Nederland en de Islâm

Part 13

Chapter 133,375 wordsPublic domain

Het laat zich best begrijpen, dat Duitschland bij de snel aangegroeide belangen, die het in Turkije heeft verkregen, gaarne de gevaren en de moeilijkheden, die uit de actie van mededingers kunnen voortspruiten, tot de kleinste afmetingen teruggebracht zou zien. Even verklaarbaar is het, dat Turkije op den duur van de concurreerende mogendheden nog het liefst met Duitschland te doen had, daar bij deze aanraking niet zoo licht verlies van gebied te vreezen viel. "Op den duur" zeg ik met voordacht, want er zijn wel oogenblikken geweest, waarop de Soeltan of het Comité moesten denken: Waar blijft nu de vriendschap? In den tijd van Abdoel-Hamied uitte zich de Duitsche genegenheid alleen jegens hem, die alle macht in zich bevatte, maar die thans algemeen beschouwd wordt als de grootste vijand, dien zijn volk gekend heeft. Van 1888 tot 1908 negeerde Duitschland het Turksche volk, daar het Duitschland niet van nut kon zijn. Wie den aard van Europeesche politieke vriendschap een weinig kent, zal zich hierover evenmin verbazen als over Keizer Wilhelm's geringe belangstelling in het lot van den vroeger zoo geliefden Abdoel-Hamied, toen deze door het Comité eerst gedwongen werd, voor vrijheidsvriend te spelen, daarna te verdwijnen.

Wie sedert 1908 gunst of voordeel zocht in Turkije, moest die afdwingen of afbedelen van het Comité. Dit kon, zooals ook onze Duitsche schrijvers opmerken, Duitschland niet dadelijk vertrouwen, daar de vrijzinnige Turken, die vóór de revolutie hun land ontvloden, in Duitschland geweerd werden ter wille van den bevrienden despoot. Toen Oostenrijk van de algemeene verwarring na de revolutie gebruik maakte, eerst om Bulgarije geheel van Turkije te helpen losmaken, daarna om zelf een stuk Turksch gebied te annexeeren, stak Duitschland geen vinger uit om zijn bondgenoot van die voor Turkije zoo pijnlijke amputatie terug te houden. Later nam Italië Tripoli, en Turkije kon Duitschlands verdienste, de eenige in den driebond te zijn, die niets wegnam, maar half waardeeren, omdat het de natuurlijke beletselen van zulk eene toeeigening even goed kende als ieder ander. Waar zulke beletselen niet bestonden, nam Duitschland even gretig zijn deel als de anderen, en in Afrika heeft het zelfs twee millioen Mohammedanen aan zijn gezag onderworpen, een gezag, dat door de betrokkenen toch niet minder tyranniek gevonden zal worden dan de Britsch-Indische en Noord-Afrikaansche Mohammedanen volgens Soeltan Mehmed Resjâd en volgens Becker het Britsche en het Fransche bestuur vinden.

Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika.

Nu moge Becker zeggen: die Mohammedanen hadden wij al toen onze groote ingenomenheid met Turkije en den Islâm begon, en bovendien tellen die pikzwarte Moslims zelfs in de oogen van Turken en Arabieren maar voor half, maar dat is geen ernstig antwoord op de bedenking, te minder daar de Islâm die geringschatting der negers niet alleen theoretisch verwerpt, maar ook practisch voor begaafde negers in de Moslimsche maatschappij alle wegen steeds veel wijder opengestaan hebben dan in Christelijke landen. Wel heeft Becker de verdrukte Mohammedanen, die nu door Duitschland geholpen moeten worden, slechts op 150 millioen begroot, zoodat alleen Rusland, Engeland en Frankrijk als de verdrukkers gelden, maar de Soeltan heeft in zijn manifest de volle 300 millioen, waarop de Keizer de Islâmbelijders taxeerde, als te bevrijden verdrukten aangeduid, en dus bij vergissing de twee millioen Duitsche onderdanen, en de Moslims onder Oostenrijksch en Italiaansch gezag, om niet meer te noemen, meegeteld.

