Natuurkunde in de Huiskamer: ongeveer 100 proeven met huishoudelijke voorwerpen.
Part 3
Ten gevolge van de ontwikkeling van het koolzuurgas zal zich eene hevige opbruising vertoonen, en daar er zich meer en meer koolzuurgas ontwikkelt, zal het door de pijp van den trechter uit de flesch komen. Maar als ge twee of drie balletjes van vlierpit of zelfs van kurk, zóó groot dat ze niet in de pijp dringen, in den trechter geplaatst hebt, kan het gas slechts bij tussenpoozen ontsnappen, daar een der balletjes altijd door zijn eigen gewicht op de opening van den trechter valt en deze afsluit, totdat het gas in de flesch spanning genoeg heeft gekregen om het balletje op te lichten. Op dat oogenblik vermindert de spanning, daar een gedeelte van het gas ontsnapt, en een der balletjes valt weder op de opening. Dit verschijnsel gaat voort, zoolang de gasontwikkeling duurt, en als ge de balletjes gekleurd hebt, zult ge zien dat die dans van levenlooze voorwerpen zeer eigenaardig is.
Ge kunt de proef zelfs zeer smaakvol inrichten door een der balletjes midden op een stukje sigarettenpapier te plakken, dat ge als de vleugels van een vlinder hebt uitgeknipt en gekleurd. Gij ziet dan den vlinder in den trechter rondfladderen en zich van tijd tot tijd op den rand nederzetten, evenals een levende vlinder op eene bloem doet.
DE MIDDELPUNTVLIEDENDE KRACHT.
Ge zult allen wel eens in een circus gezien hebben, dat iemand een glas water in een hoepel zette en dezen met eene verbazende snelheid liet draaien, zonder dat er een druppel water uit het glas viel; iedereen weet dat dit verschijnsel een gevolg is van de z. g. middelpuntvliedende kracht.
Dezelfde proef kan evengoed gedaan worden met het glas alleen, zonder eenig hulpmiddel. Als het glas vóór u op tafel staat, moet ge het dus met de hand opnemen, het met uitgestoken arm een geheelen cirkel door de lucht laten beschrijven en het daarna weder op tafel plaatsen, zonder er een druppel uit gemorst te hebben.
De geheele kunst bestaat hierin, dat ge het glas goed vasthoudt: in plaats van het aan te vatten alsof ge gingt drinken, neemt ge het zóó met de hand op, dat de handpalm naar buiten gekeerd is (zie de afbeelding rechts); zwaai den arm stoutweg door de lucht in de richting van de pijltjes op de teekening, niet te snel en zonder schokken; als het glas eene geheele omzwaaiing heeft volbracht, bevinden de hand en het glas zich in den stand, als links is afgebeeld; in dien stand zet ge het glas weer op tafel. Na een weinig oefening zijt ge in staat, de proef met een glas wijn te doen; maar begin veiligheidshalve met water: het tafellaken en uwe dischgenooten kunnen daar slechts bij winnen.
HET DANSENDE EI.
Leg het ei (hard gekookt en niet rauw) op eene gladde plank en deel aan die plank eene cirkelvormige horizontale beweging mede, die steeds sneller en sneller wordt. Het ei, dat midden op de plank ligt, neemt die beweging over en begint met toenemende snelheid om zijne as te draaien, totdat het eindelijk rechtop staat, volkomen als een tol.
Bij alle proeven, die betrekking hebben op evenwichtstoestanden, waarbij eieren gebruikt worden, wordt het welslagen bevorderd, door het ei gedurende het koken overeind te houden. De luchtholte komt daardoor symmetrisch ten opzichte van de groote as te liggen en het evenwicht zal dan gemakkelijker te verkrijgen zijn.
De aangeduide handelwijze eischt, behalve kracht en handigheid, een zekeren tijd van oefening. Hun, die zoolang niet wachten willen, wil ik een korteren weg wijzen:
Leg de plank op de tafel, zóó dat zij een weinig over den rand uitsteekt en dus snel opgenomen kan worden.
Plaats het ei middenop en breng het, met den duim der linker- en den wijsvinger der rechterhand tegen de beide punten, in eene krachtige draaiende beweging.
Het gaat dan dadelijk op de punt staan en als ge nu vlug de plank opneemt, behoeft ge slechts de draaiende beweging van het ei te onderhouden, wat overigens zeer gemakkelijk is.
DE DAMPKRINGSDRUKKING.
