Part 10
Van inrichtingen als de onlangs opgerichte desascholen heb ik geene hooge verwachting; kwaad zullen zij wel niet teweegbrengen, maar als een reuzenschrede in de richting der associatie zal ook de grootste optimist deze instelling niet beschouwen. Belangrijke nieuwe proefnemingen op dit gebied zag ik liefst uitgesteld totdat wij daarbij gebruik kunnen maken van de voorlichting eener talrijke groep van hoog ontwikkelde Javanen, die aan Westersche wijsheid Oostersche ervaring paren; dezen zullen met minder gevaar van dwaling dan wij kunnen vaststellen, hoe de kleine landbouwers onder hunne rasgenooten gebracht kunnen worden tot deelname aan het huidige verkeersleven binnen de grenzen, die de natuur voor hen daaraan stelt.
Men begint een werk toch liefst van die zijde, die de grootste kans van slagen biedt; bij de hoogere klassen der bevolking van Java heeft men van den uitslag genoegzame zekerheid, mits men de middelen, die de ervaring nu reeds als probaat deed kennen, op veel ruimere schaal dan tot nog toe geschiedde aanwendt, en ze tevens meer aan de bijzondere plaatselijke behoeften aanpast.
Studie van begaafde Inlanders in Nederland.
De meest belovenden onder het jongere geslacht moedige men aan en steune men om die hoogere studiën, waartoe hun vaderland nog geene gelegenheid biedt, in Nederland te maken; men bouwt dan voort op reeds bestaande grondslagen, want hier te lande studeeren al eenige tientallen Inlanders aan verschillende inrichtingen van hooger onderwijs, zonder dat ooit aan een hunner van Regeeringswege tot het inslaan van dien weg aanleiding gegeven werd. Vooral zorge men ervoor, dat die studeerenden hier vertrouwde raadslieden vinden en sympathieke, degelijke kringen om in te verkeeren en wake men tegen het gevaar, waaraan zij allen hier blootstaan, dat er namelijk in allerlei opzichten met hen gesold wordt, dat men ze als curiositeiten aangaapt of aan het bewonderende publiek vertoont, dat men ze verlokt tot optreden in kringen, waarin zij nog niet behooren, tot schrijven over onderwerpen, die zij nog niet kunnen beheerschen, eene behandeling, tengevolge waarvan begaafde Inlanders begrijpelijkerwijze wel eens uit hun evenwicht geraakt en moreel te gronde gegaan zijn.
Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven.
In Indië opene men voor hen zoo wijd mogelijk alle, vooral de beste, inrichtingen van Europeesch onderwijs; ook daardoor drukt men slechts het stempel der goedkeuring op hetgeen de Inlanders zelve tot stand brachten, want tot nu toe hebben zij de deuren van alle scholen om zoo te zeggen geforceerd, en was het er zeer ver vandaan, dat de autoriteiten hen dwongen om in te gaan. Soms had het er al te veel van, alsof zij die pioniers op het pad der associatie als rustverstoorders beschouwden. Men richte bovendien speciaal voor hunne behoeften berekende scholen van middelbaar en technisch onderwijs op, maar men berekene niet te angstvallig en vooral niet te lang, opdat niet in afwachting van het resultaat generaties van de gewenschte opleiding verstoken blijven. Beter eene school, die niet dadelijk aan alle op den duur te stellen eischen voldoet, dan in het geheel geene.
Goede lagere Europeesche scholen stelle men in grooten getale tot hunne beschikking, zoodat de velen, die dit wenschen, gelegenheid vinden om Nederlandsch zóó te leeren, dat in die taal het werktuig vinden om zich in verschillende richtingen verder te ontwikkelen.
Opvoeding buiten de school.
Dikwijls draagt het onderwijs, dat Inlandsche kinderen en jongelieden genieten, niet de gewenschte vruchten omdat zij buiten de schooltijden verkeeren in eene omgeving, die voor hunne opvoeding eer schadelijk dan bevorderlijk is. Eene doelmatige huisvesting is, vooral uit dit oogpunt bezien, voor hen van overwegend belang. Vooralsnog, in deze eerste periode der associatiebeweging, zal men hun die niet licht anders dan in een degelijk Europeesch gezin kunnen verschaffen. Dit is eene der grootste moeilijkheden, die de bevorderaars der associatie te overwinnen hebben, maar onoverkomelijk mag zij niet zijn.
De zending zou hiertoe kunnen medewerken.
Hier zou ik bijna geneigd zijn, al is het onbevoegd, een verzoek te doen, ja tevens een raad te geven aan de mannen en de vrouwen, die zich aan zendingswerk wijden. De zending werkt terecht dikwijls langs philanthropische omwegen: onderwijs, geneeskunde, landbouw worden door haar gebezigd als middelen om Inlanders met het Christendom in aanraking te brengen. Onderwijs is als zendingsmiddel in Mohammedaansche landen, naar ik meen, niet bijzonder effectief bevonden, althans niet in dien zin, dat bekeeringen er het gevolg van waren, ofschoon de Moslims, wier eigen onderwijs zeer achterlijk is, er gaarne gebruik van maken, vooral wanneer de leerlingen niet gehouden worden aan het Christelijke godsdienstonderwijs deel te nemen. Toch gaat men in die richting voort, aanvankelijk tevreden met verbreiding van den Christelijken geest onder hen, die van de leer des Christendoms nog niet gediend zijn. Met de medische zending is het vaak niet anders. Nu zijn op Java, en weldra ook elders in den Archipel huisgezinnen en hospitia noodig om ernstige leiding te geven aan de opvoeding der steeds talrijker jongelieden uit Inlandsche familiën, die de verschillende inrichtingen van onderwijs bezoeken. Ligt het niet op den weg der zending, in dien nood te helpen voorzien? Te helpen zorgen, dat die jongelui tegen matige betaling opname kunnen vinden in eenvoudig levende, Christelijke gezinnen, geschikt en bereid om hen te gewennen aan het leven in eene atmosfeer, waar de practische geest van het Christendom heerscht, zonder dat de leer aan andersdenkende huisgenooten wordt opgedrongen? Mij wil het voorkomen, dat de missie hier een veelbelovend arbeidsveld zou vinden.
De Inlandsche vrouw en hare opvoeding.
Aan dit ongevraagd advies voeg ik nog een ander toe. De hoofdreden, waarom in dezen eersten tijd voor jonge Inlanders, die door onderwijs op den weg der associatie gebracht worden, het verblijf in een degelijk Europeesch gezin dringend gewenscht is, ligt hierin, dat het Inlandsche gezin nog niet geschikt is om aan de naar Europeeschen trant opgeleide jeugd den noodigen moreelen steun te verleenen. Dit moet anders worden, maar daartoe is in de eerste plaats verhooging noodig van het opvoedingspeil der vrouw.
De Inlandsche vrouw moet beter onderwezen, maar bovenal beter gevormd en in moreelen zin ontwikkeld worden. Hiertoe kan de school iets bijdragen, maar het meeste moet komen van de persoonlijke leiding van degelijke Europeesche vrouwen. Tot dusver zijn er wel een zeker aantal meisjes uit voorname Inlandsche familiën, die gedurende eenige jaren Europeesche scholen bezoeken, maar de bekendheid met het Nederlandsch en met Europeesche maatschappelijke vormen, die ze mee naar huis nemen, is in den regel niet veel meer dan een vernis, dat dient om haar niet al te misplaatst te doen zijn als echtgenooten van Westersch opgevoede Inlanders. Zij verlaten de school veel te vroeg en buiten de school wordt aan hare karaktervorming veel te weinig zorg besteed om er waardige levensgezellinnen dier Inlanders van te maken, die met hare mannen zullen samenwerken om het Inlandsche gezin te brengen tot associatie aan ons familiewezen. Zonder geestelijk hoog ontwikkelde Inlandsche vrouwen is deze associatie onuitvoerbaar; met hare hulp mag men die verzekerd achten. Wie wil medewerken aan de vorming van eenige honderden meisjes van Java in dezen geest, die mag zich vleien met de gegronde hoop, later als vrucht van zijn werk het monogame leven op Java als het normale in de Inlandsche wereld erkend te zien, en Javaansche ouders ernstig te zien arbeiden aan den opbouw van het leven hunner kinderen.
Is deze taak niet schoon genoeg om vrouwelijke zendingskrachten aan te lokken tot zelfopofferende toewijding, zelfopofferend ook in dien zin, dat zij bij dezen arbeid haar oogmerk willen bepalen tot de zeker bereikbare staatkundig-nationale associatie, en die niet in gevaar willen brengen door ontijdige pogingen tot bekeering?
Wie op de kerstening der Inlandsche Mohammedanen hoopt--ik zeide reeds, waarom ik die verwachting niet kan deelen--moet de politiek-nationale annexatie dier Nederlandsche onderdanen als een eersten stap in de door hem gewilde richting toejuichen en de gelegenheid om zelf daaraan mede te werken met beide handen aangrijpen. De zendeling zal, zoowel als ieder ander Nederlander, onverschillig van welke levenssfeer, zich aan geassocieerde Inlanders gemakkelijker verstaanbaar kunnen maken dan aan de overheerschten van het oude régime, dat, naar wij hopen, zijnen tijd gehad heeft.
Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den Staatsdienst verzekerd worden.
Niet minder urgent dan de snelle vermenigvuldiging der gelegenheden voor Inlanders om de door hen verlangde hoogere vorming te verkrijgen, is het voor de Regeering, de verdeeling van den arbeid der staatsdienaren zóó te herzien, dat al het werk, dat door die modern ontwikkelde kinderen des lands verricht kan worden, ook inderdaad aan hen worde toevertrouwd.
Het gaat niet aan, den bestaanden toestand te bestendigen, waarbij de jonge Inlanders, die als de beste producten der nieuwe richting voor den dag komen, door de bureauchefs in Indië als schrikbeelden worden beschouwd, die men na lange aarzeling in een of anderen hoek duwt om niet langer door hunnen aanblik verontrust te worden. Zij vallen immers niet als meteoorsteenen uit de lucht, men ziet ze jaren tevoren aankomen, en men heeft dus geene enkele verontschuldiging, wanneer men zich onvoorbereid door hen laat verrassen. De Indische Regeering mag aan de departementen van Binnenlandsch Bestuur en van Onderwijs geene rust gunnen, voordat zij de hiermede samenhangende vraagstukken tot eene bevredigende oplossing hebben gebracht. Bezwaren opperen is gemakkelijk genoeg; ze uit den weg te ruimen, dat is de taak der leidende ambtenaren in de kolonie.
Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie.
Kleinmoedigen hebben vaak getracht, den voorstanders van de associatie schrik aan te jagen door de voorzegging, dat het voortgaan op den door hen gewezen weg dit rampzalige gevolg zal hebben, dat er eene klasse van Inlanders zal ontstaan, die hun evenwicht kwijt zijn, die uit den band springen, die den samenhang met hunne eigen maatschappij verloren hebben, zonder in een ander sociaal geheel te passen.
Zulke bedenkingen zijn van oudsher overal vernomen, waar eene menschengroep zich uit eene levenssfeer, die haar te eng werd, naar boven trachtte te werken, maar nooit hebben zij bewerkt, dat de eenmaal ontwaakte drang naar licht bezworen werd. Ook onder ons hebben wijzigingen in het politieke en sociale leven in de werkelijkheid niet zoo kalm en geleidelijk plaats als zij op het papier ontworpen waren. Bij die tochten naar de hoogte maken altijd sommige deelnemers ongedachte, duizelingwekkende sprongen, die oogenblikken van algemeene verwarring teweegbrengen. Wij zijn erop voorbereid, dat dit ook in Oost-Indië zal gebeuren, en dat de waarzeggers van daareven dan gereed zullen staan om triomfantelijk daarop te wijzen als op de vervulling hunner sombere profetie. De zeldzaam vredelievende aard der Inlanders doet ons alleen hopen, dat het geene al te groote vaart zal loopen, en dat onder wijze leiding het evenwicht spoedig herwonnen zal zijn.
Stuiting der beweging niet mogelijk.
Men stelle echter de zaak niet voor, alsof wij ons nu nog bij een kruispunt in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Indonesiërs bevonden, en de beslissing, of het verder links of rechts zal gaan, van den wil van onze Regeering afhankelijk ware. Het proces is begonnen zonder dat de Regeering of het volk van Nederland het uitlokten, ja deels in weerwil van officieuze tegenwerking. Het is niet langer de vraag, of de voor hooger ontwikkeling meest toegankelijke deelen der bevolking van den Archipel ons op intellectueel gebied al of niet op zijde zullen streven, de vraag is alleen nog, of de voortzetting der krachtig begonnen beweging zal geschieden met onze medewerking en onder onze leiding, dan wel in weerwil van onzen tegenstand, en dan onder leiding van anderen, die zich niet lang zullen laten wachten. Mij dunkt, het antwoord op deze vraag kan geen onderwerp eener langdurige discussie zijn.
Samenvatting onzer beschouwingen.
Wij naderen het einde van onzen gemeenschappelijken tocht, waarop ik naar vermogen getracht heb, u achtereenvolgens de voornaamste problemen te laten zien, die de Islâmbelijdenis van vijfendertig millioen Nederlandsche onderdanen aan onze Regeering en aan ons volk voorlegt, en tevens de richting aan te geven, waarin de oplossing dier vragen te vinden zal zijn. Het zij mij vergund, in eenen terugblik op den afgelegden weg onze uitkomsten nog eens samen te vatten.
Onze beschouwing van de wijze, waarop de Islâm zich over de aarde verbreid heeft, maakte ons verschillende daarmee samenhangende of daaruit voortgevloeide verschijnselen verklaarbaar: de scherpte zijner positie tegenover al hetgeen aan zijnen invloed weerstand biedt; zijn militant karakter; de gemakkelijkheid, waarmede hij het getal zijner aanhangers weet te vergrooten, en daarentegen de traagheid, waarmede hij aan hunne geestelijke opvoeding werkt; de gehechtheid der Moslims aan hunne religie en hunne geslotenheid voor invloeden van buiten, ook waar de kennis van de geloofsleer en de practische beoefening der wet nog alles te wenschen overlaten.
Van het stelsel van den Islâm, zooals dat ongeveer drie eeuwen na den dood van den Profeet zijnen in hoofdzaak definitieven vorm verkregen heeft, ontvingen wij den indruk van groote stroefheid, gebrek aan accommodatievermogen. In zijne eerste periode gedwongen, vele vreemde cultuurelementen in zich op te nemen, deed het dit met onverholen weerzin, en verloochende het die verrijking zooveel mogelijk door vrome fictie; omstreeks duizend jaren geleden sloot het zich naar alle zijden af, met de pretensie, dat het nu voor alle volgende eeuwen het geheele gelooven, handelen en denken der menschen aan voorschriften van onfeilbaar gezag gebonden had. Wij constateerden de in verband hiermee onvermijdelijke botsing tusschen de theorie en het werkelijke leven; zij gaf ons aanleiding, ten aanzien der alles regelende wet te onderscheiden tusschen gedeelten, die de practijk inderdaad zijn blijven beheerschen, en andere, die voor het leven meer of minder of zelfs in het geheel geene beteekenis hebben behouden.
De geloofsleer der Mohammedanen kwam ons voor, op het doen en denken slechts ondergeschikten invloed te oefenen. Ten aanzien der wet, die den groei van het leven der Islâmbelijders steeds minder geregeld dan belemmerd heeft, en waarvan de inhoud met de eischen van den tijd in toenemend conflict geraakt, vonden wij noch in haar stelsel noch in de geschiedenis der Mohammedaansche volken grond voor de hoop, dat zij zich zou kunnen hervormen. Evenmin konden wij de illusie deelen dergenen, die meenen, dat de voor de emancipatie en de evolutie van den geest der Mohammedanen vereischte hervorming op het gebied der mystiek haar beslag zou krijgen.
Wij hebben daarop gepoogd, den graad te bepalen der inwerking van de verschillende bestanddeelen van het systeem van den Islâm op het leven der Nederlandsch-Indische Mohammedanen, en in verband daarmee de houding vast te stellen, die Nederland, in de eerste plaats de Nederlandsche Regeering en Hare ambtenaren, tegenover elke der onder den invloed van den Islâm gekomen levensuitingen der Oost-Indische bevolking behooren aan te nemen. Onvoorwaardelijke eerbiediging van al hetgeen ligt binnen het gebied der religie in den engeren zin des woords; eerbiediging ook van de gerecipieerde hoofdstukken van het recht, die de intiemste, meest met den godsdienst verknochte zijden van het leven der familie en van het individu raken, evenwel met zorgvuldig openhouden der wegen, die kunnen leiden tot evolutie of emancipatie, en met niet minder zorgvuldige vermijding van wat tot vastlegging en versteening dezer instellingen zou strekken; terzijdestelling van alle deelen van het systeem, die buiten de hier aangeduide sfeer vallen, met uitzondering van de politieke elementen van leer en wet, tegenover welke de Regeering zich onverzoenlijk schrap behoort te zetten.
Ten slotte kwamen wij tot de overtuiging, dat aldus wel de gedragslijn was aangegeven, die de Regeering met gerustheid jegens den in Oost-Indië beleden Islâm kon volgen, maar dat Nederland ten opzichte van zijne Mohammedanen nog eene veel verder reikende taak te vervullen had, dat het hen te leiden had naar de voor hen geschikte plaats onder de volken. Wij bevonden verder, dat de bij Mohammedanen zoo licht post vattende panislamitische gedachte wel als de grootste hinderpaal te beschouwen is tegen de aanpassing van een Moslimsch volk aan het moderne cultuurleven, een struikelblok, waartegen zelfs de Moslimsche hervormers in de oude landen van den Islâm telkens aanstooten. Voor ons zagen wij die belemmeringen voor een goed deel reeds door de Inlanders zelve uit den weg geruimd, waar de hoogere klassen onder hen in de laatste tientallen jaren geheel spontaan heensturen naar hunne geestelijke inlijving bij de Westersche cultuur in haren Nederlandschen vorm. De eerste stappen op den weg der associatie van hun geestelijke leven aan het onze hebben zij reeds zoo goed als zonder onze hulp gedaan; het is dus hoog tijd, dat wij de leiding in handen nemen en hen verder brengen.
De Regeering vonden wij ten opzichte van dit, voor ons nationale leven zoowel als voor dat der Inlanders zoo uiterst gewichtige punt zwak en onbeslist, in plaats van beheerscheres vaak speelbal der omstandigheden, telkens verrast door dingen, die zich langzaam voor ieders oogen ontwikkelden. De Christelijke zending ijverig werkzaam naar een program, waarvan de uitvoering zeker de gewenschte emancipatie en evolutie brengen zou, maar dat gericht is tegen de godsdienstige hartader van het Islâmsysteem; een program dus, dat blijkens de ervaring weinig uitzicht op succes biedt, maar, ook daarvan afgezien, voor de Regeering en voor ons volk in zijn geheel als richtsnoer onbruikbaar is.
Volk en Regeering kunnen alleen om het stelsel van den Islâm heen de Islâmbelijdende Inlanders helpen om den door hen gezochten weg ter geestelijke associatie te vinden; de door hen bevorderde associatie moet buiten het gebied der religie blijven, mag alleen eene politiek-nationale zijn. De zending, al stelt zij zich een veel verder en hooger liggend doel, kan toch ook in deze richting medewerken, hetgeen te meer te wenschen is, daar zij voor al haar werk arbeiders heeft, wier toewijding van hoogere orde is dan de ijver, dien politiek-nationale motieven in den regel vermogen te wekken.
De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt aan het panislamisme alle kracht.
