Part 12
Denkelijk zonder het te bedoelen hebben sommige Europeesche staatslieden en schrijvers aan de panislamitische gedachte zekeren steun gegeven door hunne op volslagen misverstand berustende beschouwing van het chalifaat als eene soort van Mohammedaansch pausdom. Vooral in Engeland vond die voorstelling aanhangers in den tijd, toen dit land nog gold als de beschermer van den Turk tegen van Rusland dreigend gevaar. Men achtte het nuttig, de Britsch-Indische Moslims te doen gelooven, dat de Britsche Regeering met hunnen kerkvorst op voet van intieme vriendschap leefde. Turksche staatslieden maakten van deze dwaling een handig gebruik. De ware leer van het chalifaat met zijne taak van vereeniging aller geloovigen onder zijne vaan om dan den strijd tegen alle kafirs aan te binden, konden zij natuurlijk tegenover hunne Europeesche vrienden niet belijden. Des te meer verheugde het hen, te zien, dat dezen zich van dat instituut eene weliswaar valsche, maar juist daarom voor niet-Mohammedanen aannemelijke voorstelling vormden. Zij wachtten zich er wel voor, deze te verbeteren, want het was hun genoeg, zich tegenover hunne geloofsgenooten erop te kunnen beroepen, dat de pretensie der Osmanen op het chalifaat zelfs bij niet-Mohammedaansche groote mogendheden wel erkenning vond.
De Turksche omwenteling en het panislamisme.
Al was het panislamisme niet georganiseerd, het stelde zich niettemin dikwijls in Mohammedaansch gebied onder Europeesch bestuur aan de normale ontwikkeling eener voor beide partijen gewenschte verhouding tusschen bestuurders en bestuurden in den weg; speculeerend op alle vormen van ontevredenheid, werkte het heimelijk als vredeverstoorder, zonder dat de gewekte of geprikkelde tweedracht eenig uitzicht op verbetering kon openen.
Bij alle Europeesche mogendheden moest het als een welkom gevolg van de revolutie van 1908 begroet worden, dat de Jong-Turken, die het herstel der constitutie afdwongen, met de middeleeuwsche vermenging van godsdienst en politiek wilden breken. De handhaving van den Islâm als staatsgodsdienst was hunnerzijds eene concessie aan de oude overlevering, die aan de volkomen gelijkstelling der belijders van alle godsdiensten als burgers van het Turksche rijk niet tekort mocht doen. Het herboren Turkije moest een moderne rechtsstaat zijn in den vollen zin des woords. Voor chalifaat en djihâd was in zulk eenen staat geene plaats. Turken en Arabieren, Grieken, Armeniërs, Joden, en wie nog verder onder de Halve Maan samenleefden, moesten in vrijheid, gelijkheid en broederschap samenwerken om Jong-Turkije tot eenen in het internationale leven geëerbiedigden staat te maken. Met de onder niet-Mohammedaansch bestuur levende geloofsgenooten der Turken zou het Osmanenrijk zich geene bemoeienis aanmatigen. Hoogstens zou de regeering, ingeval dezulken over miskenning hunner rechten te klagen hadden, wellicht vertoogen doen hooren van dezelfde soort als die Christelijke mogendheden zoo vaak tot Turkije gericht hadden naar aanleiding van vermeende verdrukking van Christenvolken onder Turksch bestuur.
Weldra bleken deze idealen vooralsnog veel te hoog gegrepen. De hebzucht der Europeesche mogendheden gunde aan Jong-Turkije niet de voor inwendige hervorming noodige rust. Op de geestdriftvolle harmonie van de eerste dagen der verlossing uit de klauwen van het despotisme volgde spoedig de herleving van den ouden binnenlandschen strijd, nu niet meer door gemeenschappelijke vrees voor den tyran in toom gehouden. Het Comité van Eenheid en Vooruitgang, dat voor of achter de schermen de zaken leidde, zag zich genoopt, eensdeels de gehate bestuursmiddelen van het despotisme weer aan te wenden, anderdeels ten koste van zijn eigen program vele concessies te doen, ook aan de Moslimsche orthodoxie en aan het geloof en bijgeloof der menigte. De feties van het chalifaat moest weer uit het museum van oudheden, waarin men het voorloopig had opgeborgen, voor den dag gehaald worden. Wat het daarmêe eng verbonden denkbeeld van djihâd betreft, de Europeesche mogendheden zorgden ervoor, dat dit niet vergeten werd. Turkije werd voortdurend tot djihâd gedwongen.
