Natuurkunde in de Huiskamer: ongeveer 100 proeven met huishoudelijke voorwerpen.

Part 6

Chapter 62,225 wordsPublic domain

Wilt ge nu een meubelstuk of eene boekenplank zuiver horizontaal stellen, dan hebt ge er slechts uwe flesch op te zetten; als de stand van het voorwerp niet in alle richtingen waterpas is, zal de punt van den drijver meer of minder verwijderd zijn van de punt der vaste speld, waar omheen de eerste een cirkel zal beschrijven. Ge moet dan zoo lang iets onder het meubelstuk schuiven, totdat de beide punten boven elkander komen te liggen. Dan staat het ten minste niet minder waterpas dan het blad van den schoorsteenmantel, hetgeen voor de praktijk voldoende is.

EEN WATERPAS VAN KARTON.

Neem twee zuiver rechthoekige stukken karton, van dezelfde lengte (omstreeks 20 cM), maar van verschillende breedte, stel 10 en 6 cM. Maak in beide een gaatje in het midden van de lengte en 4 of 5 mM van den bovenkant; steek eene speld door het groote karton en bevestig die, door er van achteren een paar stukjes karton tegen te plakken, zooals de teekening aanwijst. Vergroot het gaatje in het kleine stuk karton, dat bewegelijk moet zijn, tot een vertikaal sleufje, en hang nu het kleine karton op de punt van de speld, op eenigen afstand van het groote, waartegen het niet mag wrijven. Plaats dit werktuigje op een marmeren schoorsteenmantel en hang het bewegelijke karton eens andersom, om te zien of het ten opzichte van het achterste denzelfden stand behoudt, namelijk zoodanig, dat de bovenkanten van beide stukken karton evenwijdig blijven; hetgeen men verkrijgt door zoo noodig een klein randje van het kleinste stuk weg te snijden.

Wilt ge nu een meubelstuk met dit toestelletje waterpas plaatsen, dan plaatst ge daarop het vaste stuk karton; steekt het bewegelijke stuk nu rechts of links daarboven uit, dan helt het meubelstuk en ge laat het zoo lang rijzen of dalen tot de bovenkanten der stukken karton weder evenwijdig zijn.

DE ROBINSONPEN.

Een slimmerd had in verscheidene kranten de volgende advertentie laten plaatsen:

+---------------------------------------------+ | Tegen betaling van 1 gulden | | | | doe ik mededeeling van een middel, | | | | om zonder pen noch inkt te schrijven. | | | | Brieven enz... | +---------------------------------------------+

Het regende brieven aan het opgegeven adres, en ieder, die een gulden geofferd had, ontving per omgaande het volgende, merkwaardig laconieke antwoord:

"Neem een potlood!"

Als ik mijne lezers beloof, hun een middel aan te wijzen om zonder pen te schrijven, ben ik niet van zins bovenvermelden leuken grappenmaker na te doen, maar hun eene geheel nieuwe soort van pen aan te bieden, welke alle mogelijke hoedanigheden bezit, die men van eene pen kan verlangen, zooals ge dadelijk zult zien; zelfs de deugd van zeer goedkoop te zijn, daar ze letterlijk niets kost: moeder natuur stelt ze bijna over de geheele aarde te onzer beschikking. Zoek haar niet in het delfstoffenrijk, dat ons de stalen pennen verschaft, noch in het dierenrijk, waaraan wij de veeren pen te danken hebben, die tegenwoordig bijna geheel verdwenen is, tot groot leedwezen van eenige getrouwe vereerders; de pen welke ik u aanbied, behoort tot het plantenrijk en kan, zonder dat zij eenige bewerking behoeft te ondergaan, gebruikt worden, zóó als zij wordt voortgebracht door den boom, waaraan zij groeit.

De pen, die wij, als ge het goed vindt de Robinsonpen zullen noemen, bestaat uit niets anders dan uit twee blaadjes van den gewonen den (Pinus sylvestris) of van den zeeden (P. maritima).

De fraaie donkergroene bladeren van den pijnboom of den worden naar hun langen, smallen vorm naalden genoemd, welke naam bovendien hierom zoo gepast is, dat iedere naald in eene scherpe punt eindigt,

Als ge een dennetak wat nauwkeuriger bekijkt, zult ge bemerken, dat deze naalden paarsgewijze in eene zelfde scheede zitten, en als men ze tegen elkaar drukt, ziet men, dat de beide scherpe punten, waarvan ik zoo even sprak, volkomen tegen elkaar sluiten, omdat zij juist even lang zijn. Ten slotte zult ge zien, dat iedere naald eene overlangsche groeve heeft, zoodat, als men twee naalden uit dezelfde scheede met de randen tegen elkaar plaatst, daar binnen, over de geheele lengte der naalden, eene cylindervormige holte ontstaat.

Op de volgende wijze kan men zich die verschillende opmerkingen ten nutte maken bij de vervaardiging van de Robinsonpen.

