Part 11
Als student hoorde ik eens eene voordracht van Ernest Renan over de vraag: "wat maakt eigenlijk eene natie?" Het antwoord kwam in hoofdzaak hierop neer: het waarlijk constitueerende element eener natie, dat is noch ras noch huidskleur, noch taal noch godsdienst noch natuurlijke grens, het is: "le désir d'être ensemble". Met deze phrase moge lang niet alles gezegd zijn, een deel der waarheid bevat zij toch ongetwijfeld. Ook wij kennen dat gevoel, trots verschil in afstamming, in levenssfeer, in hoogte van beschaving, en in weerwil van alle getwist op staatkundig en godsdienstig gebied, als het erop aankomt, toch als Nederlanders bijeen te willen blijven. Welnu: de edelste vertegenwoordigers van eene groote volkengroep, die sinds lang onder ons staatsbestuur staat, vragen ons met aandrang, hen en de hunnen als adoptieve kinderen in ons nationale gezin op te nemen. Reiken wij hun de hand, en laat ons dan het wederzijdsche verlangen naar nationaal samenleven, "le désir d'être ensemble", omzetten in flinke daden, die toonen, dat ons kleine volk nog altijd tot iets groots in staat is.
V.
DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).
De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen.
Ruim tien jaren geleden had ik met eenen Turk van hooge intellectueele ontwikkeling een gesprek over godsdienstig fanatisme en den invloed daarvan op politieke verhoudingen. Hij besloot zijne beschouwingen over dit onderwerp ongeveer als volgt: "In vroegere eeuwen plachten de menschen in de beschaafde wereld elkander het leven te benemen wegens verschil van meening over de geheimen der andere wereld. Thans is de menschheid, lof zij Allah, over die barbaarschheid heen en ieder mag gelooven, wat hij wil. Maar wat helpt ons dit, zoolang over economische en politieke belangen oorlogen gevoerd worden, die in fanatisme voor de vinnigste godsdienstoorlogen niet onderdoen, terwijl de reusachtige vorderingen der techniek de moorddadige uitwerking van den strijd steeds verhoogen? Van een kalm genieten der met moeite verkregen gewetensvrijheid kan daarbij geen sprake zijn."
Deze ontboezeming komt telkens weer in mijne herinnering naar voren in verband met hetgeen wij nu beleven. Nadat de groote menschengroepen, die door verschil van politieke en economische belangen uiteengehouden worden, jarenlang een belangrijk deel van hun intellectueel en materieel vermogen besteed hebben aan het uitdenken van middelen om in de volheid des tijds elkander te vernietigen, is eindelijk de lang verwachte vonk in de opeengehoopte brandstof gevallen. Al de strijdenden gruwen van het denkbeeld der verantwoordelijkheid voor de misdrijven tegen de menschelijke samenleving, die zij gezamenlijk plegen, en het eenige, waarin zich de overigens non-actief gestelde gemeenschappelijke cultuur nog uit, is eene vervelende reeks van betoogen, waarin ieder den ander de schuld geeft van hetgeen allen samen met zorg hebben voorbereid. De sceptische ironie van mijn Turkschen vriend was niet ongegrond. Wij leeren er trouwens niets nieuws uit. Alleen in zóóverre mag zijne uitspraak voor diegenen onder ons, die de Mohammedaansche wereld weinig kennen, iets verrassends hebben, als daarin door een Turk de algemeene godsdienstvrede en gewetensvrijheid zoo zonder voorbehoud als een verworven zegen erkend wordt. Uit dit oogpunt beschouwd hebben de aangehaalde woorden te hooger waarde, omdat zij de meening van alle Turksche intellectueelen over het vraagstuk van den godsdienst vrij nauwkeurig uitdrukken.
Contrast dier meening met de wet van den Islâm.
Deze verdraagzaamheid schijnt onvereenigbaar met hetgeen de Mohammedaansche wet omtrent de verhouding tot aanhangers van andere godsdiensten voorschrijft. Volgens die wet, die in haar geheel aanspraak maakt op goddelijk gezag, moet immers de geheele menschenwereld aan de Mohammedaansche gemeenschap onderworpen, zooveel mogelijk ook in geestelijken zin bij haar ingelijfd worden. Ter bereiking van dit doel behoort de gemeente der geloovigen djihâd te doen, d. i. "heiligen oorlog" te voeren tegen allen, die nog buiten de sfeer van haar gezag leven. De leiding van den djihâd, de bepaling van tijd, plaats en middelen, is een der hoofdplichten van het hoofd der gemeente, den chalief, den opvolger van Mohammed in diens hoedanigheid van opperbestuurder, opperrechter en opperbevelhebber der Moslims. Al naar mate de belangen van den Islâm het volgens zijn inzicht medebrengen, voere hij dien krijg met meer of minder kracht of late hij dien zelfs tijdelijk rusten. Tot eene staking van het offensief tegen eene ongeloovige mogendheid voor meer dan tien jaren mag hij zich onder geene omstandigheden verbinden. Aan belijders van den Joodschen, Christelijken en daarmee gelijkgestelde godsdiensten wordt, mits zij zich aan het Mohammedaansche staatsgezag onderwerpen en met de positie van onderdanen zonder burgerrecht genoegen nemen, met zekere beperkingen de uitoefening van hunnen godsdienst toegestaan; bij eigenlijke heidenen moet de onderwerping met bekeering gepaard gaan.
De grondslagen van het program van den heiligen oorlog.
Het djihâd-program gaat uit van de onderstelling, dat de Mohammedanen voortdurend, evenals bij hun eerste optreden in de wereld, een gesloten geheel vormen onder éénhoofdige leiding. Deze toestand heeft evenwel in de werkelijkheid zóó kort bestaan, het gebied van den Islâm is zóó spoedig in een steeds grooter aantal vorstendommen uiteengevallen, het oppergezag van den zoogenaamden chalief is na korten bloei zóózeer tot een ijdelen naam geworden, dat ook de djihâd-voorschriften zich aan de gezagsverbrokkeling hebben moeten aanpassen. Gelijk in de meeste andere opzichten, zoo ook ten aanzien van het voeren van den heiligen oorlog draagt dan de wet de bevoegdheden en plichten van den éénen chalief aan de verschillende landshoofden op, ieder voor zijn machtsgebied. Nu spreekt het vanzelf, dat deze overdracht van het gezag van éénen op velen zeer vereenvoudigend werkt voor al hetgeen het bestuur binnenslands betreft; maar even duidelijk is het, dat die verbrokkeling de voortzetting van den wereldveroveringsoorlog, zooals die in de eerste eeuw van den Islâm was ingezet, onmogelijk maakte.
Er waren trouwens nog tal van andere oorzaken, die de eerst toomlooze vaart der Moslimsche legerscharen stuitten. Men kwam tot grenzen, waar de geboden weerstand niet zoo dadelijk te breken viel, en het genot van het verkregene verslapte de energie. De veroveringsdaden der eerste geslachten werden toen in de verbeelding der lateren geïdealiseerd, gereinigd van hetgeen ze ontsierde, en de theorie harer gewenschte voortzetting werd uitgewerkt, in te meer casuïstische bijzonderheden, naar mate de toepassing verder buiten de sfeer van het mogelijke kwam te vallen. Het oorlogsrecht kenmerkte zich door een streng in-het-oog-houden van het doel: uitbreiding van den waren godsdienst of anders toch van het gezag zijner vertegenwoordigers, en verder door het vermijden van alle wreedheid in de keuze der middelen. Alleen waar een Mohammedaansch gebied wordt aangevallen door eene ongeloovige macht, daar wordt aan de geheele bevolking de plicht der verdediging opgelegd. Offensief optreden is slechts dan gerechtvaardigd, wanneer het bevel ertoe en de regeling ervan uitgaan van een erkend staatshoofd. Waar ongeloovigen erin slagen, eene Moslimsche bevolking te onderwerpen, moet deze niet in een toestand van ondergeschiktheid berusten, maar de eerste gelegenheid aangrijpen om òf het juk af te schudden òf te emigreeren naar een zelfstandig Moslimsch land, zoowel om het gevaar, waarmêe het eigen geloof bedreigd wordt, af te wenden, als om de gelederen der geloovigen tot den strijd tegen den vijand, d. i. de niet-onderworpen andersgeloovigen, te versterken. Al duurt de onmogelijkheid van afdoend verzet en van emigratie ook eeuwen lang, toch mag men de daardoor ontstane verhouding van afhankelijkheid van een niet-Mohammedaansch staatsgezag niet anders dan als voorloopig en abnormaal aanvaarden.
