Natuurkunde in de Huiskamer: ongeveer 100 proeven met huishoudelijke voorwerpen.
Part 5
Bij de vorige proef, welke wij Tantaluskwelling genoemd hebben, was het moeilijk het evenwicht te bewaren in de richting van de lengte des lichaams, en we zagen den niet geoefenden proefnemer dan ook met den stoel voorover kantelen.
Bij onderstaand spel kunt ge integendeel op zijde vallen, rechts of links naar keuze.
De proef is als volgt:
Twee personen knielen tegenover elkander met eene kaars op een blaker of kandelaar in de linkerhand. Wanneer zij nu den rechtervoet met de rechterhand optillen, moeten zij zich op de linkerknie in evenwicht houden. De eene liefhebber, wiens kaars niet brandt, moet haar aansteken aan die van den ander.
Gij ziet dat de zaak niet ingewikkeld is, en toch kunt ge u niet begrijpen, hoe dikwijls ge de proefnemers zult zien omvallen, alvorens het aansteken gelukt is. Deze nieuwe cotillonfiguur kan bij die van den stoel gevoegd worden; gij zult er wel voor zorgen, dat ge eene krant op den vloer legt uit vrees voor vetvlekken; andere zoudt ge het misschien met de vrouw des huizes te kwaad krijgen.
MET HET HOOFD TEGEN DEN MUUR.
Zet eene taboeret op den vloer tegen den muur, plaats u dan met het gelaat naar den muur op een afstand, die gelijk is aan het dubbele van de breedte van de taboeret, buig u voorover, vat de taboeret met beide handen aan en druk het hoofd tegen den muur. Til dan de taboeret op, en ga zonder rukken weer overeind staan... of probeer dit tenminste. Doe deze vermakelijke proef niet op een gladden vloer, maar op een tapijt, om de gevolgen van een mogelijken val minder onplezierig te maken.
Door de verplaatsing van het zwaartepunt van ons lichaam, is het ons bijna onmogelijk weder overeind te komen, tenzij wij de taboeret weder neerzetten, om het steunpunt te verkrijgen dat we behoeven.
DE BEZEMSTEEL.
Geef aan iemand, die onze teekening niet gezien heeft, een bezemsteel of een langen stok; verzoek hem, een der uiteinden daarvan op den vloer en tegen den muur te zetten en dan geheel onder den stok door te gaan, en wel onder het gedeelte dat begrepen is tusschen zijne handen en den vloer. Iemand, die dezen toer niet kent, zal zich met het gelaat naar den muur wenden en onvermijdelijk vallen bij zijne pogingen, om onder den stok door te komen. Als de proefnemer zich evenwel met den rug naar den muur heeft gekeerd en zich zoodanig heeft geplaatst, dat zijne beide voeten en het uiteinde van den stok een gelijkbeenigen driehoek vormen, is de zaak zeer gemakkelijk. Inderdaad, als hij onder den stok is doorgegaan, zal hij zich aan den anderen kant weder oprichten en dáár een even vasten stand hebben als eerst.
HET KUNSTJE MET DE DRIE LUCIFERS.
Als ge met eenige vrienden gedineerd hebt, en de sigaren worden opgestoken, hebt ge eene geschikte gelegenheid om de gasten uit te noodigen, hunne krachten te beproeven aan het vraagstuk van de drie lucifers.
Splijt een lucifer aan het uiteinde, snijd een tweeden lucifer schuin af, en steek hem met dit beitelvormige uiteinde in de spleet van den eersten, zoodanig dat de beide lucifers een scherpen hoek vormen. Zet ze dan op de tafel met het hoekpunt naar boven en plaats er een derden lucifer tegen, om de andere te steunen, zooals de figuur aanwijst.
Na deze toebereidselen geeft ge aan een der aanwezigen een vierden lucifer, en verzoekt hem hiermede de drie andere van de tafel te lichten.
De oplossing van het vraagstuk wordt door de teekening gegeven; het is voldoende den vierden lucifer zacht tegen de beide eerste te drukken, waardoor de derde neervalt op de lucifer, welken men in de hand heeft en daarop de hand een weinig te laten dalen, waardoor het uiteinde van den derden lucifer zich in den hoek kan plaatsen, welke door de beide eerste gevormd wordt: beweegt men nu den vierden lucifer omhoog, dan hangen de drie andere lucifers er aan beide zijden overheen.