Verwijder van een dennetak eene scheede met twee naalden, bij No 1 van onze teekening afgebeeld; bind de naalden samen met een dun draadje, dicht bij de puntige uiteinden, zooals men bij No 2 ziet, en uwe pen met twee fijne en even lange punten is gereed om alles te schrijven, wat ge verlangt. Als penhouder gebruikt ge een vliertakje, waarin ge de pen steekt, zorg dragende de punten slechts 1 cM te laten uitsteken; nog beter kunt ge een pijpesteel gebruiken, zooals No 3 van onze teekening aanwijst. De verdikking van de scheede belet het verschuiven van de pen in onzen eigengemaakten penhouder. Steek nu uwe pen in den inkt, en laat haar, juist andersom als bij gewone pennen, eenigen tijd daarin staan, ten gevolge van de capillariteit zal de inkt opstijgen in de buis, welke door de samenvoeging der beide naalden ontstaan is, en uwe pen zal ten slotte genoeg gevuld zijn, om er 20 of 25 regels mee achter elkaar te schrijven.

De pen, welke ik u heb leeren maken, is fijn, slap, oxydeert niet en kan voor allerlei schrift gebruikt worden; neer- en ophalen, gothisch of engelsch, rond- of basterdschrift hebben geen geheimen voor haar.

HOE MEN HAZELNOTEN KAN AANRIJGEN.

Tusschen de bruine schil van de hazelnoot en den dop bevinden zich een aantal fijne kanalen, welke men kan waarnemen, als men eene hazelnoot volgens de lengte opensplijt.

Een der uiteinden van die kanalen komt uit bij de punt van de hazelnoot, het andere bij den omtrek van het grijze gedeelte.

Als men daar luchtig met een mes overheen schrapt, komen de openingen van die kanalen bloot, en men kan er dan gemakkelijk een fijn hoofdhaar doorheen steken.

Zoo kan men door eene hazelnoot 35 haren steken, welke door de 35 kanalen gaan; om de haren er door te krijgen, moet men ze luchtig met den vinger voortschuiven, als men ziet, dat ze zich met het uiteinde in de opening bevinden.

Een enkel haar is sterk genoeg om aldus een aantal hazelnoten te dragen, die dan een snoer vormen, dat zeer ongemeen is.

Wil men slagen, dan moet men hazelnoten gebruiken, die goed droog zijn. Daar men bovendien bij de haren van de vleug kan spreken, aangezien zij uit een aantal vezeltjes bestaan, die naar het einde gericht zijn, moet men zorgen, dat ze altijd met het wortelgedeelte ingestoken worden.

Wij dragen dit aardige spel op aan onze lezeressen, wier fijne en zijdeachtige haren hierbij onmisbaar zijn.

DE BETOOVERDE BAL.

De betooverde bal, door Robert-Houdin uitgevonden, kwam mij door de hazelnoten weder voor den geest. Gij zult zoo dadelijk zien waarom. In dien bal, welke als speelgoed verkocht werd, was volgens de middellijn een wijd gat geboord, zoodat hij gemakkelijk kon glijden langs een koord, dat er doorheen gestoken was.

Maar als iemand, die het geheim kende, de beide einden van het koord vasthield, gebeurde er iets anders: in plaats van te vallen, gleed de bal langzaam langs het koord naar beneden en stond zelfs op kommando stil, om zijne neerdalende beweging slechts dan voort te zetten, als men dit veroorloofde.

Deze toer, welke Robert-Houdin met een bal van reusachtige afmetingen deed, had altijd de nieuwsgierigheid in hooge mate geprikkeld. Hoe ging dat?

De teekening geeft voor mij het antwoord: behalve het wijde gat, dat door het middelpunt gaat, had men van binnen in den bal een gebogen kanaal gemaakt, dat aan de beide uiteinden in het wijde kanaal uitkwam.

Het geheele geheim bestond nu hierin, dat men deed, alsof men het koord door het middelste gat stak, maar men zorgde wel dat het door het gebogen kanaal ging; het kwam dan aan de andere zijde weer te voorschijn, alsof het recht door den bal was heengegaan. Nu behoefde men het koord slechts meer of minder strak te trekken om den bal naar willekeur te laten stilstaan of langzaam te laten neerglijden.

Op dit beginsel berusten tal van reddingstoestellen bij brand.

Maar wat heeft dit met de hazelnoot te maken? zult ge zeggen. Wel! met de hazelnoot kan men dezelfde proef doen: het gebogen kanaal is hier immers ook aanwezig, en men behoeft slechts meer of minder aan het haar te trekken, om de noot naar uw begeeren meer of minder snel te laten afglijden, of op formeel bevel zelfs geheel te laten stilstaan.

HET ODEURSPUITJE.

Met dit toestelletje, dat zeer goedkoop is, daar het niets kost, noch aan grondstof noch aan arbeidsloon, kunnen teekenaars hun kleefmiddel opbrengen, huismoeders met eene antiseptische vloeistof tot de kleinste hoekjes en gaatjes desinfecteeren en jonge dames de lucht in hare vertrekken parfumeeren, door er damp van reukwater in te blazen.

In eene kurk, waaruit een vierde deel volgens de teekening is weggesneden, steekt men twee penneschachten, zóó dat zij onderling een rechten hoek vormen en met de uiteinden tegen elkaar komen, en het werktuig is gereed.

Plaats de eene buis vertikaal in een fleschje met opopanax, blaas in de horizontale buis en ge verkrijgt eene welriekende wolk, zoo goed als met de meest samengestelde toestellen.

EENE NIEUWE WIJZE OM EENE KAARS UIT TE BLAZEN EN WEER AAN TE STEKEN.

Knip van dun karton een paar poppetjes, die een penneschachtje voor den mond houden, waarin ze schijnen te blazen.

Vul de penneschachten met zand, maar laat een gedeelte open aan het van den mond afgekeerde einde.

Doe in de eene opening een weinig jachtkruit en in de andere een klein stukje phosphorus.

Als de poppetjes vooraf op deze wijze zijn gereed gemaakt, laat ge eene brandende kaars brengen, en deelt mede dat het eene poppetje op uw verzoek de kaars zal uitblazen, terwijl de andere haar weer zal aansteken.

Zoodra ge het buisje met kruit bij de vlam brengt, zal dit ontbranden en eene ontploffing in miniatuur teweegbrengen, welke echter voldoende is, om de kaars uit te blazen en de rook naar het poppetje te jagen, dat ge in de andere hand houdt. Deze rook is warm genoeg om het stukje phosphorus aan te steken, en als ge het buisje, dat het bevat, op behoorlijken afstand van de pit houdt, gaat de kaars weer aan.

Het is niet gewenscht, dat ongeoefende handen deze proef voorbereiden, daar met buskruit en phosphorus voorzichtig moet omgegaan worden.

DE KUNST OM DOOR EENE SPEELKAART HEEN TE GAAN.

Als er op een gezellig avondje onder vrienden verschillende kunstjes met de kaart gedaan zijn, en men raakt zachtjes aan uitgepraat, moet ge eens vragen of iemand kans ziet, dwars door eene speelkaart heen te gaan.

Men zal u antwoorden, dat dit niet moeilijk is, als de kaart maar groot genoeg is; als ge echter meedeelt, dat er sprake is van eene gewone speelkaart, wordt de vraag lastiger. Om het gezelschap dan ook niet lang te laten zoeken, neemt ge eene speelkaart, en maakt er in de lengte eene snede in tot dicht bij den rand, (zie fig. 1). Nu vouwt ge de kaart volgens die snede dubbel, en maakt er de sneden in, welke door fig. 2 worden aangewezen.

Als ge nu de kaart weer openvouwt en aan de randen uittrekt, zult ge zien dat ze verandert in eene lange, rekbare strook, welke bestaat uit kleine reepen, die onderling meer of minder scherpe hoeken vormen, naarmate de kaart meer of minder uitgerekt wordt, en waar ge, zooals de teekening u doet zien, gemakkelijk doorheen kunt.

DE ONBEWUSTE BEWEGINGEN.

Kies iemand uit het gezelschap, die volstrekt niet aan tafeldans, klopgeesten en dergelijke gelooft; verzoek hem een mes in de hand te nemen en haar dan flink op de tafel te laten rusten.

Splijt een lucifer aan het ondereinde; snijd een anderen lucifer schuin af, en steek ze dan zoo in elkander, dat zij te zamen een V vormen met zeer scherpen hoek. Zet deze twee lucifers schrijlings op het lemmet van het mes en druk den ongeloovigen proefnemer goed op het hart, het mes horizontaal te houden, en zijne hand zoo te plaatsen, dat de koppen der lucifers voortdurend even de tafel aanraken.

Tot groote verbazing van de omstanders en den proefnemer ziet men de lucifers zich langs het lemmet voortbewegen. Dit wordt veroorzaakt door de onbewuste bewegingen van den persoon, die het mes vasthoudt, welke onzichtbaar zijn zoowel voor hem als voor het publiek.

Om de proef nog aardiger te maken, kan men de lucifers in het midden breken: zij stellen dan de beenen van een ruiter voor, wiens bovenlijf, dat men van een visitekaartje geknipt heeft, in eene spleet gestoken wordt, welke men in de punt van de V gemaakt heeft.

EINDE

AANTEEKENINGEN

[1] Als ge niet wilt dat het glas springt, moet ge het glas vooruit voorzichtig verwarmen door er een zeer klein scheutje heet water in te gieten en dit dadelijk door het geheele glas te laten loopen, vervolgens wat meer totdat ook de buitenzijde van het glas en vooral ook de onderkant van den bodem goed heet is; dit water giet ge er nu uit en het nieuwe kokende water er in. Een beker van hardglas of voor scheikundig gebruik is natuurlijk gemakkelijker.

[2] In de teekening is de gang der zonnestralen niet juist voorgesteld: deze divergeeren niet, maar vormen een evenwijdigen bundel. De opening waardoor de stralen binnendringen, moest dus even groot genomen zijn als het te verlichten voorwerp.