Djihâd en heilige oorlog.
Wanneer wij het woord djihâd door "heilige oorlog" weergeven, dan geschiedt dit met recht, in zooverre zulk een strijd voor de Mohammedanen, die hem voeren, een heilig, een godsdienstig karakter heeft. Maar men vergist zich, als men zich voorstelt, dat daarnevens iets als een onheilige of profane oorlog zou bestaan. De Islâm kent, afgezien van de als een politiemaatregel te beschouwen aanwending van het leger tot bedwinging van opstand tegen het wettig gezag, geen anderen oorlog dan den djihâd, en geen ander doel van den djihâd dan de verdediging der belangen van den Islâm tegen aanranding door niet-Mohammedanen of de uitbreiding van het gebied van den Islâm ten koste van de Dâr al-Harb, het gebied der ongeloovigen. De oorlogen, die Turkije onder Abdoel-Hamied tegen Rusland en tegen Griekenland te voeren had, zijn door Turken en Arabieren nooit anders dan djihâd genoemd, al was men voorzichtig genoeg om het gebruik dier middeleeuwsch-fanatieke benaming in het verkeer met Europeanen te vermijden. Hetzelfde geldt van den oorlog met Italië om Tripoli en van dien met de Balkanstaten. Voor de Mohammedanen, die op de oude wijze voortgaan, godsdienst en politiek te vermengen, bestaat geen andere oorlog dan godsdienstoorlog. Dat er een bijzonder edict van den Soeltan-Chalief noodig zou zijn om eenen oorlog van Turkije tot djihâd te stempelen, is alweer eene dier belachelijke wanvoorstellingen omtrent Mohammedaansche zaken, zooals er zoovele in Europa tot gangbare munt zijn geworden. De Turken plegen zulke domheden niet te bestrijden, maar zich in den omgang met Europeanen erbij aan te sluiten, als hun belang dit medebrengt. Voor geen Moslim ter wereld heeft echter, wanneer Turkije in een oorlog gewikkeld is, de vraag, of de Soeltan den heiligen oorlog heeft afgekondigd, een redelijken zin. Dit alles behoort men wel te bedenken, wil men de politieke gebeurtenissen der laatste dagen, voor zoover Turkije daarbij betrokken is, recht verstaan.
Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe.
Er zijn over die gebeurtenissen in Duitschland vlugschriften verschenen, die in sommige opzichten ook buiten Duitschland wel eenige aandacht verdienen. "Deutschland, die Türkei und der Islâm" heet het geschrift van Hugo Grothe, die op economisch gebied als competent geldt, en wiens vroegere werken de resultaten mededeelen van zijne onderzoekingsreizen in Europeesch en Aziatisch Turkije, in Perzië en Tripolitanië. Deze brochure maakt deel uit van eene reeks "Zwischen Krieg und Frieden", onder redactie van Irmer, Lamprecht en von Liszt, politieke opstellen voor het groote publiek; onder de medewerkers komt Fürst von Bülow voor.
Misverstand bij Grothe.