In den Balkanoorlog stond Turkije's zelfstandigheid zeker niet minder ernstig op het spel dan thans vóór de verklaring van den djihâd het geval was; maar ook toen heeft het van zijn Duitschen vriend weinig steun ondervonden. Grothe merkt op, dat het moeielijk geweest zou zijn, in Duitschland voor de Turksche zaak alléén het voor een oorlog noodige enthousiasme te wekken, terwijl dit nu, waar het tegen de concurrenten: Engeland en Rusland gaat, zoo gemakkelijk valt. Men zal dan toch moeten toegeven, dat het effect van de beide bezoeken van Keizer Wilhelm aan den Soeltan, waarmee volgens Becker en Grothe de welbewuste Islâmpolitiek van Duitschland werd ingeluid, zich niet geleidelijk ontwikkeld heeft, dat het lang bijzonder latent is gebleven.

De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het protectoraat over Turkije.

Al deze herinneringen mogen het ietwat eenzijdig karakter der Duitsche belangenpolitiek nog duidelijker doen uitkomen dan dit in geschriften als die van Becker en Grothe al geschiedt, zij nemen de mogelijkheid niet weg, dat bij de tegenwoordige politieke constellatie Turkije door het bondgenootschap met Duitschland ook zelf groot gewin kan erlangen. Maar, stellen wij ons dan die toekomst voor, zooals de Duitsche schrijvers haar wenschen, dan komt de zaak, naakt ontkleed, toch hierop neer, dat Turkije, door Duitschland verlost van alle lastige inmenging van Engeland, Frankrijk en Rusland, komt te staan onder Duitsche voogdij, dat het met zorgvuldige vermijding van den naam, zal worden een Duitsch protectoraat. Zijn leger, zijn bestuur, zijne finantiën, alles zal door Duitschland grondig hervormd moeten worden. De verhouding zal slechts in vorm verschillen van het protectoraat van Frankrijk over Marokko of van dat van Britannië over menig Mohammedaansch vorstendom in Indië. Het heeft in Duitschland, in kalmere tijden, nooit ontbroken aan warme lofredenaars op de wijze, waarop Engeland in Indië, Frankrijk in Noord-Afrika hunne Mohammedanen bestuurden, al ontbrak het natuurlijk ook nooit aan critiek en aan ergernis, wanneer Duitsche belangen in het gedrang kwamen. Men sprak van de pax Britannica en van de pax Gallica, die in de plaats gekomen waren van de vroegere onveiligheid, verwarring en corruptheid. Zelfs Engelands werk in Egypte werd gewaardeerd, en men vernam gunstige oordeelvellingen over de Islâmpolitiek van Rusland in Centraal-Azië. Wij hebben geene reden om van een protectoraat der Duitschers over Turkije minder gunstige resultaten te verwachten, ja het zou zelfs kunnen zijn, dat zij vele fouten hunner voorgangers wisten te vermijden, en dat de uitkomst den Turkschen landen ten zegen werd. Maar zeer zeker zouden zij ondervinden, dat de dankbaarheid der Turken ophield, wanneer het volstrekt onvermijdelijke ingrijpen goed begon, ook al mocht men de voorgenomen geleidelijkheid daarbij niet uit het oog verliezen.

Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans: Marquart, Hartmann, Becker.

Overigens zijn, of waren althans vóór dezen oorlog, de meeningen van Duitsche deskundigen over Turkije en over den Islâm, met name over beider vatbaarheid voor hervorming, lang niet algemeen dezelfde, die thans door Grothe en Becker warm verdedigd worden [7]. Prof. Jos. Marquart, thans hoogleeraar te Berlijn, spot in het Vorwort van zijn werk "die Beninsammlung des Reichsmuseums für Völkerkunde in Leiden" (1913) met "die angebliche Rolle des Islâms als Kulturträger", en met bijtende ironie spreekt hij van de "Segnungen des Dschihâd, des zur religiösen Pflicht gemachten Raubmordes auf dem Pfade Allahs", d. i. dus die plicht, die thans door Duitschland aan Turkije weer is ingescherpt. Niet alleen in Duitsche zendingskringen werd de Islâm als de vijand beschouwd, dien men bovenal bestrijden moest, maar op een Duitsch Kolonialkongress werd de resolutie aangenomen: "Da von der Ausbreitung des Islam der Entwicklung unserer Kolonien ernste Gefahr droht, rät der Kolonialkongress zu sorgsamer Beachtung, etc."