Het kunstje is zeer eenvoudig... voor hen, die het kennen, en ik heb er meer dan een uitstekend architect en meer dan een bekwaam werktuigkundige het geduld bij zien verliezen.
DE STROOHALMEN.
Men geeft u vijf stroohalmen van dezelfde lengte (omstreeks 10 cM.), en men verzoekt u ze te gelijk van de tafel op te lichten, maar ge moogt slechts één stroohalm vasthouden en nog wel aan het uiteinde. Hoe zult ge dat aanleggen?
De teekening geeft het antwoord: gij ziet terstond, op welke eenvoudige wijze de halmen verbonden zijn. Het geldstuk is niet strikt noodzakelijk, maar het vergemakkelijkt de samenstelling van het geheel, daar het 't glijden der strootjes belet.
Geef het kunstje op aan iemand, die het niet heeft zien uitvoeren, en gij zult eens zien hoelang het duurt, voor hij de oplossing gevonden heeft.
Zulke kunstjes, waarbij het op samenvoegen of verbinden aankomt, hebben iets wetenschappelijks, waarin het verstand eene zekere voldoening vindt, terwijl tevens de hand geoefend wordt.
DE BRUG VAN LUCIFERS.
Op de volgende wijze kunt ge met eene sierlijke houtconstructie van lucifers eene ruimte overbruggen, die minstens twee maal zoo lang is als de lengte van een lucifer.
Met groote, vierkante lucifers kunt ge bovenstaande zeer eenvoudige brug maken, maar ge moet daarbij nauwkeurig den gang volgen, zooals die wordt aangewezen met behulp van de bijgevoegde afbeeldingen (zie de volgende bladzijde); de bovenste in opstand, de tweede in projectie.
Leg lucifer 1 op de tafel, daarna 2 en 3 met de einden daarop, en dan 4 overdwars op deze twee; til met duim en wijsvinger van de linkerhand 1 op, en steek 5 en 6 onder 1 door, zoodat zij op 4 komen te liggen 5 het geheel vormt nu reeds een kleinen boog op de tafel. Plaats 7 overdwars op 5 en 6, 8 onder de beide andere einden van 5 en 6, en licht 8 weer voorzichtig op, om er 9 en 10 onderdoor te schuiven en met hun linker uiteinde op 7 te laten rusten.
Door op dezelfde wijze voort te gaan, kunt de brug zoo groot maken als ge verkiest.
VIJFTIEN LUCIFERS MET ÉÉN ENKELEN OP TE NEMEN.
Leg op een lucifer, welken wij A zullen noemen, veertien andere B, beurtelings links en rechts van A, met de koppen naar boven, zooals op het onderste deel van de gravure wordt aangewezen.
Neemt ge nu A bij een der uiteinden op, dan is het duidelijk, dat de veertien lucifers er afvallen. Om dit te beletten, legt ge een laatsten lucifer C bovenop de lucifers B, op de plaats waar zij elkander kruisen, dus recht boven A. Nu kunt ge A opnemen; de lucifers B nemen een schuinen stand aan en klemmen door hun eigen gewicht den lucifer C tusschen hunne boveneinden vast. In dezen stand kunt ge de lucifers zoolang laten hangen, als ge verkiest, niet ongelijk aan de vouwstoelen, in den vorm van eene X, die veel als tuinstoelen of op stoombooten aangetroffen worden.
Gebruik voor dit spel bij voorkeur lange keukenlucifers, hoewel Zweedsche desnoods ook gebruikt kunnen worden.
DE EIFFELTOREN.
Als ge het vervelend vindt, in uw eentje een partij dam of triktrak te spelen, terwijl uw partner zich laat wachten, kunt ge uwe krachten beproeven aan het volgende bouwwerk, dat u niet alleen bezig houdt, maar te gelijker tijd uw geduld en uwe vaardigheid oefent. De kunst is, al de schijven op vier losse, overeindstaande schijven te stapelen, zooals de figuur aanwijst.
De oplossing van het vraagstuk eischt eene reeks van vernuftige en zelfs eenigszins ingewikkelde kunstgrepen; indien dus iemand er zijne krachten aan wil beproeven, zal hij wel doen, met de schijven in de hand onze verklaring te volgen, die hem anders zeer vervelend zal schijnen.
Leg eene centrale schijf A plat op de tafel en zet in het verlengde van twee elkaar loodrecht snijdende middellijnen de schijven 1, 2, 3, 4, waarop het geheele gebouw moet rusten, daar loodrecht omheen.