Onze teekening gelijkt veel op de strooibiljetten van fabrikanten van kitlijm om glas en porcelein te repareeren; wij hebben echter geen lijm noodig, om de afgebeelde borden, glazen en flesschen aan elkaar te doen kleven. Wij zullen eenvoudig van de dampkringsdrukking gebruik maken, en de verschillende proeven, welke wij zullen opgeven, zijn slechts wijzigingen van de classieke proef met de Maagdeburger halve bollen.
Daar wij geene luchtpomp te onzer beschikking hebben, is de verdunning der lucht, welke wij verkrijgen kunnen, niet zeer aanzienlijk; voor de verschillende gevallen, welke wij zullen beschouwen, is zij echter voldoende.
Het glas en het bord. Hang een glas het onderst boven aan de zoldering en houd er een brandend stuk papier onder; de lucht in het glas zal dan door de verwarming uitzetten en ijler worden; houdt men nu vóór de afkoeling een bord stevig tegen het glas, dan zal dit er door de dampkringsdrukking stevig tegen gedrukt worden, als de lucht in het glas weder afgekoeld is, en daardoor minder spanning gekregen heeft. Om het indringen van lucht in het glas te voorkomen, moet ge aan den rand van het glas een weinig kaarsvet smeren.
Het bord en de flesch. Daar de oppervlakte der doorsnede van den hals eener flesch niet groot is, slaagt deze proef niet zeer gemakkelijk: zij kan echter gelukken, als men de lucht zoo volkomen mogelijk uit de flesch verwijdert; houd daartoe den hals der flesch boven een ketel kokend water: is de lucht in de flesch door den waterdamp verdreven, dan drukt ge haar, na den rand van den hals van kaarsvet voorzien te hebben, tegen het bord; na de afkoeling van den waterdamp en de dientengevolge ontstane vermindering van spanning in de flesch, blijft deze aan het bord hangen.
De twee aan elkaar klevende flesschen. Twee flesschen met de bodems tegen elkaar, of eene flesch met den bodem tegen een bord gedrukt, zijn proeven welke gemakkelijker slagen; houd de bodems slechts boven den ketel kokend water en handel verder als bij de vorige proeven.
Het is hier de plaats niet, om in uitvoerige berekeningen te treden; het zal voldoende zijn, met een enkel voorbeeld aan te toonen, dat in deze proeven niets bevreemdends ligt.
Immers, wij weten, dat tengevolge van het gewicht der lucht (evenwicht makende met de kwikkolom van 76 cM. in den barometer), de door den dampkring uitgeoefende drukking 1,033 KG. per cM2. bedraagt. Wanneer dus de holte in den bodem eener flesch volkomen luchtledig was gemaakt, zou die bodem (als de oppervlakte daarvan op 30 cM2. gesteld wordt) een gewicht van 30 KG. kunnen dragen.
EENE GEVAARLIJKE SLINGERPROEF.
Wij weten, dat als wij een wijnglas geheel met water vullen en er een stuk stevig papier overheen dekken, om het indringen van lucht te verhinderen, het papier door de dampkringsdrukking zich zoo krachtig tegen den rand van het glas hecht, dat wij het snel het onderst boven kunnen keeren zonder dat er een druppel uit wegloopt.
Deze proef kan aldus gewijzigd worden: Steek een draad door het midden van het karton, waarmede ge het glas wilt bedekken, leg er een knoop in, opdat de draad niet kan terugschieten en maak de opening in het karton met een weinig was dicht, om elk indringen van lucht te voorkomen.
Hang het glas door middel van dien draad aan een haak in de zoldering, en ge hebt op deze wijze een slinger, welken ge vrij sterk kunt laten schommelen, zonder dat het glas valt. Niet alleen kan men een klein glas gedurende een geheelen dag zoo laten slingeren, maar de proef gelukt zelfs met een groot glas, met water en kopergeld gevuld.
De proefnemer zal wel doen, met wat kaarsvet aan den rand van het glas te doen, om de aankleving aan het karton te vermeerderen... en vooral de proef eerst met een onbreekbaar glas te verrichten.
EEN GLAS MET DE VLAKKE HAND OPNEMEN.
Hoe kan men een bijna geheel met water gevuld glas opnemen, enkel door het aan de vlakke hand te laten kleven?
Ge begrijpt reeds, dat dit verschijnsel het gevolg moet zijn van eene verdunning der lucht onder de hand, en ge zoudt gaarne vernemen hoe die verdunning verkregen kan worden.