Prof. Martin Hartmann, die de Islâm-wetenschap aan het Seminar für Orientalische Sprachen te Berlijn doceert en wiens vruchtbare pen tal van lezenswaarde geschriften over den Islâm en over Turkije leverde [8], wordt niet moede erop te wijzen, dat de Moslims vooral door de instellingen van den Islâm, die de vrouw veracht en andersdenkenden verfoeit, van deelname aan de cultuur weerhouden worden. Hij noemt het chalifaat der Osmanensoeltans eene aanmatiging, die zij alleen met geringschatting der heilige traditie konden plegen, een "Agitationsmittel" een "bequemes Mittel, in den Augen der Islamwelt als eine Art Fetisch zu dienen", zegt, dat "diese Doppelstellung (van den Soeltan-Chalief) von den Kulturstaaten nie anerkannt worden ist", en dat het eerlijk opgeven van dien titel Turkije veeleer versterken dan verzwakken zou. Natuurlijk is ook hij over den heiligen oorlog niet goed te spreken. Hierover schreef hij opzettelijk, toen het woord djihâd in den strijd met Italië over Tripoli te berde werd gebracht door sommige Turken, en gebruikt daarbij deze thans weer actueele uitdrukking: "...... die Androhung des Heiligen Krieges, d. h. des Kampfes gegen alle Ungläubigen, ausgenommen die vom Leiter des Islam der Gemeinde ausdrücklich als Freunde des Islam bezeichneten. Dieser Gedanke ist Wahnwitz". Daar de zetel van de agitatie toen te Berlijn was, voegt hij hieraan toe: "Es sei hiermit gewarnt, durch Erregung des religiösen Fanatismus Unruhe herbeizuführen. Gegen jeden solchen Versuch werden alle Kulturstaaten einmütig zusammenstehen". Vellen druks van denzelfden inhoud zou ik kunnen aanhalen; tot slot nog dit eene: "Der Islâm ist eine Religion Hasses und des Krieges. Es darf unter keinen Umständen geduldet werden, dass er in einem Staate der Kulturmenschheit das normgebende Prinzip ist".

Minstens even talrijke uitspraken van denzelfden schrijver zou ik kunnen citeeren, die den indruk geven, dat de Turken de minst geschikte natie van het Turkenrijk zijn om iets goeds voor de ontwikkeling van hun land te doen. Overal, waar het Turkenelement zich aan andere Mohammedanen met het zwaard opdrong, heeft het "den Kulturbesitz vernichtet und an kulturellen Werten nichts, absolut nichts geschaffen". Hun religieuze eigenwaan is nog onverdragelijker dan hun nationale. De Turken van Constantinopel zijn "ein schauderhaftes Gesindel", en de "biedere Anatolier" (die ook bij Grothe voorkomt) een product der legende. En zulk eene minderwaardige natie "will in dem grossen Reiche von Skutari und Prevesa bis Wan und Basra das herrschende Element sein!"