Om hare aanraking met den bovenkant van A te verzekeren, moet ge ze voorloopig vastzetten met de vier schijven B, C, D en E, welke plat op de tafel gelegd worden (zie de projectie aan de linkerzijde.)
Leg nu eene schijf K horizontaal op de randen der schijven 1, 2, 3 en 4; haar bovenvlak zal liggen in het raakvlak aan die vier schijven (zie den opstand links bovenaan op de teekening.)
Plaats nu vier schijven zoodanig, dat hare middelpunten respectievelijk boven de middelpunten der schijven 1, 2, 3 en 4 komen te liggen. Zoo ontstaat de eerste horizontale laag. Om de tweede laag te verkrijgen, legt ge vier andere schijven horizontaal op, en afwisselend met de eerste vier. d. w. z. zoodanig dat de middelpunten van de schijven der tweede laag boven de openingen liggen, welke er tusschen de schijven der eerste laag overblijven.
Bouw op dezelfde wijze vijf of meer afwisselende lagen, bijv. met de witte schijven in de evene en de zwarte in de onevene lagen, zoodat al de schijven van dezelfde kleur loodrecht boven elkander liggen.
Als ge nauwkeurig naar onze aanwijzingen gewerkt hebt, heeft zich tot dusver geene bijzondere moeilijkheid voorgedaan.
Maar nu begint het werk wat meer voorzichtigheid te eischen. Immers, wij moeten niet alleen de schijven B, C, D en E wegnemen, waarmede wij de vier staande schijven hebben tegengehouden, die alleen het gebouw moeten dragen, maar wij moeten bovendien de beide schijven A en K bevrijden, welke door de schijven 1, 2, 3 en 4 ingesloten worden.
Eerst ontdoen wij ons van de schijven B, C, D en E, vormen daarvan eene nieuwe horizontale laag en gaan ons nu met de bevrijding der beide gevangenen bezighouden.
In de projectie ziet ge de cijfers 5 en 6 naast twee gestippelde evenwijdige lijnen staan: die lijnen stellen den schuinen stand voor, welken men voorloopig aan de schijven 2 en 3 moet geven, door ze voorzichtig met den vinger te laten draaien.
De schijf K, die nu niet meer ondersteund wordt, valt op A en beide kunnen nu naar buiten geschoven worden door de opening, welke wij tusschen 2 en 3 gemaakt hebben. A en K worden in het midden op de bovenste laag geplaatst, de beide schijven 2 en 3 weder recht gezet, en de beide in elkaar gestoken bekers van het triktrakspel, met de dobbelsteenen er op, kronen het geheel.
Ik hoop dat een zeer groot aantal lezers er in slaagt, het beschreven bouwwerk tot stand te brengen, welks rollende fondamenten van hem die het onderneemt, een weinig handigheid eischen.
DE OMGEBOGEN LUCIFER.
Vouw een gewonen lucifer in tweeën, waardoor hij gedeeltelijk breekt, zoodat de beide deelen slechts door eenige houtvezels samenhangen. Aldus omgebogen legt ge den lucifer op den hals eener flesch, met een kwartje of een cent er op.
Vraag nu of iemand kans ziet, het geldstuk in de flesch te laten vallen, maar zonder het aan te raken, evenmin als de flesch of den lucifer. Ge zult zien, dat men lang naar de oplossing zal zoeken, zonder die te vinden, ofschoon ze toch zeer eenvoudig is: doop uw vinger in een glas met water en laat er dan een paar druppels van afvallen op het hoekpunt van den hoek, welken de beide deelen van den lucifer met elkaar maken; spoedig zult ge zien dat de beenen zich langzamerhand uit elkaar buigen, daar de houtvezels door het vocht zwellen; nu ondersteunen zij het geldstuk niet meer, en dit valt in de flesch.
Erg moeilijk is het niet, vindt ge wel?
DE HELSCHE MACHINE.
Zoek vijf lange, gave houten tandenstokers uit. Leg er twee in den vorm van eene X op de tafel, een derde over het midden daarvan, en de beide andere rechthoekig op de uiteinden van den middelsten en onder de beenen van de X. Het middelste houtje is dus een weinig gebogen, en door zijne veerkracht worden de beide dwarshoutjes sterk genoeg tegen de beenen van de X gedrukt, om te maken dat het geheel in den verlangden vorm blijft. Het is gemakkelijk, als men bij het samenstellen van dezen toestel een helper heeft.