Middeleeuwsch karakter van dat program.
Het geheele samenstel van wetten, dat volgens den Islâm de verhouding van geloovigen tot ongeloovigen zou moeten beheerschen, is de meest consequente uitwerking, die men zich denken kan, van de vermenging van godsdienst en politiek in haar middeleeuwschen vorm. Dat hij, die de materieele macht heeft, ook over de geesten dwang uitoefent, geldt daarbij als volkomen natuurlijk; de mogelijkheid van het samenleven der belijders van verschillende godsdiensten als gelijkgerechtigde burgers van éénen staat, acht men uitgesloten. Zoo was het in de middeleeuwen niet alleen bij de Mohammedanen; vóór en zelfs nog lang na de reformatie dachten onze voorouders er niet veel anders over. Het verschil ligt voornamelijk hierin, dat de Islâm al die middeleeuwsche gedragsregelen in den vorm van eeuwig geldende wetten heeft vastgelegd, zoodat dus een later geslacht, ook al wijzigt zich het inzicht, zich niet gemakkelijk ervan emancipeeren kan. Te moeielijker werd die losmaking, omdat èn de groote menigte èn het gros der schriftgeleerden zich te steviger aan dat bedenkelijke erfdeel van het voorgeslacht vastklemden, hoe meer de omstandigheden met de verwerkelijking van dit gewelddadige program schenen te spotten. Aan de opvoeding der menigte is nu eenmaal in de landen van den Islâm alle eeuwen door weinig zorg besteed, en het denkbeeld eener toekomstige wereldbeheersching was te vleiend voor hare ijdelheid om dit zoo maar prijs te geven. De wetgeleerden hadden in hunne bekrompenheid geen deel aan de volheid van het werkelijke leven; angstvallig bewaarden zij de vormen der oude idealen, zonder zelfs te bemerken, dat de inhoud eraan ontvloden was. Voor hen gold en geldt de waardeering der godsdienstvrijheid door intellectueele Turken gelijk mijn vriend van daarstraks als eene lichtzinnige concessie aan den verdorven tijdgeest.
Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed.
Toch ging de beweging der geesten haren gang, in de laatste eeuw met vaak verrassende snelheid. Juist door de stroefheid der Mohammedaansche samenleving en de achterlijkheid en corruptheid der Mohammedaansche staatsbesturen kwam gaandeweg het geheele gebied van den Islâm, in tegenstelling met zijn zelfbewust program van wereldverovering, onder den invloed van Europa. Het is al zoover gekomen, dat meer dan 90% van alle Mohammedanen in wingewesten of protectoraten onder politieke leiding van Europeesche mogendheden leven, terwijl de zelfstandigheid van het overblijvende gebied, voornamelijk Turkije, alleen in schijn gehandhaafd wordt door zekere handigheid in het balanceeren tusschen de groote mogendheden, die elkander de voogdij betwisten.
Al die aanrakingen tusschen het gebied van den Islâm en de buitenwereld, die op dit totale verlies zijner politieke onafhankelijkheid zijn uitgeloopen, danken haar eerste ontstaan aan de behoefte van Europa aan economische expansie, aan het eigenbelang dus der volken, die het middeleeuwsche stof wisten af te schudden en de Mohammedanen in geestelijken en materieelen zin voorbijstreefden. Eerst later maakte het bekrompen denkbeeld der exploitatie plaats voor dat der annexatie, straks dat der volle inlijving van de veroverde landen in dezen zin, dat de bevolking moest worden opgevoed tot de voor haar bereikbare en gewenschte deelname aan de cultuur der overheerschers. Dit ging niet ineens; de strijd tusschen het egoïsme der voogden en hun plichtbesef jegens hunne pupillen is nog in vollen gang. Maar de Europeesche voogden, zelfs zulke, wien de consequente toepassing der nieuwere beginselen nog vaak te zwaar valt, schamen zich nu reeds voor het belijden van een ander bestuursbeginsel dan dat der zuivere harmonie van alle belangen van twee volken, waarvan de geschiedenis het eene heeft gesteld onder leiding van het andere. De Mohammedanen onder direct of indirect Europeesch bestuur hebben hiervan al veel voordeel gehad, en men mag zeggen, dat zij er in het algemeen beter aan toe zijn dan hunne geloofsgenooten in de quasi-zelfstandige staten, waar zij de nadeelen ondervinden zoowel van een corrupt bestuur als van den wedijver om economische winste tusschen de groote machthebbers van het Westen. De druk, waaronder in een land als Turkije de bevolking zucht, heeft evenwel toch ook de zucht naar geestelijke ontwikkeling geprikkeld; de Jong-Turksche beweging der laatste jaren getuigt er luide van.