Waar Grothe het gebied der economische politiek verlaat, toont hij zich dadelijk vreemdeling. Het politieke Islâmvraagstuk staat hem bijv. niet duidelijk voor den geest. Het chalifaat noemt hij de wereldlijke vertegenwoordiging van de godsdienstige gemeenschap der Mohammedanen, eene wel wat flauwe uitdrukking van het denkbeeld, dat alle Mohammedanen in politieken zin rechtens onderdanen van den chalief zijn, die evenwel in de uitoefening zijner bestuursrechten ten aanzien van tegenwoordig 95% dier onderdanen verhinderd wordt door ongeloovige vorsten, wier gezag uit zijnen aard onwettig is. Maar nu citeert Grothe op eene andere bladzijde uit eene 8 Augustus door den Keizerlijken Gouverneur van Kameroen aan de Inlandsche bevolking gerichte proclamatie deze woorden: "Uns hilft ferner der Sultan in Stambul, der in Glaubenssachen der Oberherr aller Mohammedaner ist", en wel verre van de noodige correctie aan te brengen, noemt hij dezen officieelen onzin "von Interesse". Grothe's voorstelling, dat in het begin van den tegenwoordigen oorlog de "djihâd van Duitschland" het onderwerp van besprekingen en gebeden in de moskeeën van Turkije was, behoort wellicht tot de dichterlijke inkleeding, want wél vertalen wij djihâd ongeveer juist door "heilige oorlog", maar óns "heilige oorlog", zooals dat thans door iedere krijgvoerende partij op haar eigen strijd wordt toegepast, wordt geenszins door het Arabisch-Mohammedaansche djihâd weergegeven. Waar ouderwetsch vrome Mohammedanen dezen oorlog in het gebed gedenken, daar zal het gebed ongeveer aldus luiden: "Wij danken U, Allah, dat Gij de legerscharen des Duivels tegen zichzelve verdeeld hebt en dat Uw almacht sommigen hunner dwingt, de verdedigers van den Islâm met hunne wapenen en hunne mannen te steunen. Schik dit alles, o Heer, tot eene nabijzijnde zegepraal der geloovigen en tot ondergang van allen, die ongehoorzaam zijn aan U en Uwen Gezant." Zóó en zoo alleen is de opvatting van zúlke Moslims, die door de geschiedenis nog niet genoeg ontnuchterd zijn om het inzicht te deelen van den Turk, wiens woorden ik in den aanhef van dit opstel citeerde.
Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije.
Dichterlijke inkleeding van Grothe is het ook, wanneer hij een te Konia, Bundur en Sparta waargenomen aardbeving laat medewerken om de Turken te brengen tot het juiste inzicht in de beteekenis der catastrophe, die wij beleven; inkleeding, wanneer hij op zijne reizen Turken, Arabieren, Koerden en Anatoliërs steeds hoort getuigen van hunne sympathie voor Duitschland en denkbeelden over de politiek van den dag hoort uiten, die ook geen haarbreed van die van Grothe afwijken. Hoort uiten in talen, waarvan hij niets verstaat, want de twee Turksche uitdrukkingen, die Grothe te pas brengt, zijn in strijd met het idioom [4].
Dichter blijven wij bij de aarde, wanneer wij Grothe volgen in zijn overzicht van de economisch-politieke betrekkingen tusschen Turkije en Duitschland, zooals die zich sedert 1880 ontwikkeld hebben. Duitschland, zegt hij, is door een samenloop van ongunstige omstandigheden erg achteraan gekomen in het deelnemen aan den wedstrijd der Europeesche mogendheden om de economische en commercieele voordelen, die in het gebied van Turkije te behalen zijn. Eigenlijk zette de gunstige keer pas in met de concessie van den Anatolischen spoorweg aan een Duitsch syndicaat (1888), waarop later die van den Bagdadspoorweg volgde. Van de snelheid der beweging krijgt men eenige voorstelling door de cijfers van in- en uitvoerhandel tezamen tusschen Duitschland en Turkije voor 1888: 14 millioen, en voor 1913: 200-250 millioen mark. De concurrentie met Engeland, Frankrijk en Rusland maakte ook hier eene afbakening der belangensferen voor alle partijen gewenscht. Vóór den oorlog was het overleg zoo ver gevorderd, dat men in dit jaar het totstandkomen eener overeenkomst verwachtte, waarbij Engeland Zuid-Mesopotamië als economisch gebied zou krijgen, Frankrijk Syrië, Duitschland het gedeelte van Mesopotamië en Klein-Azië, dat ongeveer begrensd wordt ten Noorden door den 34sten en den 41sten graad Oosterlengte, en ten Zuiden door den 36sten en den 39sten graad Noorderbreedte, terwijl het Noorden van Klein-Azië voor spoorwegaanleg aan eene Fransch-Russische combinatie overgegeven zou worden.
Duitschland de redder van Turkije.
