Nederland en de Islâm

Part 14

Chapter 141,137 wordsPublic domain

Gelukkig behoeven wij ons over onze Nederlandsch-Indische Mohammedanen niet bezorgd te maken. Zij namen den Islâm aan, toen het Turksche rijk reeds bestond, maar zonder dat Turkije er iets van bemerkte, en zij hebben met het rijk der Halve Maan nooit eenige aanraking gehad. De Soeltan van Roem, zooals zij den Grooten Heer van Constantinopel noemen, is voor hen een legendarisch wezen gebleven. De panislamitische gedachte is wel naar den Oost-Indischen Archipel overgewaaid, maar heeft er slechts weinig vatbaren bodem gevonden. De groote massa der lagere klassen bleef onaangedaan, en de meerderheid der hoogere standen is tegenover dit religieus-politieke mengsel van bedrog en zotheid volslagen immuun. En wij mogen gegronde hoop koesteren, dat die immuniteit zich steeds zal uitbreiden. Want, heeft Duitschland pas onlangs met de door ons aangeduide vertooningen zijne "bewusste Islampolitik" geinaugureerd, wij hebben al eenige jaren langer tegenover de door de geschiedenis aan onze zorgen toevertrouwde Inlandsche bevolking onze welbewuste opvoedingspolitiek, en dáártegen zijn chalifaat en heilige oorlog en andere middeleeuwsche ongerechtigheden gelukkig machteloos. Wanneer wij maar onwrikbaar vasthouden aan de sedert eeuwen aan onze Mohammedanen gewaarborgde volledige godsdienstvrijheid en tevens de ingeslagen richting van educatie in steeds sneller tempo blijven volgen, dan behoeven wij de eigenaardige soort van "geistige Waffen", die thans voor het eerst met het merk "made in Germany" in omloop gebracht worden, nooit te vreezen. Toch blijven wij in het belang der menschheid hopen, dat Duitschland eerlang dit nieuwe product uit den handel terugneemt.

De heilige oorlog van den Islâm is, zooals wij meermalen herinnerden, een door en door middeleeuwsch instituut, waaraan zelfs de Mohammedaansche wereld bezig was te ontgroeien. Ééne eigenaardigheid van dit instituut kunnen wij ongeveinsd bewonderen: heilige oorlog tegen medeleden der Mohammedaansche gemeenschap is door de wet van den Islâm absoluut uitgesloten. De beperking van de levensgemeenschap tot Mohammedanen, tot hen, die hetzelfde dogma over het Hiernamaals belijden, is middeleeuwsch, maar de beschouwing van strijd binnen de sfeer der levensgemeenschap als goddeloos biedt een voortreffelijk aanknoopingspunt voor de hoogste sociale beschaving en is voor de moderne wereld ietwat beschamend. Hooren wij, wat Martin Hartmann in zijn opgewonden toon daarover schreef: "Im Gegensatze zum Islam, wo grundsätzlich der Krieg auf den Kampf gegen die Andersgläubigen als "Ungläubige" beschränkt ist, wird in den christlichen Ländern an dem Kriege gegen Glaubensgenossen von niemand Anstoss genommen, und hier sind nicht selten die Diener der Kirche der Liebe die Eifrigsten im Schüren, also in der Verleugnung des Evangeliums; sie prästieren auf Kommando die patriotische Geberde, die in diesem Falle eine Verletzung des fünften Gebotes darstellt, nicht zu sprechen von jenem andern: Du sollst deinen Nächsten lieben als dich selbst".

Inderdaad, in den Islâm behoeft men slechts de middeleeuwsche beperking van het volledige bestaansrecht tot de geloofsgenooten op te heffen, en de levensgemeenschap tot de gansche menschheid uit te breiden, om den algemeenen wereldvrede tot een absoluut voorschrift der Moslimsche wet te stempelen. Voor moderne staten, die Mohammedanen als onderdanen, beschermden of bondgenooten hebben, is de schoone taak weggelegd om dezen, en zichzelve tevens, tot die hooge opvatting der menschelijke samenleving op te leiden; liever dan hen in eigen belang terug te voeren in de wegen van middeleeuwschen geloofshaat, die zij juist bezig waren te verlaten.

AANTEEKENINGEN

[1] Dit bedrag moet thans 1914 aanzienlijk hooger gesteld worden, daar in de allerlaatste jaren het aantal dergenen, die jaarlijks uit Nederlandsch-Indië aan den hadj deelnemen, ongeveer verdubbeld is.

[2] "Eenige Arabische strijdschriften besproken" (Tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, Deel XXXIX, blz. 379-427).

[3] In "De Gids" van Januari 1909 deed ik verslag van mijne daar opgedane ervaringen.

[4] Grothe werd op zijne reizen door Turken telkens in zijne hoedanigheid van Duitscher als "onze vriend" aangeduid, hetgeen hij met bizim dost in plaats van dostumuz weergeeft, en als Turksch voor Duitscher schrijft hij steeds Alemanly in plaats van Alman of Almanjaly.

[5] Zij zijn, in het Turksch afgedrukt, te vinden in Beckers tijdschrift "Der Islam", Bd. V, Heft 4, met vertaling, en in M. Hartmanns "Islampolitik" in "Koloniale Rundschau", 1914, Heft 11-12, met vertaling en uitvoerige toelichting. In dit laatste artikel, dat mij eerst na het afdrukken der eerste uitgave van dit opstel onder de oogen kwam, maakt ook Hartmann tabula rasa van veel van hetgeen hij vroeger over den Islâm en de Turken geschreven heeft, en toont zich, met een zeker voorbehoud, bekeerd tot den heiligen oorlog niet alleen, maar verwijt aan anderen, dat zij vroeger zoo gedacht hebben als hij zelf deed. Hij merkt op, dat de woorden van Keizer Wilhelm bij het graf van Saladijn te meer indruk moesten maken, omdat de Mohammedanen vroeger niet veel dergelijks te hooren kregen. "Die anderen Grossmächte haben fast immer nur verächtliche Worte für die Türken und den Islam gehabt, zum Teil haben verantwortliche Staatsmänner sich mit einer Schärfe gegen den Islam ausgesprochen, die aus dem beschränkten Gesichtskreis, in dem sie aufgewachsen sind, und der ihren Lande mit seinem Dünkel der Gottesstaatsidee eigen ist, zu erklären, aber nicht zu entschuldigen ist. Wir haben nicht den geringsten Grund, von der bisher beobachteten Haltung abzugehen, etc." Deze woorden, uit de pen van een geleerde, van wiens ontelbare uitspraken tegen Turkije en den Islâm in de volgende bladzijden eene kleine bloemlezing gegeven wordt, zouden ons tot stomme verbazing brengen, als niet zoovele andere verschijnselen ons met de psychose van den oorlog vertrouwd gemaakt hadden.

[6] Het behoort tot eene lange reeks van "Politische Flugschriften", die door Ernst Jäckh worden uitgegeven, en waartoe alweder Fürst von Bülow en andere beroemdheden bijdragen leveren. Becker gaf verder in de verzameling "Bonner Vaterländische Reden und Vorträge während des Krieges" eene voordracht over "Deutsch-Türkische Interessengemeinschaft", in de Süddeutsche Monatshefte een opstel "England und Egypten", en in "Das Grössere Deutschland" een artikel "England und der Islâm".

[7] Wij citeeren hier slechts enkele uitlatingen van oriëntalisten, en laten de vele gelijksoortige uitspraken van geleerden, wier studievakken hen slechts van ter zijde met het Oosten in aanraking brachten, zooals bijv. H. von Treitschke, ter zijde.

[8] Ik geef hier eene kleine bloemlezing van titels van M. Hartmann's geschriften, uit de allerlaatste jaren: "Der Islam 1908" (in: Mitteilungen des Seminars für Orient. Spr. in Berlin, Jahrg. XII, Abt. II, 1909), "Die Arabische Frage", Leipzig 1909, "Der Islam", Leipzig 1909, "Die neuere Literatur zum turkischen Problem" in: Zeitschrift für Politik 1909, "Unpolitische Briefe aus der Türkei", Leipzig 1910, "Islam, Mission und Politik", Leipzig 1912, "Fünf Vorträge über den Islam", Leipzig 1912, "Das Ultimatum des Panislamismus" (over den heiligen oorlog tegen Italië) in: Das Freie Wort Jahrg. XI, No. 16, "Mission und Kolonialpolitik" in: Koloniale Rundschau, Heft 3, März 1911.

[9] "Panislamismus" (in: Archiv für Religionswissenschaft, Bd. VII, 1904).

[10] "Der Islam und die Kolonisierung Afrika's" in: Internat. Wochenschrift für Wissenschaft, Kunst und Technik, 19 Febr. 1910.

[11] Wel een passend attribuut voor politieke vriendschap!

End of Project Gutenberg's Nederland en de Islâm, by C. Snouck Hurgronje