In de hooger ontwikkelde kringen van alle Mohammedaansche landen is het besef algemeen geworden, dat de middeleeuwsche vermenging van godsdienst en politiek, welke het stelsel van den Islâm voor altijd wilde handhaven, niet van onzen tijd is. Zoozeer zijn de Mohammedanen in de wereld de staatkundig en maatschappelijk minderen geworden, dat het denkbeeld eener op hunnen godsdienst gegronde wereldheerschappij alleen voor de onwetenden iets van zijne bekoring kon behouden. De overigen schamen zich bijna voor de aanmatiging, die ons uit de leer van den djihâd tegenklinkt, en geven zich alle moeite om te betoogen, dat de wet zelve de toepassing ervan beperkt tot omstandigheden, die zich nu niet meer voordoen.
Chalifaat en Djihâd.
De les der verdraagzaamheid prentte zich het moeielijkst in bij die volken, die in het politieke glorietijdperk van den Islâm vooraan gestaan hadden, het allermoeielijkst bij de Turken, die in het laatste roemtooneel de hoofdrol speelden. Toen in 1258 Bagdad door de Mongolen verwoest en het daar sedert ruim vijf eeuwen gevestigde Abbasiedenchalifaat weggeveegd werd, geraakte de Mohammedaansche wereld niet uit hare voegen, zooals geschied zou zijn, indien dat chalifaat nog iets met de centrale leiding van de gemeenschap der Mohammedanen te maken gehad had. Inderdaad had dit vorstenhuis al drie en een halve eeuw op den flauwen naglans van zijn kortstondigen roem geleefd, en dat het in dien tijd niet door een der vele machtige soeltans verdrongen werd, dat dankte het voor een goed deel juist aan zijne practische onbeduidendheid. Zóó onbeduidend waren de naamchaliefen geworden, dat Europeesche schrijvers zich soms hebben laten verleiden, hen als eene soort van kerkvorsten van den Islâm voor te stellen, die willens of onwillens hun wereldlijk gezag aan de vele landvorsten van het wijde gebied van den Islâm hadden overgedragen. De totale afwezigheid van wereldlijk gezag scheen hun, in verband met den toch vaak gebleken eerbied des Moslims voor het chalifaat, alleen bij de onderstelling van een geestelijk gezag, van eene soort van Mohammedaansch pausdom denkbaar. Toch heeft zoo iets nooit bestaan, en de Islâm, die priesters noch sacramenten kent, zou er ook geen plaats voor gehad hebben. De menigte had daar, gelijk elders, de legende liever dan de werkelijkheid: zij dacht zich den over de gansche Moslimsche gemeente wakenden opvolger van den Profeet, zooals die in de eerste twee eeuwen na de Hidjrah volgens de historische overlevering werkelijk had bestaan, als voortbestaande, lang nadat het instituut van het chalifaat in de politieke ontaarding van den Islâm was ondergegaan. Maar niet als paus stelde zij zich hem voor, neen als opperregeerder, vooral als amier al-moe'minien, aanvoerder van de legerscharen van den Islâm, die eenmaal de heele wereld voor zijn gezag zouden doen buigen.
De chalief, de stedehouder van den Gezant van Allah, en de djihâd, de heilige oorlog tegen de gansche wereld buiten den Islâm: aan deze beide namen was onafscheidelijk de herinnering van die schitterende tweehonderd jaren verbonden, waarin de loop der gebeurtenissen aan de pretensie van wereldverovering door het Mohammedanisme gelijk scheen te geven. Wat in de werkelijkheid onderging, bleef in de legende voortleven; de vereering der schimchaliefen van Bagdad maakte het voor vele Mohammedanen gemakkelijker, de verijdeling van hun staatkundig ideaal te vergeten.
Het chalifaat der Turksche soeltans.