Duitschland zou in die economische invloedssfeer wel een weinig dankbaar, maar toch lang niet voldaan zijn geweest. Sedert Augustus is het begonnen, zich heel andere grenzen af te bakenen, altijd voor het geval, dat zijne gunstige verwachting van de krijgskans niet beschaamd wordt. Het heeft daartoe, volgens Grothe, het volste recht. Want men mag als zeker aannemen, dat in het voor Duitschland ongunstige geval Rusland niet aarzelen zou, het Turksche rijk te vernietigen. Nu Rusland den voor zijne ontwikkeling noodigen ijsvrijen zeeweg in het Verre Oosten niet kan vinden zonder conflict met Japan, in de Perzische Golf niet zonder strijd met Engelsche belangen, staat het voor het Tsarenrijk meer dan ooit vast, dat het Constantinopel moet bezitten. Engeland, dat zich vroeger steeds hiertegen verzet heeft, zou thans daartoe medewerken; het zou daarvoor Mesopotamië en Arabië als zijn gebied mogen beschouwen.
Alleen Duitschland kan Turkije redden, en het heeft daarbij een reusachtig belang, want alleen het behoud van de volkomen integriteit van het rijk der Osmanen maakt het voor Duitschland mogelijk, zijne daar verkregen economische positie te beschermen en te verhoogen. Bovendien is Duitschland onder de groote mogendheden, waarmee Turkije te rekenen heeft, de eenige, die geen duimbreed van dit land zou willen, of zelfs zou kunnen annexeeren. Duitschlands geographische ligging zou het verhinderen, zulk bezit afdoende tegen aanvallen te verdedigen en er profijt van te trekken. Daarom is Duitschland gedurende de kwarteeuw van zijne intieme relaties met Turkije altijd de eenige betrouwbare vriend van het rijk van den Soeltan-Chalief geweest. Er bestaat tusschen beide landen, buiten alle gevoelsquaesties, eene in den aard der zaken gegronde gemeenschap van belangen, terwijl de belangen van alle andere groote mogendheden slechts ten koste van Turkije's welzijn, ja eindelijk van zijn bestaan, te bevorderen zijn.
Turkije heeft dit niet altijd ten volle zoo ingezien; er viel een zeker wantrouwen te overwinnen, gekweekt door de oneerlijke concurrentie van Duitschlands benijders en deels ook bevorderd door Duitschlands vaak te zwakke politiek. Maar nu zijn den Jong-Turken, die het roer van den staat in handen hebben, de schellen van de oogen gevallen. Men schijnt te Constantinopel nog slechts op Duitsche overwinningen in Noord-Frankrijk en Galicië te wachten--Grothe schreef vóór de Turksche oorlogsverklaring--om zich met Duitschland en Oostenrijk tegen de Verbonden Mogendheden te vereenigen. Het Turksche leger, dat reeds zooveel voor zijne organisatie aan Duitsche leering en leiding te danken heeft, zal, om zijne taak te volbrengen, groote behoefte hebben aan Duitsche hulp en steun, maar dan zal het ook een niet te versmaden medewerker zijn. Dit laatste vooral, indien de Chalief den "grooten heiligen oorlog", den djihâd afkondigt.
De door Grothe gewenschte djihâd.
Hier raakt nu Grothe te eenen male de kluts kwijt, daar hij niet weet, dat elke door Turkije gevoerde oorlog voor Mohammedanen van den ouden stempel, die de intellectueele beweging van het Mohammedaansche Oosten der laatste jaren niet medegemaakt hebben, een djihâd is. De vraag is voor dezulken niet: "djihâd of profane oorlog?" maar: "aan wien wordt door Turkije de djihâd verklaard?" En dan, gesteld, dat het antwoord luidt, zooals Grothe zich dat voorstelt, namelijk djihâd "tegen alle mogendheden, die Mohammedaansche landen hebben opgeslokt en den Islâm aldus van zijnen glans hebben beroofd," dan blijft de vraag, of inderdaad, zooals Grothe hoopt en verwacht, de Mohammedaansche volken onder Europeesch bestuur zóózeer onder de betoovering van de namens Soeltan Mehmed Resjâd gedane oproeping tot den krijg zullen komen, dat zij hunne meesters "hier heimlich und verschlagen, dort mit fanatischer Kühnheit" op het lijf zullen vallen. Grothe ziet in zijne verbeelding reeds, hoe "der so aufgerollte Glaubenskrieg"--zoo noemt hij het zonder omwegen--voor Engeland "den Niedergang seiner Grösse" beteekenen zal.
De fetwa over den heiligen oorlog.