Prof. Hartmann heeft een bijzonder levendig temperament, en ik denk er niet aan, zijne meeningen te onderschrijven of zijne uitdrukkingen van overdrijving vrij te pleiten. Maar in zaakkennis staat hij verre boven Grothe, en wat Turkije betreft, ook boven Becker, naast wien hij de hoofdvertegenwoordiger der Islâm-studie in Duitschland is. Trouwens Becker zelf heeft zich vroeger, zij het in gematigder vorm en ietwat anders genuanceerd, over de Islâm-quaestie ongeveer in denzelfden zin uitgelaten. Becker heeft natuurlijk zelf het eerst den strijd gevoeld tusschen zijn medeschermen, in zijne jongste geschriften, met de begrippen chalief en djihâd en zijne in vroegere tijden van rustigen wetenschappelijken arbeid uitgesproken meeningen. Zelf herhaalt hij de slotphrase van eene in 1910 door hem te Parijs gehouden voordracht: "Si la solidarité de l'Islam est un phantôme, la solidarité de la race blanche est une réalité", maar thans om den indruk dier woorden te verzwakken, en ze te beperken tot den Islâm der negers in Afrika, die het hoofdonderwerp zijner rede vormden. Waarschijnlijk heeft geen der hoorders die beperking begrepen, daar aan de geciteerde woorden deze onmiddellijk voorafgingen: "de vrees, dat de eene mogendheid zich met den Islâm zou verbinden om de plannen der andere te dwarsboomen, schijnt mij niet zeer gegrond". Bovendien had Becker vroeger, bijv. in 1904 in een artikel over het Panislamisme [9] de panislamitische gedachte als in strijd met de wezenlijke belangen van Turkije voorgesteld, "Die Jungtürken hatten gehofft (na den Russisch-Turkschen oorlog van 1878) durch ihre Reformen gerade jenes religiöse Moment auszutilgen, das den Sultan in erster Linie zum Chalifen, zum Vorkämpfer des Islam machte und so eine gesunde Entwicklung des doch zum grossen Teile aus Christen bestehenden Otmanischen Reiches ausschloss". En in de Duitsche vertaling [10] der zooeven genoemde in 1910 te Parijs gehouden voordracht komt nog het volgende voor: "Das Kalifat des Sultans von Konstantinopel war bis zur jungtürkischen Revolution der Ausgang der türkischen Islampolitik. Zwar hat die junge Turkei die Kalifatansprüche nicht aufgegeben, aber wenn sie sich überhaupt zu einem Verfassungsstaat entwickeln will, wird sie möglichst wenig Gebrauch davon machen mussen..... Eine starke Türkei wird selbstverstandlich nie die politische Oberhoheit über die islamischen Untertanen anderer Mächte beanspruchen....."

Beckers recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm aan Turkije.

In zijne recente brochure "Deutschland und der Islam" erkent trouwens Becker zijne onlangs tot stand gekomen bekeering en de onjuistheid van zijn vroeger jarenlang gekoesterd inzicht. Zoowel hij als Grothe staan uitvoerig stil bij de twee bezoeken (1889 en 1898) van Keizer Wilhelm aan den Soeltan Abdoel-Hamied, de tweede maal gecombineerd met hetgeen Grothe noemt "eine politische Pilgerfahrt nach dem Heiligen Lande". De wereld heeft die bezoeken, waarvan het eerste een jaar na de verleening der Anatolische spoorwegconcessie, dus in 1889, plaats greep, beschouwd als overluisterrijke demonstraties van de industrieele en commercieele belangstelling van Duitschland in Turkije. De wijze van uitvoering gaf velen, ook in Duitschland, aanleiding tot schouderophalen. Vooreerst scheen Abdoel-Hamied, de "bloeddrinkende" tyran, aan wiens misdaden toch reeds de groote mogendheden min of meer medeplichtig werden door hetgeen Bérard, en Martin Hartmann met hem, "la conspiration du silence" noemden, een vreemd gekozen object voor de zóó hartelijke vriendschapsbetuiging, die als herinnering te Constantinopel eene plompe, volgens deskundigen met allen kunstsmaak spottende fontein achterliet. Verder was de indruk van het bezoek op de Moslimsche wereld geenszins de bedoelde. Wel vond men het merkwaardig, dat de monarch van een machtig Europeesch rijk den Soeltan tweemaal zijne hulde kwam bewijzen, te meer, dat men wist, dat geene tegenbezoeken van den Soeltan daarop volgden; de bezoeker deed zich dus aan de Oostersche voorstelling als den mindere kennen, en eenvoudige Mohammedaansche zielen, die hunne kennis van de wereldkaart en van de wereldgeschiedenis meer uit de legende dan uit de werkelijkheid putten, zagen daarin eene bevestiging hunner opvatting, dat de heele aarde aan den machtigsten Moslimschen soeverein onderworpen is en dat alle andere vorsten zijne, zij het dan deels zeer ongehoorzame, vasallen zijn. Tot den roem van Duitschland in het Oosten droegen die huldebewijzen allerminst bij, wat ook vleiers daarvan aan Duitsche reizigers op den mouw mochten spelden. Den allerzonderlingsten indruk echter maakte op alle kenners van den Islâm de toespraak, die de Keizer op zijne tweede reis (1898) te Damascus bij het graf van Saladijn hield, waar hij tevens eene krans deponeerde.

De rede op het graf van Saladijn.

Saladijn is in Europa door de geschiedenis der Kruistochten en vooral door Lessing populair geworden; in het Mohammedaansche Oosten is zijn naam lang vergeten, behalve bij de weinige beoefenaars van geschiedenis en letterkunde. Dezen kennen hem als een gewetenloos politicus, die door ontrouw en verraad tot hooge macht is opgeklommen, en wien men veel vergeeft omdat hij een streng orthodox kafirhater geweest is; niet als het toonbeeld van 18de-eeuwsche verdraagzaamheid, dat Lessing in zijnen Nathan van hem maakte. Op het graf dan van dezen hater des Christendoms sprak de Keizer van een wereldrijk, dat, zooals Becker herinnert, het Christendom tot staatsgodsdienst heeft, deze woorden: "Die dreihundert Millionen Mohammedaner, die in der Welt zerstreut sind, mögen dessen versichert sein, dass ewig [11] der Deutsche Kaiser ihr Freund sein wird". Dit gedeelte der vertooning heeft in de Moslimsche wereld even weinig blijvenden indruk gemaakt als Saladijn zelf, en Duitsche geleerden namen er destijds hoofdschuddend kennis van. Nu doen zij echter plotseling opgeld: Grothe en Becker geven er hunne exegese van, en men heeft er de Turken zoo krachtig aan herinnerd, dat Nazim-bey ze in zijne toespraak aan den Duitschen Gezant citeerde, en dat de Soeltan er bij vergissing de inmiddels reeds vaak verbeterde, en in ieder geval sterk verouderde volkstelling der Mohammedanen uit overnam in zijn manifest.

Becker heeft tot voor korten tijd, "aus Unkenntnis" zooals hij het thans verklaart, deze "Betonung des Kalifentitels durch Deutschland als einen Fehler beurteilt", maar nu, na hetgeen Fürst von Bülow in "Deutschland unter Kaiser Wilhelm II" uiteengezet heeft, ziet hij daarin met blijdschap de eerste krachtige uiting van eene "bewusste deutsche Islampolitik" en het bewijs, "dass die deutsche Politik von Anfang an mit dem Islam als internationalem Factor gerechnet hat". Beckers wetenschappelijke geweten is bij deze bekeering en bij zijne verdediging der opname van het chalifaat onder de factoren der internationale politiek niet zoo gerust als dat van Grothe, die van het groteske dezer Islâmpolitiek niets schijnt te voelen. Becker zegt althans, dat hij over de verhouding van Turkije tot den Islâm niet geacht wil worden eenig oordeel te hebben uitgesproken, dat hij zich ertoe bepaalt, te constateeren, dat die verhouding bestaat, dat nu eenmaal millioenen ontevreden Mohammedaansche onderdanen van Europeesche staten hunne redding van Turkije verwachten, en dat het uur voor Duitschland gekomen is om van die stemming partij te trekken.

Redding van Turkije! Het rijk, waarvan Martin Hartmann nog kort geleden zeide, dat "die Ausschaltung der islamisch-türkischen Herrschaft aus Europa bevorsteht"; of elders, dat "schon längst über sie (die Türkei) hätte verhängt werden sollen: die Stellung unter Kuratel", of nogmaals: "so tritt nur schneller das ein, was doch einmal kommen muss: das Entfallen der politischen Macht aus den Händen des absterbenden Türkentums"; van Turkije, dat volgens Becker herboren moet worden en onder krachtige leiding van Duitschland omgeschapen tot een modernen cultuurstaat, hetgeen hij eenige jaren geleden slechts dan uitvoerbaar verklaarde, wanneer de chalifaatsidee of geheel werd opgegeven of zoo weinig mogelijk naar voren gebracht werd!

Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch fanatisme.

Hoe komt het, dat nu opeens voor Turkije mogelijk wordt geacht, wat tot dus dusver als eene ongerijmdheid werd terzijde gesteld, dat thans voor dat rijk als nuttig wordt aangeprezen datgene, waarin men tot vóór korten tijd zijn zekeren ondergang gelegen achtte? Hartmann heeft, toen hij in zijn "Ultimatum des Panislamismus" de agitatoren geeselde, die aan het Turksch-Italiaansche conflict het karakter van eenen godsdienstoorlog wilden geven, meteen de scherpste critiek, die men zich denken kan, geleverd van de tegenwoordige poging van Duitschland om het middeleeuwsche fanatisme der Mohammedaansche wereld, dat aan het uitsterven was, nieuw leven in te blazen. "Die Türkei kann nur ausrufen: "Himmel bewahre mich vor meinen Freunden!"" zeide hij toen terecht. En wat moet Turkije nu uitroepen, nu zijn beste vriend hem prikkelt tot eenen wereldgodsdienstoorlog, en hem alvast de Mohammedaansche krijgsgevangenen, die tegen Duitschland vochten, uitlevert om hen te onderwerpen aan eene godsdienstig-politieke bekeeringskuur?