Nu kunt ge in modernen trant het bekende betooveringstooneel uit de middeleeuwen nabootsen, waarbij een wassen pop, die iemand moest voorstellen, wien men kwaad toewenschte, werd gestoken, gebroken of verbrand, door welke handelwijze men meende zijn vijand hetzelfde lot te berokkenen.
Bij ons slachtoffer zullen wij voor romp eene kurk en voor ledematen lucifers nemen; aan het hoofd, van broodkruim, kunt ge, zooveel uw talent toelaat, de trekken geven van dengeen, aan wien ge het meest een hekel hebt en dien ge gaarne kwijt zoudt willen zijn. (Onze teekening stelt een duiveltje voor, om alle kwetsende personaliteit te vermijden.)
Plaats nu den geheelen toestel op den hals eener flesch of den voet van een omgekeerd glas; zet uw vijand schrijlings op het uiteinde van het middelste houtje, en steek de lont... ik wil zeggen: steek een der hoeken van de helsche machine aan, volgens figuur 1.
Figuur 2 toont u de uitwerking van de uitbarsting, welke terstond volgt: als het vuur het uiteinde van een der houtjes verteerd heeft, springt alles uiteen en het middelste houtje, dat als een veer gespannen was, ontspant zich plotseling, en slingert de verminkte overblijfselen van uw vijand in de lucht.
EEN GELDSTUK OP DE PUNT VAN EENE SPELD TE LATEN DRAAIEN.
Buig eene haarspeld zooals op de teekening (aan de rechterzijde) wordt aangewezen; plaats een 2 1/2 centstuk horizontaal in den haak rechts, hang in het haakje aan de andere zijde een ring van voldoende zwaarte, of twee ringen als het noodig is; op deze wijze hebt ge een systeem verkregen, dat in evenwicht kan blijven; ge plaatst den rand van het geldstuk op de eene of andere punt, eene groote speld bijv., en ge blaast tegen den ring; daardoor zal het geheele samenstel eene draaiende beweging verkrijgen, zonder dat het evenwicht verbroken wordt.
Als ge het geldstuk op eene goed geharde stalen naald laat draaien, zult ge bemerken, dat het geldstuk ten laatste doorboord wordt; ge kunt dus het vraagstuk ook aldus stellen:
Een geldstuk met een naald te doorboren, door er tegen te blazen.
DE BETOOVERDE WERPSPIES.
Neem eene naainaald van middelmatige grootte en waarvan de punt goed scherp is; plaats u op omstreeks drie passen van een houten beschot, neem de naald tusschen duim en wijsvinger en beproef dan met een krachtigen worp, de naald in het hout te drijven. Al zijt ge nog zoo behendig, gij zult er ondanks herhaalde pogingen niet in slagen.
Steek nu een eindje garen door het oog van de naald en bij iederen worp zult ge er in slagen uwe werpspies in het hout te planten, dat ge u als wit hebt gekozen.
Het lichte eindje draad, dat ge aan de naald hebt toegevoegd, maakt deze tot een waren pijl, en is oorzaak, dat de punt door de kracht van den worp het voorwerp, waartegen zij gericht is, loodrecht treft, hetgeen ten gevolge heeft, dat zij er indringt.
Deze uitslag wekt altijd de verbazing der toeschouwers, die niet in gebreke blijven, u hun compliment te maken over uwe buitengewone kunstvaardigheid.
De natuurkundige Comus, welke deze proef bedacht, wist op eene vernuftige wijze den aangewenden kunstgreep te verbergen.
Hij legde den toeschouwers draden van verschillende kleuren voor om er een uit te kiezen, welken hij moest gebruiken, opdat men zich zou kunnen overtuigen, zooals hij zeide, dat het inderdaad dezelfde naald was, welke men in het beschot terugvond. De draad, waarin in werkelijkheid het geheele geheim van den toer zat, scheen dus slechts een middel van contrôle te zijn, om alle bedrog te voorkomen.
Deze proef herinnert aan de pen met papieren vleugels, welke aan den hoek van onze teekening is afgebeeld, en die menig scholier strafwerk berokkend heeft, die zich liever bezighield met balistische proeven dan met zijn schoolwerk.
HOE EEN LAMPEGLAS EENE CIGARET KAN ROOKEN.
Sluit een lampeglas aan een der einden luchtdicht met eene groote kurk, waarin ge twee gaten geboord hebt; in het eene, dat rechtstandig door het midden van de kurk gaat, moet de cigaret precies sluiten; het andere, dat nauwer is, staat schuin ten opzichte van de as der kurk.
Uit een ouden handschoen knipt ge twee ronde stukjes, en maakt daarvan twee kleppen; zij moeten natuurlijk een weinig grooter zijn dan de gaten in de kurk, om ze daarop met eene speld te kunnen vaststeken, het eene tegen de opening van het nauwe kanaal aan de buitenzijde, dus boven op de kurk, en het tweede aan de onderzijde daarvan tegen de opening van het kanaal, waarin de cigaret gestoken is. Het is duidelijk, dat door de eerste klep de rook kan ontsnappen, en het binnendringen van de buitenlucht belet wordt, terwijl door de tweede de rook van de cigaret wel in het lampeglas kan treden, maar niet weder door dezelfde opening het glas kan verlaten.
Als de toestel gereed is, duwen wij het glas tot aan de kurk in het water, zetten de cigaret in hare opening en steken haar aan; het lampeglas zal nu zoo goed zijn haar voor ons op te rooken! Als we het glas omhoog trekken, zal de lucht onder de kurk verdund worden; de buitenlucht stroomt nu door de cigaret heen het glas binnen, waardoor de verbranding bevorderd en tevens de rook in het glas gedreven wordt: het lampeglas trekt! De rook wordt niet tegengehouden door de klep van het vertikale kanaal, die openstaat, terwijl de klep op het schuine kanaal door haar eigen gewicht gesloten blijft.
Duwen we het lampeglas naar beneden, dan zal de lucht, die wij samendrukken, de onderste klep sluiten en die van het schuine kanaal openen, waaruit nu eene witte rookwolk omhoog stijgt, om zich weldra in kringetjes te verspreiden.
DE DRIE GLAZEN.
De eigenaardige stand der beide zijdelingsche glazen ten opzichte van het derde wordt verkregen met behulp van twee stokjes, bijv. twee stelen van penhouders.
Wij kiezen glazen van den afgebeelden vorm en zetten er één van op de tafel.
Wij steken een stokje in het tweede glas, en verplaatsen het steunpunt van het eene uiteinde daarvan tegen den binnenwand van het glas zóó lang, totdat wij voelen, dat het glas horizontaal blijft staan, zonder dat wij het behoeven vast te houden.
Hierop plaatsen wij het stokje met het uiteinde dat wij in de hand hebben, in het overeindstaande glas en laten het hierin wat meer of minder hellen, totdat wij voelen dat het blijft zitten.
Wij moeten natuurlijk het eerste glas bij den voet vasthouden, daar het anders door het overwicht van het tweede zou omvallen.
Door nu een tweede stokje in het onderste glas te plaatsen en daarop een derde glas te hangen, herstellen wij het evenwicht, en kunnen wij het geheel aan zich zelf overlaten.
Iedereen kan dezen toer verrichten; met veel handigheid zou het zelfs niet onmogelijk zijn, op dezelfde wijze, drie glazen op drie behoorlijk geplaatste stokjes in evenwicht te houden.
EEN GEÏMPROVISEERDE STANDAARD.
Wij hebben oogenblikkelijk een voetstuk of standaard noodig ten gerieve van de meid, die zich de vingers brandt, terwijl zij de soepterrine vasthoudt; er is dus geen tijd te verliezen.
Neem uw eigen vork en die van uw rechter en linker tafelbuurman; steek ze in uw servetring met de stelen op de tafel, zoodanig dat de uiteinden in de hoekpunten van een gelijkzijdigen driehoek liggen; zet een bord op de tanden, en de meid kan er gerust haar brandend heeten last op plaatsen.
Al is onze standaard zoo maar in een oogenblik gemaakt, hij is er niet minder sierlijk om; de vorken, aldus bijeengevoegd, doen denken aan eene artistieke vruchtenschaal.
EEN TOUW ALS WEEGTOESTEL.
Op de volgende wijze kunt ge van een stuk touw, van willekeurige dikte, eene uitstekende balans maken.
Sla twee spijkers op een meter afstands van elkaar in den zijkant van eene horizontale plank. Neem een touw van 1.5 M. lengte, leg hierin in het midden een flinken goed zichtbaren knoop; en maak het met de beide uiteinden aan de spijkers vast. Van een stevigen in tweeën gesneden wandalmanak maakt ge de schalen, welke ge met vier touwtjes aan het groote touw vastmaakt, ter weerszijden, op 25 cM. afstands, van den knoop.