Wij weten, dat Turkije op dit oogenblik bezig is, de door Grothe en zijne geestverwanten aanbevolen proef te nemen met zulk eenen godsdienstoorlog. De hoogste wetgeleerde autoriteit te Constantinopel, de Sjeich oel-Islâm, die sedert de revolutie van 1908 steeds een creatuur en een werktuig is van het Jong-Turksche Comité, heeft met "Ja" geantwoord op eene reeks van vragen, die hem voorgelegd zijn door den onbeduidenden opvolger van Abdoel-Hamied, met wien de leiders van het Jong-Turksche Comité alles doen, wat zij willen. In werkelijkheid vormen die vragen en antwoorden [5] samen eenvoudig eene proclamatie van Enver en Talaät, de leidende Comité-ministers, en doen de vrager (de Soeltan) en degene, die het antwoord geeft (de Sjeich oel-Islâm), daarbij den dienst van marionetten. Die proclamatie van de mannen van het Comité van Eenheid en Vooruitgang (waarmeê N.B. oorspronkelijk de eenheid der verschillende naties onder de Halve Maan en haar vooruitgang als moderne staat bedoeld werden) komt hierop neer, dat, wanneer de Vorst aller Mohammedanen den heiligen oorlog verklaart aan den vijanden van den Islâm, die de landen van den Islâm plunderen, en de bevolking dier landen slachten of tot slaven maken, het de plicht van alle Mohammedanen in de wereld is, met goed en bloed aan dien oorlog deel te nemen, dat dus inzonderheid ook de Mohammedaansche onderdanen van Frankrijk, Rusland en Engeland tot zulke deelname verplicht zijn, dat zij, die dezen plicht verzuimen en den strijd vermijden, zich den toorn Gods op den hals halen, dat echter Mohammedanen, die onder het bestuur der genoemde mogendheden of hunner bondgenooten leven en met dezen samen oorlog voeren tegen Duitschland en Oostenrijk, de helpers van Turkije, eene groote zonde begaan, die zeker Gods toorn medebrengt. Deze kennisgeving van hetgeen de Goddelijke wet volgens den rijksuitlegger derzelve in hare toepassing op den politieken toestand van het oogenblik leert, diende als grondslag voor een op 12 November uitgegeven manifest van den Soeltan tot leger en vloot.
Het manifest van den Soeltan.
Dit manifest stelt voorop, dat Rusland, met Engeland en Frankrijk, de vijandelijkheden begonnen is, dat Turkije dus tot het opvatten der wapenen gedwongen werd, dat Rusland trouwens reeds drie eeuwen lang geene gelegenheid ongebruikt liet om Turkije te benadeelen, dat millioenen Mohammedanen onder het tyrannieke bestuur der genoemde mogendheden zuchten, dat daarom de heilige oorlog verklaard is, van welks uitslag niet alleen het welzijn van het Turksche rijk, maar ook het leven en de toekomst van 300 millioenen Mohammedanen--deze schatting is overgenomen uit de rede, die de Duitsche Keizer in 1898 bij het graf van Saladijn te Damascus hield; de bevolking schijnt dus in de sedert verloopen 16 jaren niet toegenomen te zijn--afhangen. De genade van Allah en de bijstand van den Profeet zullen de in de samenwerking met Duitschland en Oostenrijk ondernomen bestrijding van de vijanden van den Islâm tot overwinning voeren.
De groote demonstratie.
Constantinopel zou Constantinopel niet zijn, wanneer deze extravagante uitingen van het Comité niet gevolgd waren door eene betooging, eene numâjesj. Toen ik in 1908 de eerste twee maanden der door militairen onder leiding van het Comité bewerkte revolutie bijwoonde, ging er geen dag voorbij zonder een aantal van die numâjesj; menschenmassa's, die achter een paar vlaggen met "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" aanholden, bij sommige publieke gebouwen of woningen van autoriteiten halt hielden en daar redevoeringen toejuichten, waarvan niemand iets verstaan kon. Vroeg men aan de toejuichers, waarom het ging, dan kreeg men ten antwoord: "revolutie, vrijheid, de politie is immers afgeschaft" en dergelijke. Zoo hebben ook nu de Comitémannen de bevolking op 14 November gedurende acht volle uren op een numâjesj onthaald.