Wij kunnen dit alles slechts toeschrijven aan de jammerlijke verstoring van het evenwicht, ook in de geestelijke atmosfeer van hetgeen wij de beschaafde wereld plachten te noemen. Immers, in normale tijden kennen wij de Duitschers als veel te bezonnen en te logisch om den enormen onzin te verduwen, dat hetgeen in het algemeen als een schande voor de menschheid en als eene ramp voor Turkije zou gelden, goed en aanbevelenswaardig wordt, zoodra Duitschland zich achter of naast de Halve Maan plaatst. Wij weten van niet vele der tegenwoordige verschrikkelijke gebeurtenissen, waarop zij zullen uitloopen, maar dit meen ik nu reeds met zekerheid te mogen voorspellen, dat binnen niet langen tijd tal van Duitsche geschriften zullen getuigen van de ook in Duitschland ontwaakte ergernis over het onwaardige spel, dat thans met het chalifaat en den heiligen oorlog gespeeld wordt.

Gewaagd zou het zijn, nu de feiten zoo spoedig hunne onweerlegbare taal zullen spreken, te willen voorzeggen, in hoeverre de poging om een Mohammedaanschen godsdienstoorlog op groote schaal te doen ontvlammen en daarmede onafzienbare verwarring der internationale verhoudingen te doen ontstaan, slagen kan. Hartmann heeft die mogenlijkheid indertijd met volle overtuiging betwist: ".... sobald die Vertreter der verschiedenen islamischen Gruppen über gemeinsame Schritte beraten, zeigt sich die ungeheure Verschiedenheit der völkischen, wirtschaftlichen und geistigen Tendenzen, die sich unter den zweihundert Millionen Muslimen finden" zeide hij. Becker, die vroeger "die Solidarität des Islam ein Phantom" noemde, zegt nu: "Der grosse Krieg, der so viel aufdeckt und entscheidet, wird auch den Beweis erbringen, ob der so oft besprochene internationale Zusammenhang des Islam ein realer Faktor ist oder ein Hirngespinst".

Zeker zal het, indien Duitschland bij zijne "Islampolitik" van dit oogenblik volhardt, niet ontbreken aan allerlei maatregelen om in de Mohammedaansche wereld bekendheid te geven aan de geschiedenis van het ontstaan dier politiek en aan de nieuwe verhouding van vasal, waarin de herboren Soeltan-Chalief zich tegenover Duitschland geplaatst zou zien, wanneer de Duitsche idealen verwezenlijkt werden. Tegen eenen Heer der Geloovigen onder eenen ongeloovigen voogd zullen echter ook Mohammedanen van den ouden stempel, die anders mogelijk dupen van de comedie zouden worden, hunne ernstige bedenkingen hebben. Het hoofdargument voor de aanspraak der Osmanen-soeltans op den titel van Chalief was hun zwaard, maar niet een zwaard, dat getrokken en in de scheede gestoken werd op de bevelen van een ongeloovigen "bondgenoot".

Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog.

Uit vertrouwbare bron vernam ik onlangs, dat de drukkerij van het Turksche dagblad Tanîn een pamflet over den heiligen oorlog heeft uitgegeven en verspreid, waarin ook de Mohammedaansche onderdanen van staten, die ten opzichte van den tegenwoordigen oorlog neutraal zijn, tot verzet tegen hunne regeeringen opgehitst worden. O. a. moet daarin sprake zijn van de veertig millioen Mohammedanen, die gebukt gaan onder het juk der halfbeschaafde Hollanders. Hierdoor is zeker gehandeld tegen de bedoeling van den Duitschen voogd; maar slechte hartstochten laten zich gemakkelijker opwekken dan binnen perken houden.