Toen Bagdad gevallen en een groot deel der Abbasiedenfamilie uitgemoord was, bleef dat politieke fetisisme nog nawerken; de Soeltans van Egypte trokken er partij van door een der aan den moord ontkomenen in hunne hoofdplaats de traditie van het schijnchalifaat te doen voortzetten en zoo den indruk te vestigen, dat hun gebied nu het middelpunt van den Islâm geworden was. Maar deze schaduw van een schaduw moest geheel verbleeken, toen de zon der Osmanen hare middaghoogte bereikte. Onder hunne leiding deed de Islâm zijne laatste poging om, wel niet de wereld te onderwerpen, maar toch eene wereldmacht van den eersten rang te worden. Hun gelukte het, Constantinopel (1452) te veroveren, waaraan de grootste Moslimsche vorsten van voorheen hunne krachten vergeefs hadden beproefd. Toen zij nu in 1517 Egypte, en in het gevolg daarvan ook de provincie der heilige steden van Arabië, Mekka en Medina, onderworpen hadden, vonden zij zich sterk genoeg om te pogen, de traditie van het werkelijke chalifaat te doen herleven of althans de rol van feties zelf op zich te nemen. Hiervan weerhield hen zelfs niet het uitdrukkelijke voorschrift der wet, dat afstamming van den edelen Arabischen stam van Qoraisj als vereischte stelt aan hem, die het chalifaat zal bekleeden. Drogredenen van gedienstige wetgeleerden hielpen hun om dit bezwaar ter zijde te stellen, en de menigte verzette zich tegen deze kunstgrepen niet, nu de droombeelden, die zij met het chalifaat verbond, werkelijkheid schenen te worden. Wie Klein-Azië, Syrië, Egypte, West-Arabië en Mesopotamië beheerschte, het Byzantijnsche rijk veroverd had, en door een groot deel van Europa als een geduchte vijand beschouwd werd, mocht gerust zijn zwaard als feties in de plaats stellen van den krachteloozen stamboom der Abbasieden.
Het aldus herboren chalifaat miste derhalve traditioneele kenmerken van beteekenis, en het kon ook in andere opzichten niet als de regelmatige voortzetting van het oude beschouwd worden. Van de oudste Mohammedaansche landen bleven verscheidene geheel buiten de Turksche invloedssfeer; en dat niet alleen zulke, waar zooals in Perzië eene aan de Turken vijandige dynastie de vaan der ketterij ontplooide, maar bovendien volkomen orthodoxe rijken in Centraal-Azië, in Indië, in Noordwest-Afrika, waar het Turksche zwaard geene gelegenheid vond zich te doen gelden. In Marokko werd zelfs het Turksche chalifaat rechtstreeks verloochend doordien de locale vorsten, afstammelingen van den Profeet, zelf den hoogsten titel aannemen. Elders weer ontstonden gelijktijdig met of na de opkomst der Osmanen nieuwe Mohammedaansche rijken, die nooit met eenig werkelijk of vermeend politiek centrum van den Islâm in contact gekomen zijn; zoo in het Verre Oosten van Azië en in Centraal-Afrika.
Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen.
De aanmatiging van den chaliefentitel door de Osmanen-soeltans had inderdaad slechts deze beteekenis, dat zij in hunne politieke glansperiode zoo ondubbelzinnig mogelijk vastgesteld wilden zien, dat geen ander Moslimsch vorst zich in beteekenis met hen kon meten. Dit kon niet doelmatiger geschieden dan door de toevoeging aan al hunne wijdsche Turksche en Perzische titels van den naam van het hoogste ambt, dat ooit in den Islâm bestaan had. Aan hunne macht heeft die eeretitel van chalief nooit iets toegedaan; zij beheerschten alleen hetgeen hunne legers veroverd hadden en oefenden buiten dat gebied niet den minsten invloed.
Het Turksche zwaard verloor weldra veel van zijne scherpte; lang vóórdat de politiek der Europeesche groote mogendheden het eene stuk na het andere van het Osmanenrijk afknabbelde, hadden zich verscheidene provinciën tot zelfstandige leenrijken onder erfelijke dynastiën ontwikkeld. Sedert Turkije, in zijn politiek gedrag geheel van niet-Mohammedaansche mogendheden afhankelijk, nog slechts ongeveer 5% van de Mohammedanen der wereld zijne onderdanen noemt, zou het hoogst belachelijk klinken, den soeltan van dat rijk "Stedehouder van den Gezant Gods, Opperbevelhebber der Geloovigen" te hooren noemen, indien men niet ook buiten Turkije aan veel traditioneele dwaasheid in vorstelijke titels gewoon was.
Panislamitisch streven van Abdoelhamied.
Juist in de laatste eeuw is het aan de Turken door een samenloop van omstandigheden soms gelukt, uit dien met twijfelachtig recht gevoerden, zinledig geworden titel wat kleine munt te slaan.
De duizendvoudig vermeerderde verkeersmiddelen hebben ook Mohammedaansche volken, die vroeger elkanders bestaan niet of nauwelijks kenden, met elkaar in aanraking gebracht. De ongeveer 230 millioen Moslims, die onder niet-Moslimsch bestuur leven, beschikken meerendeels niet over genoeg historisch geheugen om te begrijpen, dat de bestuursverandering voor hen eene verbetering geweest is. Het politieke verleden van den Islâm zien zij enkel door den sluier der legende, en wanneer het heden hun tot grieven en bezwaren stof biedt--en waar ontbreken die?--, dan zijn zij licht geneigd te gelooven, dat al die klachten verholpen zouden zijn, wanneer slechts de Heer der Geloovigen zich met hunne belangen kon bemoeien. Van het wanbestuur, waaronder de werkelijke onderdanen des Soeltans van Turkije zuchten, hooren zij weinig en ondervinden zij niets. En de Soeltan, die het in dit opzicht het ergst gemaakt heeft, totdat hij in 1909 door zijne onderdanen afgezet en verbannen werd, heeft met meer ijver en met meer succes dan een zijner voorgangers aan de verbreiding der valsche droombeelden omtrent het Chalifaat onder de Mohammedanen gewerkt. Zijne listige, maar kortzichtige politiek, die zijn eigen rijk steeds nader bij den ondergang bracht, zocht troost voor menigen tegenslag in panislamitische intrigues, op touw gezet door gewetenlooze, maar meestal onkundige en onhandige handlangers, die aan de goedgeloovigen een ideaal chaliefenbeeld vertoonden en beweerden, dat dit het welgelijkend portret van Abdoelhamied was.
Geene organisatie van het panislamisme.
Men heeft vaak gesproken van eene organisatie van het panislamisme onder leiding van Abdoelhamied. Ten onrechte. In 1897 heb ik, naar aanleiding van eenige vuile, in het geheim verspreide pamfletten, die de intiemste raadgevers van den Soeltan in hun wedijver om diens gunst tegen elkander losgelaten hadden, gepoogd een beeld te geven van de geestelijke atmosfeer, waarin die despoot leefde [2], en toen ik in 1908 de eerste twee maanden der revolutie te Constantinopel bijwoonde, vond ik van de juistheid van dat beeld de volle bevestiging [3]. Die bende van bekrompen kuipers was allerminst geschikt om eene ernstige internationale beweging te leiden. Zij exploiteerden de met enkele Mohammedanen van aanzien uit niet-Turksch gebied aangeknoopte betrekkingen tot verhooging van eigen aanzien en voordeel, zonder werkelijk nut voor de wederopwekking van het doode chalifaat. De vestiging van eenige Turksche consulaten in Mohammedaansche landen onder Europeesch bestuur trof evenmin doel. Men vergat gewoonlijk den consuls hunne tractementen uit te betalen; de consuls kenden niet eens de talen der bevolkingen, waaronder zij leefden, en deden geen moeite om ze te leeren. Hunne meestal zeer "vrijzinnige" levenswijze diende niet om het respect voor hunnen zender te verhoogen.
Het panislamisme kan nu eenmaal niet met een ander program werken dan met het versletene, voor verwezenlijking onvatbaar geblekene der wereldverovering door den Islâm en dit heeft op de verstandige belijders van den Islâm geen vat meer, terwijl het onder de domme menigte, die nog voor de bekoring van den strijd tegen alle kafirs vatbaar is, alleen verwarring en onrust stichten kan. Het kan hoogstens plaatselijke stoornis verwekken, nooit in eenigen zin opbouwend werken.
De chalief geen kerkvorst.