Het middel is allereenvoudigst: Zet het glas op de tafel, leg de palm der hand op de opening, en buig de vier vingers rechthoekig naar beneden, zooals de onderste figuur van onze teekening aanwijst. Als ge nu de vingers plotseling uitstrekt, terwijl ge de handpalm voortdurend flink op den rand van het glas laat rusten, zal de lucht onder de hand voldoende verdund zijn om de dampkringsdrukking in staat te stellen de uitwerking van de zwaartekracht te overwinnen, en het glas water zal aan de hand blijven hangen, evenals het kopglas, dat de heelmeester bij eene aderlating gebruikt.
DE SPIJKER IN DE FLESCH.
Reeds meermalen hebben wij ons vermaakt met flesschen; ook ditmaal stel ik u weder voor eene flesch te nemen, die met water te vullen, haar goed luchtdicht af te sluiten, liefst te lakken, en er dan een spijker in te steken, zoo lang als een vinger, en dat zonder er de kurk uit te halen!
Als ik u heb medegedeeld, van welken kleinen kunstgreep ge u moet bedienen, zal het zien van de proef u geen genoegen meer verschaffen; maar zijne vrienden, die het geheim niet kennen, eens beet te nemen, is voor een keer ook niet onaardig.
Neem eene flesch van donker glas en met eene groote ziel; maak midden daarin een rond gat, in het geheim natuurlijk, en wel op de volgende wijze: Ge houdt de flesch het onderst boven en laat van eene tamelijke hoogte een rond vijltje, rattestaart geheeten, in de uitholling van de ziel vallen. Op deze wijze zult ge vrij spoedig een meer of minder regelmatig gaatje in de flesch kunnen maken. Door de kanten af te vijlen, kunt ge het zuiver afronden en het zoo wijd maken, dat de bedoelde spijker er door kan.
Gij zult u misschien afvragen, waarin bij deze proef de moeilijkheid bestaat: een gat in eene flesch maken en daar een spijker doorheen steken, dat is wel wat kinderachtig eenvoudig; in hoeverre heeft deze proef iets wetenschappelijks?--Ik behoef u slechts in herinnering te brengen, dat de flesch niet ledig is, maar gekurkt en vol water op tafel komt. Om de flesch gemakkelijk gevuld te krijgen, moeten wij beginnen met de opening in den bodem te sluiten, waarop we de flesch op de gewone wijze vullen: als we haar nu zorgvuldig met eene kurk gesloten hebben, kunnen wij het gaatje in den bodem weder open maken, zonder dat er een druppel uit de flesch vloeit, daar er geen enkele bel lucht in is. Maar als men ons de flesch met water op de tafel ziet zetten, zal niemand der toeschouwers op de gedachte komen, dat er een gat in den bodem is; als wij nu de flesch met de rechterhand bij den hals opnemen en den bodem op de linkerhand plaatsen, waarin zich de spijker bevindt, zal het ons gemakkelijk zijn, deze door het gaatje in de flesch te laten glijden; om te laten zien dat de spijker zich inderdaad in de flesch bevindt, kan men haar heen en weer schudden. De donkere kleur van het glas zal de misleiding volkomen maken. Het is goed, den kop van den spijker wat af te vijlen, zoodat het gat niet zoo groot gemaakt behoeft te worden; anders zouden er gemakkelijk eenige luchtbellen kunnen binnendringen, waardoor een weinig water uit de flesch zou loopen.
EEN VOL GLAS TE LEDIGEN IN EEN VOLLE FLESCH.
Ik geef u een glas en eene flesch, beide vol water, en ik verzoek u, het glas te ledigen met behulp van die flesch, en dat zonder haar zelve te ledigen.
Dat vraagstuk schijnt zeer ingewikkeld, niet waar? Gij zult zien, dat de oplossing toch zeer eenvoudig is.
Steek door een tweemaal doorboorde kurk twee stroohalmen, die nauwkeurig in de openingen passen; de eene halm moet zoolang zijn als de diepte van het glas, de andere tweemaal zoo lang. Sluit de eene opening van het korte strootje met een stukje broodkruim of een balletje was, en steek daarna de kurk zoo diep in de flesch, tot het water uit het lange strootje vloeit.
Als men nu het glas wil ledigen, heeft men slechts de flesch om te keeren, en het korte strootje tot op den bodem in het glas water te dompelen (zie de afbeelding); als men dit nu kort bij het dichtgemaakte uiteinde afknipt, vloeit het water terstond door den grooten stroohalm weg, totdat het glas geheel ledig is, terwijl de flesch steeds vol is gebleven.
Dit verschijnsel laat zich aldus verklaren: de beide stroohalmen vormen de beide beenen van een hevel, die onmiddellijk werkt, daar de beenen met vloeistof gevuld zijn. Om de werking van den hevel zelf te begrijpen, behoeft men slechts op te merken, dat de luchtdruk, op den vloeistofspiegel uitgeoefend, het water in het korte been omhoog drukt; wel wordt aan het ondereinde van het lange been door den dampkring een tegendruk uitgeoefend, maar, daar de vochtkolom, welker gewicht de drukking van den dampkring tegenwerkt, aan die zijde grooter is dan die in het korte been, zal de tegendruk geringer zijn, dan de druk waardoor het water in het korte been wordt opgedreven: de vloeistof moet dus uit het lange been wegvloeien.
Ge begrijpt nu ook, hoe men, door den langen stroohalm nog langer te nemen, de uitstroomingssnelheid kan vergrooten.
GEDAANTEVERWISSELINGEN VAN EEN ZEEPBEL.
Maak eene sterke zeepoplossing van Marseillaansche zeep (Spaansche of Bristolzeep), en lauw water (van omstreeks 15° C.); giet dit zeepwater door een doek, om de niet opgeloste zeepdeeltjes tegen te houden, en voeg er zuivere glycerine bij, 2 deelen glycerine op 3 deelen zeepwater. Roer dit mengsel goed dooreen en laat de vloeistof rustig slaan, totdat zich aan de oppervlakte eene witachtige korst gevormd heeft. Neem die korst weg, schenk de heldere vloeistof in eene flesch over, welke ge moet kurken, en waarin de vloeistof een onbepaalden tijd bewaard kan worden zonder te bederven.
Hieronder volgen eenige zeer eenvoudige proeven, welke ge met de aldus toebereide vloeistof kunt verrichten.
Voor het blazen van een bel kunt ge gebruik maken van een aarden pijp, of van een stroohalm, die aan het uiteinde in vieren gespleten is en waarvan het gespleten gedeelte rechthoekig omgebogen is, zooals op de teekening is aangewezen. Eene buis van papier, ter dikte van een vinger, en op dezelfde wijze gespleten als de stroohalm, is ook goed. Somtijds zelfs kunt ge daarmede bellen verkrijgen, zoo groot als uw hoofd en met de schitterendste kleuren gesierd.
Maak nu van dik ijzerdraad een ring van omstreeks 7 cM. middellijn op drie pootjes; als ge dezen met de vloeistof bevochtigd hebt, zal eene zeepbel welke ge er bij brengt, den stroohalm loslaten en zich aan het ijzerdraad hechten, waarop zij vrij lang kan blijven staan zonder te barsten, althans wanneer ze tegen tocht beschut is.
Neem nu een tweeden ring van ijzerdraad, aan een verticalen steel bevestigd en van dezelfde grootte als de eerste; als ge dien ring, ook weer bevochtigd, op de bel legt, kleeft deze er zoo sterk aan vast, dat ze, bij het omhoog trekken van den bovensten ring in een lichaam verandert, dat meer en meer tot de gedaante van een rechten of scheeven cilinder nadert, naarmate de bovenste ring al of niet recht boven den ondersten ligt.
De cilinder wordt weder een bol, als ge de hand naar beneden beweegt, en het is een zeer merkwaardig schouwspel, de zeepbel twee verschillende meetkunstige vormen te zien aannemen, alsof ze uit eene smeedbare stof bestond.
Voor verdere proeven moet ge een kubus van ijzerdraad hebben, waarvan de ribben 7 cM. lang zijn, en welke aan een ijzerdraad hangt, zooals onze figuren aanwijzen. Het ijzerdraad moet een weinig roestig, en dus wat ruw van oppervlak zijn.
Dompel nu dezen kubus in de glycerine-vloeistof; als ge hem er voorzichtig weder uithaalt, wacht u eene verrassing; in het midden ziet ge een zeer dun, vierkant vlies van vloeistof, waarvan iedere zijde met de overeenkomstige zijde van den kubus verbonden is door middel van een vlies van zeepwater, zooals de kubus rechts bovenaan op onze teekening aanwijst. Dompelt ge nu alleen het ondervlak van den kubus in de vloeistof, dan is de figuur veranderd: binnen in den kubus van ijzerdraad heeft zich een kleinen kubus gevormd, welks wanden uit zeepwater bestaan, en waarvan de ribben door platte vlakken van zeepwater aan de ribben van den grooten kubus verbonden zijn: deze vlakken vormen met die van den kleinen kubus zes volkomen regelmatige afgeknotte pyramiden; het geheel vertoont weer, als bij de zeepbellen, alle kleuren van den regenboog. Verbreek nu met een stuk vloeipapier een der vlakken van den kleinen kubus en de eerste figuur, waarin de binnenste kubus tot een enkel vierkant is teruggebracht, komt terstond weder te voorschijn.
HET VUURVASTE GAREN.
Leg een draad in sterke pekel, laat hem drogen, en herhaal dit twee of drie maal. Als ge deze bewerking vooraf verricht hebt, kunt ge den draad gerust aan de toeschouwers laten zien, daar hij er geheel als een gewone draad uitziet.
Hang er een ring aan, die zoo licht mogelijk moet zijn, en steek den draad aan, die geheel zal wegbranden; de toeschouwers zullen dan tot hunne verbazing zien, dat de ring aan de asch blijft hangen. Inderdaad zijn wel de vezels, waaruit de draad bestond, verbrand, maar er blijft een draad van zout over, die sterk genoeg is om den ring te dragen, als er geen tocht is.
Deze proef kan aldus gewijzigd worden:
Maak een soort van hangmat van een rechthoekig stukje neteldoek, waaraan ge aan de vier punten een draadje hebt gebonden, drenk de draden, en het neteldoek weer eenige keeren met pekel en laat alles drogen.
Hang nu de hangmat op, zooals de figuur aanwijst, en leg er eene ledige eierschaal in.
Steek de hangmat aan, zij zal even als de draden verbranden, en als de proef goed voorbereid is, zal het ei tot groote verbazing der omstanders blijven hangen.
DE HAND IN HET WATER TE STEKEN, ZONDER DAT ZIJ NAT WORDT.
Werp een ring of een geldstuk in een kom met water, en neem aan, het voorwerp uit het water te halen, zonder de hand nat te maken.
Daartoe behoeft ge slechts de oppervlakte van de vloeistof te bestrooien met een poeder, waaraan het water niet blijft kleven en dat dus niet nat wordt. Het lycopodiumpoeder, dat in alle apotheken te krijgen is, bezit die eigenschap.
Strooi dus een weinig van dat poeder op het water, dompel de hand gerust in de vloeistof en haal den ring er uit; de toeschouwers zullen zich kunnen overtuigen, dat uwe hand volkomen droog gebleven is.
Het lycopodiumpoeder heeft in den waren zin des woords uwe hand bekleed met een handschoen, waarop het water geen vat heeft, evenmin als op de veeren van de eenden, die we herhaaldelijk zien onderduiken en toch volkomen droog blijven, tengevolge van de vetdeelen, waarmede de veeren bedekt zijn.
Mochten sommigen uwer de proef nog verder willen voortzetten, dan kunnen zij daartoe steeds warmer water nemen, en zich overtuigen dat het met behulp van het lycopodiumpoeder mogelijk is, een voorwerp uit een ketel met bijna kokend water te halen; het gevoel van warmte wordt niet weggenomen, maar de weefsels worden niet aangedaan, en er ontstaat dus geen brandwond.
De kennis van deze bijzonderheid zou in de middeleeuwen zeer te stade zijn gekomen aan de slachtoffers van de zoogenaamde ordaliën of godsoordeelen, als zij aan de proef met kokend water onderworpen werden.
HOE MEN SPELDEN EN NAALDEN KAN LATEN DRIJVEN.
Werp een druppel water op een stuk glas, hij zal er zich op uitbreiden; breng er een kwikdruppel op, deze zal den bolvorm behouden: water bevochtigt glas, kwik niet.
Neem nu eene droge speld; dit is een lichaam dat door water bevochtigd wordt, maar minder gemakkelijk dan glas; onderstel nu, dat ge er in geslaagd zijt, haar zoo voorzichtig op het water te plaatsen, dat zij hierdoor niet bevochtigd wordt; gij zult dan zien, dat het water ter weerszijden van de speld bol gaat staan; daar zij nu een voldoend volume water verplaatst, zal zij evenals een lucifer op de vloeistof drijven.
Met eene naald gelukt de proef ook; en ge behoeft niet te denken, dat de spelden en naalden zeer fijn moeten zijn; met de noodige voorzorgen kunt ge zelfs eene bakerspeld of eene stopnaald laten drijven. Ik zal u daarom zeggen, hoe men de speld zoo zachtjes op het water kan leggen, dat zij niet nat wordt.
Vooreerst kunt ge de speld of de naald op de oppervlakte der vloeistof laten zakken met behulp van twee lussen van garen, welke ge voorzichtig verwijdert, als de speld drijft.
Maar dit eischt eenige behoedzaamheid, daar anders de lussen bij het wegtrekken de speld aanraken.
Ge kunt ook de speld bij de punt aanvatten en haar behendig op het water neerleggen; ge moogt haar dan pas loslaten als zij met haar beeld samenvalt.
Deze handelwijze, ik herhaal het, eischt eene zeer vaste hand. Eenvoudiger is het, de speld op eene vork te leggen, welke men daarop in het water dompelt, en voorzichtig in loodrechten stand omhoog haalt. Dit middel is wel practischer dan de beide vorige, maar eischt toch nog eenige oefening.
Om te besluiten, wil ik nog een uiterst eenvoudig middel mededeelen, waardoor het zelfs een kind gelukt, deze proef met goeden uitslag te verrichten.
Leg een blaadje cigarettenpapier op het water en de speld daarop; als het papier allengs met vocht doortrokken is, zinkt het en de speld zal zonder eenig bezwaar drijven. Men kan het papiertje voorzichtig verwijderen, om het gebruikte kunstje voor de toeschouwers te verbergen.
Door dezen kunstgreep kan men zelfs een dubbeltje op het water laten drijven.
HET GOEDKOOPE KOMPAS.
Maak eene naald magnetisch, door de punt langs een magneet te strijken en leg haar op een der bovengemelde wijzen op het water.
Gij hebt dan een uitstekend kompas, daar de magnetisch gemaakte punt het Noorden aanwijst.
Dit kompas, dat niet duur is, zal ons bij eene volgende proef te pas komen.
DE TWEE PANTSERSCHEPEN.
Ge kunt in het klein, in een glas water, de aanvaring van twee pantserschepen voorstellen met twee spelden, waardoor elke gedachte aan magneten vervalt.
Laat twee in plaats van eene speld drijven, en verwijder ze zoo ver mogelijk van elkaar, door er tegen te blazen.
Als het water in rust is gekomen, zult ge zien, dat zij elkaar eerst langzaam, daarna steeds sneller naderen; eindelijk zullen zij woedend op elkaar losstormen en boord aan boord gaan liggen, als zij tenminste door de hevigheid van den schok niet gezonken zijn.
Dit is weder een capillair verschijnsel: de beide drijvende lichamen trekken elkaar aan, omdat beide bevochtigd worden; hetzelfde zou plaats hebben met twee balletjes van kurk, daar wij bij water en kurk ook aankleving waarnemen; maar als wij een van beide met lampzwart bedekken, dat door water niet nat gemaakt wordt, zouden we zien, dat ze elkaar afstooten.
DE BEWEGING DER AARDE.
Als ge zacht gekookte eieren eet, verzuim dan niet de volgende proef te nemen, die altijd gelukt en zeer vermakelijk is.
Maak den rand van uw bord een weinig nat, teeken met wat dooier (ge ziet de verf is dicht bij de hand) eene zon met gouden stralen op uw bord, en nu kunt ge met eene halve eierschaal aan een kind de dubbele wenteling der aarde om haar eigen as en om de zon duidelijk maken. Plaats daartoe de eierschaal op den rand van het bord; als ge hieraan met eene lichte handbeweging eene behoorlijke helling geeft, zal de schaal snel om haar eigen as gaan wentelen, terwijl zij zich tevens langs den rand van het bord verplaatst.
De geringe aankleving, welke wordt teweeggebracht door het water op den rand van het bord, is voldoende om te beletten, dat de schaal door de middelpuntvliedende kracht van den rand afzwaait.
HOE MEN KURKEN RECHTSTANDIG KAN LATEN DRIJVEN.
Een kom of bak met water en zeven kurken is alles, wat wij noodig hebben om de proef te verrichten, waarvan de titel spreekt; ik hoop, dat onze lezers haar daarom niet minder interessant zullen vinden.
Iedereen weet, dat eene gewone cilindrische flesschekurk niet rechtstandig kan drijven, maar altijd omvalt, zoodat hare as horizontaal ligt; dit komt, omdat de hoogte grooter is dan de middellijn; hoe moeten wij het nu aanleggen om kurken rechtstandig te laten drijven?