De panislamitische gedachte, die thans op de aristocratie van Java en op de met haar gelijk te stellen klassen der Mohammedanen op de Buitenbezittingen nog weinig vat heeft, verliest alle kans daarop voor de toekomst, zoodra hare leden vrije deelgenooten van onze cultuur geworden zijn. Zou er dan, wat lang niet uitgesloten is, gevaar komen te dreigen voor besmetting met die kwaal van een deel der millioenen, wier dagelijksch werk als kleine landbouwers hun intellect weinig gelegenheid biedt om zich boven de sfeer der rijstvelden te verheffen, hunne aan de beschaving van onzen tijd geassocieerde landgenooten zullen er het grootste belang bij hebben, ons te helpen om de dreigende epidemie te bezweren. Ook de verdere emancipatie van het Islâmstelsel, zoover die zonder verandering van belijdenis mogelijk is, wordt bij eene verruiming van ons politiek-nationale leven, die aan Inlanders de hun daarin toekomende plaats verzekert, alleen nog eene quaestie van tijd, die zich zonder onwelkomen aandrang van buiten van zelve regelt.
Andere heilzame gevolgen der associatie.
Wij bezagen hier natuurlijk de gevolgen der begonnen associatie uit het beperkte gezichtspunt der Islâmpolitiek. Maar wij mogen daar toch wel even aan toevoegen, dat zij ook in zoovele andere opzichten de oplossing vormt van het probleem der toekomstige verhouding van de bevolking van den Indischen Archipel tot ons. Ook uit een algemeen staatkundig oogpunt is het ons levensbelang, dat wij niet wachten totdat verrassende omstandigheden ons ten behoeve der Inlanders komen afdwingen, wat wij hun nu nog vrijwillig in den door ons meest geschikt geachten vorm kunnen geven.
Dr. Van Hoëvell wenschte vele jaren geleden, dat Nederland het gevaar van binnenlandsche woelingen op Java, liever dan door het aanleggen van bentengs, zou bezweren door zich vestingen van dankbaarheid te bouwen in de harten der Javanen. Zulk idealisme is te edel en te schoon voor de werkelijkheid. Een volk is nooit dankbaar zelfs voor de grootste weldaden, die het zich door vreemden opgedrongen zag. Is daarentegen door van beide zijden gezochte associatie het gemeenschappelijk geestesgebied der Javanen en der Nederlanders tot zijne grootst bereikbare uitgebreidheid gekomen, dan behoeft van dankbaarheid aan vreemden niet meer gesproken te worden, omdat hetgeen vreemd was, eigen is geworden, omdat er nog slechts Oostelijke en Westelijke Nederlanders zijn, in politieken en nationalen zin eene eenheid vormend, waaraan het rasverschil niet te kort doet.
Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie.
Wat zou aan de verwezenlijking van dit denkbeeld in den weg staan? Verschil in huidskleur en afkomst? Maar uit hoevele landen van Europa en Azië zijn niet de voorouders van vele Nederlanders samengekomen, en wat is er meer onwaar en verwaand dan het "van vreemde smetten vrij" in ons volkslied? Met het Indonesische ras is onze bloedsmenging al sinds eeuwen in zoo vollen gang, dat alle nuances van huidskleur tusschen blank en bruin onder Nederlanders vertegenwoordigd zijn.
Al te groote afstand in beschaving en levensbeschouwing dan? De hoogere klassen der Inlanders willen immers juist niets liever dan dien afstand tot de onmerkbaarste afmetingen terugbrengen. Hunne studenten, die te Leiden, te Delft en te Amsterdam met ons verkeeren, staan u en mij geestelijk oneindig veel nader dan gansche klassen van ons eigen land- en zeevolk. Zóó groote geesteseenheid is echter nooit de band, die een geheel volk omstrengelt. Een gemeenschappelijk verleden houdt het veelzins ongelijksoortige bijeen; dit geldt voor de verschillende klassen van ons volk, het geldt ook voor ons volk als geheel ten opzichte van Indonesië, al is het bewustzijn dezer eenheid nog niet in alle lagen onzer natie doorgedrongen.
Islâm en Christendom kunnen zich in de practijk van het nationale leven zeer wel met elkander verdragen, als maar de panislamitische idee terzijde wordt gesteld, en wij zagen, hoe gunstig hiervoor in ons geval de voorwaarden zijn. In verdraagzaamheid kunnen velen onzer bij de meerderheid der Inlanders een lesje nemen.