Het middelste deel van het touw met den knoop, dat dus 50 cM. lang is, zal dan een horizontalen stand aannemen.
Plaats een stevig papier achter dat horizontale deel, en merk de plaats, waar de knoop zich bevindt, als uwe balans in rust is, met een pijltje. Legt ge nu het een of ander, een kuiken bijv., op de eene schaal, dan is het evenwicht verbroken, en het middelste deel van het touw neemt een meer of minder schuinen stand aan, waardoor de knoop zich niet meer recht vóór het pijltje bevindt, dat tot merk dient. Door gewone gewichten in de andere schaal te plaatsen, kunt ge den knoop weder op de oorspronkelijke plaats terug brengen; wanneer aldus het evenwicht hersteld is en de knoop zich dus weder volkomen nauwkeurig vóór het pijltje bevindt, wijst de som der gewichten, welke gij in de schaal hebt geplaatst, het gewicht van het kuiken aan.
Deze balans wordt gemaakt van bindtouw, stevig koord of zelfs van een ketting, naarmate het te wegen voorwerp minder of meer zwaar is; zij is zeer gevoelig en in voldoende mate juist voor het wegen van huishoudelijke behoeften.
DE UNSTER.
Met de hierboven afgebeelde balans voor keukengebruik kunt ge zonder gewicht wegen, door middel van een pollepel, die tegelijk het juk en de schaal uitmaakt en eene schuimspaan, die het verschuifbare gewicht vervangt.
Eene ijzeren vork rust met twee tanden op twee naalden, welke loodrecht in de kurk van eene flesch zijn gestoken; het andere einde van de vork is met een stuk kurk in den haak van den pollepel vastgeklemd. De schuimspaan wordt met den haak over den steel van den pollepel gehangen, en men schuift haar daarover heen en weer, totdat de steel horizontaal staat, als het geheele toestel in rust is; hiertoe kan men zich bedienen van eene horizontale lijn, welke men achter het toestel op den muur getrokken heeft.
De plaats, waar nu de schuimspaan den steel van den pollepel aanraakt, merkt men met inkt en zet daarbij het cijfer 0. Daarop plaatst men midden in den lepel een gewicht van een 1 KG en schuift de schuimspaan achteruit totdat het evenwicht hersteld is. Hier plaatst men op de bovenzijde van den steel weer een merk, zet daarbij 1 KG, en verdeelt den afstand tusschen 0 en 1 in 10 gelijke deelen, welke ieder met een gewicht van 100 G overeenkomen.
Om het merk voor 2 KG te verkrijgen plaatst men 2 KG in den lepel en handelt verder als voren, m. d. v. dat de ruimte tusschen 1 en 2 ook weder in 10 deelen verdeeld wordt.
Door middel van deze graadverdeeling zal de keukenmeid met deze unster haar boter of suiker kunnen afwegen.
Als goudschaaltje durf ik deze inrichting niet aanbevelen, maar voor keukengebruik kan zij, bij gebrek aan eene andere balans, misschien eenige diensten bewijzen.
EEN EENVOUDIG WATERPAS.
Het luchtbelwaterpas is een vrij kostbaar en teer werktuig; bovendien moet men leeren het te gebruiken, daar het slechts in eene enkele richting den stand van een voorwerp aangeeft.
Het werktuig, dat u evenwel hier wordt aangeboden, kan ieder gebruiken, daar het waterpas er in iedere richting door wordt aangegeven; bovendien kan ieder het zelf maken en regelen.
Steek eene speld door eene kurk; bind een draad aan den kop der speld, laat de kurk in eene ledige flesch vallen en maak het vrije uiteinde van den draad met wat boen- of wrijfwas aan den bodem der flesch vast. Giet nu zooveel water in de flesch, dat de kurk drijft en de draad behoorlijk gespannen is (deze moet dus korter zijn dan de hoogte van de flesch); de punt der speld zal dan boven het water uitsteken en als het water in rust is, een vasten stand aannemen. (De speld behoeft niet vertikaal te staan). Sluit nu de flesch met eene kurk, waarin ge eene lange speld gestoken hebt, en regel den stand van de kurk zoodanig, dat, als de flesch op een marmeren schoorsteenmantel staat, die gewoonlijk vrij wel horizontaal is, de punt van den drijver en die van den vasten stop juist tegenover elkander komen. Nu lakt ge den stop op de flesch vast, om eene mogelijke verplaatsing van de daarin gestoken speld te voorkomen.