In de moskee van Mehmed den Veroveraar, die herinnert aan de grootste overwinning der Turken op het Christendom, de verovering van Byzantium in 1452, werden de hierboven geresumeerde vragen en antwoorden voorgelezen, de fetwa dus over den heiligen oorlog. Gebeden werden uitgesproken, lange toespraken gehouden, aan het gejuich kwam geen eind. De stoet trok door de voornaamste wijken der stad, maakte zijne opwachting bij den Groot-Wezier en den Soeltan, en..... demonstreerde voor de Duitsche en Oostenrijksche gezantschappen. Nazim-bey en Moechtar-bey, trouwe Comité-mannen, complimenteerden respectievelijk den Duitschen en den Oostenrijkschen Gezant, en hunne redevoeringen werden door de ambassadeurs beantwoord. De in de Duitsche ambassade gewisselde toespraken zouden door Dr. Grothe niet anders zijn opgesteld. De Duitsche Gezant sprak namelijk niet alleen van Duitschland en Turkije, maar van hun gemeenschappelijken strijd voor het wezenlijk heil der Mohammedaansche wereld, van de Duitsche vriendschap voor het Osmanenrijk, maar vooral voor de belijders van den Islâm, welke allen na de overwinning der Duitsche en Turksche wapenen eene schitterende toekomst tegemoet gaan. De Oostenrijksche Gezant is iets voorzichtiger en minder Mohammedaansch geweest in zijn antwoord en heeft alleen gesproken van den heiligen oorlog, dien het Osmanenrijk gezamenlijk met Oostenrijk voerde, en van de sympathie, die Oostenrijk met Turkije verbond. Maar de geheele vertooning heeft toch op die Mohammedanen, die niet als wij daarbij bovenal aan eene Offenbach-operette herinnerd werden, zoo eenigen, dan alleen dezen indruk kunnen maken, dat Duitschland en Oostenrijk zich in dienst van Turkije gesteld hadden voor het voeren van een djihâd, want uit eigen hoofde kan van de drie alleen Turkije in djihâd gewikkeld zijn. Eenen oorlog tusschen kafirs onderling met den naam djihâd te bestempelen, is voor goede Mohammedanen godlasterlijk of bespottelijk.
Becker's voorstelling der zaak.
Grothe heeft dus niet alleen waar hij de economisch-politieke betrekkingen van Duitschland in het naaste verleden en in de toekomst besprak, maar ook waar hij over het opwekken van het sluimerende Mohammedaansche fanatisme in het belang van Duitschland handelde, het gevoelen van heerschende kringen in zijn vaderland weergegeven. Dit maakt het mij iets minder onverklaarbaar, dat ook mijn waarde vakgenoot, Prof. C. H. Becker te Bonn, die tot vóór korten tijd de Islâmwetenschap aan het Kolonial Institut te Hamburg met eere vertegenwoordigde, in den onwaarschijnlijken djihâd-roes, die thans de Duitsche politici schijnt te bezielen, is medegesleept. Zijn vlugschrift "Deutschland und der Islâm" [6] ademt denzelfden geest als dat van Grothe, al onderscheidt het zich gunstig hiervan door meer bezadigden toon en vooral, het spreekt wel vanzelf, door kennis van den Islâm. Becker vult verder Grothe's toekomstbeeld van de betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije belangrijk aan door in zijn program van de bescherming der integriteit van Turkije op te nemen de militaire en politieke wedergeboorte van het rijk der Halve Maan, zóó dat het herschapen worde in een modernen rechtsstaat met een eerbiedwekkend leger. Niet alleen Duitsche fabrikaten en kapitaal, neen ook Duitsche geest moet in Turkije gaan werken. Dit laatste volgens eene betere methode dan de door Frankrijk of door Engeland in hunne koloniën toegepaste: "eine gesunde Volksschulbildung nach modernen Methoden, aber auf der Basis des überlieferten orientalischen Bildungsinhalts und getragen von den besten Kräften der islâmischen Religion." Hierop komen wij nog terug. Eerst nog een paar opmerkingen in verband met de voorstelling, die men aan de geschriften van Grothe en Becker samen ontleenen kan, van de ontwikkeling der politieke harmonie tusschen Duitschland en Turkije, met terzijdestelling voorloopig van hetgeen zich met het chalifaat en het Moslimsch fanatisme laat bewerken.
De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije.