabië aan de tucht van Allah en Zijnen Gezant. Voor de heidensche Arabieren kon die onderwerping alleen door volledigen islâm, erkenning van Mohammed als bode Gods, plaats hebben. Voor de Joden en de Christenen, op wier getuigenis van de waarheid Mohammed zich in den aanvang van zijn optreden beroepen had, kon zulk een eisch niet gelden. Daar zij Mohammed teleurgesteld hadden door tegen in plaats van vóór zijne goddelijke zending te getuigen, maakte hij zich van hen onafhankelijk door hun vervalsching van hunne eigene leer en schrift te verwijten en eindigde met van hen te verlangen, dat zij zich aan zijn gezag zouden onderwerpen, al wilden zij zijne openbaringen niet aanvaarden.

De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen.

Of nu Mohammed tegen zijn levenseinde zoover gegaan is, om de hem opgedragen missie te beschouwen als gericht ook tot de niet-Arabische wereld, of zelfs tot de menschheid in haar geheel, is moeielijk met zekerheid uit te maken. Voor ons doel is dit betrekkelijk onverschillig, daar het vaststaat, dat zijne gemeente na zijnen dood spoedig en zonder veel aarzelen dien weg opgegaan is, en in latere jaren geen geloovige eraan getwijfeld heeft, dat de wonderbaarlijke verovering in ééne eeuw van de landen tusschen Gibraltar en de grenzen van het Chineesche rijk geschied was op bevel van Allahs Gezant.

Lang heeft men zich in Europa van dien zegetocht van den Islâm door een groot deel der wereld voorgesteld, dat hij was uitgevoerd door benden van woedende fanatieken, die met den Qoerân in de eene, het zwaard in de andere hand, slechts de keus lieten tusschen den dood en de aanneming van het Mohammedaansche geloof. Van verschillende zijden is die voorstelling van den gang der zaak bestreden; het krachtigst en met bijzonder veel talent door T. W. Arnold, hoogleeraar eerst te Aligarh in Britsch-Indië, thans te Londen, in zijn werk "The Preaching of Islam, a history of the propagation of the Muslim faith".

Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht van den Islâm.

Met eene bij Engelsche geleerden niet alledaagsche belezenheid in Oostersche zoowel als Westersche bronnen betoogt die geleerde, dat de Islâm zijne belangrijkste triomfen als godsdienst te danken heeft, niet aan de zegepraal zijner wapenen, maar aan de groote missionaire kracht, die hem eigen is en die hem in staat stelt, in hoogere mate dan andere wereldgodsdiensten, zonder eenig geweld in korten tijd vele adepten te winnen.

Terwijl nu Professor Arnold bij de bekeering der volken tot den Islâm aan den godsdienstigen factor toch altijd de eerste plaats blijft toekennen, hebben zich in den laatsten tijd geleerden doen hooren, die deze zoo niet wegcijferen, dan toch vrij gering aanslaan. Zij willen de geweldige uitstrooming van menschen uit het Arabische schiereiland in de zevende eeuw en de plotselinge verovering van oude cultuurlanden door die halfbarbaren zoo goed als geheel uit economische oorzaken verklaren, even natuurnoodwendig als de zwelling der rivieren na de smelting der Alpensneeuw. Mohammeds godsdienst zou daarbij niet veel meer dan een begeleidend verschijnsel geweest zijn. De Italiaansche prins Caetani en de hoogleeraar Becker (vroeger te Hamburg, thans te Bonn) zijn wel de talentvolste woordvoerders dezer theorie. De gesteldheid van den Arabischen bodem dwingt telkens opnieuw de bewoners van dat waterarme land eenen uitweg daarbuiten te zoeken. Chronisch kookt de Arabische ketel over, en de omliggende landen worden dan aan de overstrooming ten prooi, tenzij zij krachtig genoeg zijn om met geweld het deksel gesloten te houden. Mohammeds prediking was slechts eene aanleiding, en het politieke verval van de twee toenmalige wereldrijken, het Perzische en het Oostromeinsche, hadden de gunstige bedding voor den stroom bereid, die vervolgens zonder moeite ook nog verder zijnen weg vond.

Beide beschouwingen, de missionaire en de economische, als ik ze zoo eens mag noemen, hebben de verdienste van de aandacht te bepalen bij feiten, die men vroeger dikwijls heeft voorbijgezien. Zoo is het onweersprekelijk waar, dat de eerste Moslimsche veroveraars met veel meer ijver streefden naar uitbreiding van het gebied van den Islâm dan naar vermeerdering van het aantal der bekeerlingen tot hunnen godsdienst, dat de belastingen, die de getolereerde schriftbezitters opbrachten, hun vaak minstens even welkom waren als hunne erkenning der goddelijke zending van Mohammed. Vele Mohammedaansche staatslieden waren geneigd om de aan de schriftbezitters gewaarborgde tolerantie uit te strekken, niet alleen tot de Perzische vuuraanbidders, maar ook tot Hindoes en anderen, die men met de noodige welwillendheid tot de openbaringsvolken kon rekenen. Men vindt in de middeleeuwen in Mohammedaansche landen groote en welvarende gemeenten van niet-Mohammedanen (vooral Joden en Christenen), die eene mate van bescherming genieten, zooals men die destijds in Christelijke landen aan andersdenkenden niet verleende. De bekeering tot den Islâm van de massa der bevolking in Perzië of in Christelijke landen als Egypte en Syrië vond langzamerhand, en geruimen tijd na de verovering plaats, volgens de missionaire beschouwing door de innerlijke kracht der Mohammedaansche zending, volgens de economische alweder door motieven van economischen aard.

De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname middel.

Men kan echter vol recht laten wedervaren aan alle feiten, die door de voorstanders der beide theorieën naar den voorgrond gebracht zijn, zonder eene dier toch al te eenzijdige verklaringen te aanvaarden, zonder de geheel eenige beteekenis der door Mohammed gewekte religieuze beweging voorbij te zien, en ook zonder te ontkennen, dat geweld tot de ongehoord snelle uitbreiding van den Islâm zeer belangrijk heeft bijgedragen. Eene onbevangen beschouwing der historische feiten is al voldoende om dit in te zien.

Zoo moge men de bekeering der massa van de Christenbevolkingen van Syrië, Egypte en Noord-Afrika tot den Islâm eene vrijwillige noemen, zij was dan toch door de verovering hunner landen voorafgegaan en voorbereid. Na de annexatie bij het Moslimsch gebied genoten zij wel eene met middeleeuwschen maatstaf gemeten vrij groote tolerantie, maar de vrijheid hunner levensuitingen was dan toch zeer beperkt en in alles moesten zij zich de minderen van de ingedrongen overheerschers toonen. Al gingen sommige Mohammedaansche bestuurders zeer ver in de begunstiging van Joodsche of Christelijke individuën, het meerendeel der belijders van deze getolereerde godsdiensten had veel te lijden van het misbruik, dat het Mohammedaansche plebs maakte van zijne kunstmatige maatschappelijke meerderheid.

Zeker was het voor de Moslimsche propaganda eene begunstigende omstandigheid, dat de Oostersche kerk in een allerjammerlijksten toestand van geestelijk verval verkeerde, zoodat sommige Europeesche geleerden in den Islâm met zijne eenvoudige leer zonder clerus of dogmatische haarkloverij eene welkome geestelijke verlossing hebben gezien voor de Monophysieten, Nestorianen of hoe verder de Christelijke secten van het Oosten heeten. Maar het is dan toch duidelijk, dat zij die verlossing nooit gezocht zouden hebben, wanneer niet directe en indirecte dwang hen uit de kerk naar de moskee gedreven had.

Het systeem van den Islâm getuigt hiervan.

Het sterkst en ondubbelzinnigst uit zich die dwang in het stelsel van den Islâm zooals dat ongeveer sinds de derde eeuw van de Hidjrah bestaat en door de geheele Mohammedaansche wereld is erkend. Men vindt het uiteengezet in de gezaghebbende leerboeken over de wet. De wijze, waarop de Islâm zich behoort uit te breiden, wordt daar aangegeven in de hoofdstukken over den heiligen oorlog en verwante onderwerpen.

Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.

De aarde heeft men volgens die leer te beschouwen als verdeeld in gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.

Het gebied van den Islâm staat onder het gezag van het hoofd der geheele Moslimsche gemeente, den imâm (leider) of chalief (opvolger), namelijk van den Gezant van Allah in diens hoedanigheid van bestuurder der geloovigen. De bewoners van dit gebied zijn òf Mohammedanen òf getolereerde schriftbezitters, die onder allerlei beperkende en vernederende voorwaarden de bescherming van leven en have door den Moslimschen staat genieten.

Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm.

Theoretisch rekent men tot de "dâr al-Islâm" ook zulke landen, van welke men aanneemt, dat zij vroeger onder Mohammedaansch gezag gestaan hebben, al worden zij thans door niet-Mohammedanen bestuurd. Zoo gelden dus Britsch- en Nederlandsch-Indië, voor zoover zij door Mohammedanen bewoond worden, als gebied van den Islâm. Ten onrechte hebben W. Hunter en andere Britsche staatslieden zich hierover verheugd, daar zij meenden, dat deze leer opstanden van Britsch-Indische Moslims tegen het Engelsche gezag tot onwettige woelingen stempelde. IJdele illusie! Werden die Oostersche wingewesten, evenals bijv. Engeland en Nederland zelf, door de Moslimsche wet bij het gebied van den oorlog ingedeeld, dan zou als regel, zij het niet geheel zonder uitzonderingen, gelden, dat vijandige handelingen van Mohammedanen tegen zulke landen slechts mochten ondernomen worden krachtens machtiging van het hoofd der Moslimsche gemeenschap. In gebied van den Islâm daarentegen zijn niet-Moslimsche overheerschers abnormale verschijnselen, die men slechts dulden mag zoolang men zich buiten staat acht ertegen te reageeren.

Het gedeelte der aarde, dat buiten het gebied van den Islâm valt, is in zijn geheel gebied van den oorlog, dat wil zeggen bestemd om met den spoed, dien de omstandigheden toelaten, door middel van geweld tot gebied van den Islâm gemaakt te worden. Voor volslagen heidenen kan die onderwerping slechts geschieden in den vorm van bekeering tot het geloof aan Allah en Zijnen Gezant; degenen, die eenen door den Islâm erkenden godsdienst belijden, mogen volstaan met erkenning van het Moslimsche staatsgezag als hunne overheid.

De heilige oorlog.

Dit zijn de hoofdlijnen van het systeem; men ziet, dat van de legende van den Moslim met het zwaard in de eene, den Qoerân in de andere hand toch dit overblijft, dat de Mohammedaansche wet de alleenheerschappij van hetgeen zij voor de waarheid houdt door den sterken arm verzekerd wil zien, dat de ware zending in den geest der wet bestaat in de onderwerping van andersdenkenden door de Moslimsche legermacht. Verdienstelijk maken zich ongetwijfeld Mohammedaansche kooplieden of kolonisten in heidensche landen, waarin Moslimsche legers nog niet konden doordringen, door als pioniers langs vreedzamen weg aanhangers voor hun geloof te winnen, en even prijzenswaard wordt het geacht, wanneer anderen onder de gedulde Joden, Christenen, enz. bekeerlingen trachten te maken. Dit alles neemt niet weg, dat het middel bij uitnemendheid tot verbreiding des geloofs naar de letter en den geest van de heilige wet gezocht moet worden in maatregelen van geweld. Die wet beschouwt alle niet-Moslims als vijanden der groote monarchie van Allah, wier weerstand tegen Zijne alleenheerschappij door de Mohammedanen gebroken moet worden.

De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand.

Het staat ons niet vrij, met Prof. Arnold in strijd met de uitspraken der Moslimsche wetgeleerden van alle eeuwen, te beweren, dat dit stelsel niet het ware is, dat het berust op onjuiste opvatting van eenige Qoerânverzen, dat de ware Islâm uitbreiding van het geloof alleen door overtuiging verlangt. Wel stemt eene kleine groep van moderne Mohammedanen met die aanpassing van den Islâm aan nieuwerwetsche begrippen in, maar zij vertegenwoordigen al evenmin de leer van den godsdienst, waarin zij geboren werden, als de modernisten die der Katholieke kerk.