Natuurkunde in de Huiskamer: ongeveer 100 proeven met huishoudelijke voorwerpen.

Part 2

Chapter 23,973 wordsPublic domain

Maak verder een zakje van twee stukjes rood flanel volgens de stippellijn van onze teekening aaneengenaaid, doe er als ballast wat hagelkorrels in, en schuif het ei er half in met de opening in den zak. Plak den rand van den zak met rood zegellak op de eierschaal en de visch is gereed.

De stukken flanel kunnen volgens de teekening geknipt worden, maar ge kunt door den vorm en het aantal vinnen te wijzigen, uw visch een meer of minder zonderlinge gedaante geven.

Hoe de vorm ook zij, de visch zal een uitstekende Cartesiaansche duiker zijn, welken ge kunt laten rijzen of zinken in een hoog, met water gevuld glas, waarover ge een vlies van caoutchouc of een andere geen vocht doorlatende stof hebt gebonden.

Gij moet zooveel ballast in den visch doen, dat hij nog drijft, maar door een zeer lichten stoot met de hand naar den bodem zinkt.

Als ge nu de hand op het vlies legt en zachtjes op het water drukt, zal het water door het gaatje in het ei dringen; waardoor de visch zwaarder wordt en zinkt. Houdt de drukking met de hand op, dan zal de lucht, die door het binnengedrongen water werd samengeperst, zich weer uitzetten en het water uitdrijven; daar de visch nu lichter is geworden, zal hij weer naar boven komen en uwe bevelen schijnen op te volgen, mits de bewegingen van uwe hand bij het drukken voor de toeschouwers niet merkbaar zijn.

EEN ZONDERLINGE BLAKER.

Men zal moeten bekennen, dat een glas water wel de zonderlingste blaker is, dien men kan bedenken; gij zult echter zien, dat hij niet slechter is dan een andere.

Bezwaar een eind stearinekaars, door er van onderen een spijker in te steken van zoodanig gewicht, dat de kaars juist tot den bovenkant inzinkt; de pit mag echter niet nat worden.

Als ge nu de kaars aansteekt, zal zij blijven branden, in weerwil van de voor haar zeer gevaarlijke omgeving.

Dit schijnt op het eerste gezicht buitengewoon; maar als men even nadenkt begrijpt men wat er moet gebeuren.

Door de verbranding wordt de kaars weliswaar korter, en schijnt de pit met het water in aanraking te moeten komen, maar daarentegen neemt het gewicht van de kaars daarbij af, waardoor zij stijgt.

Daar bovendien de stearine aan de buitenzijde door de vloeistof wordt afgekoeld, zal zij langzamer smelten dan in de lucht, de kaars zal van boven voortdurend holler worden, zoodat de vlam zich een soort van putje graaft, dat terzijde van de teekening is afgebeeld.

Deze uitholling werkt klaarblijkelijk mede tot het lichter worden van de kaars; en de pit zal, zooals te vermoeden was, tot het einde opbranden.

De practische zijde van deze proef is, dat de hoogte van de vlam van onze kaars even onveranderlijk is als die van den vloeistofspiegel en men aldus een lichtend punt van standvastige hoogte verkrijgt; dit kan van belang zijn bij photometrische proeven, welke ten doel hebben de lichtsterkte van verschillende vlammen te meten.

MET EEN BEZEMSTEEL EEN BRIEF TE WEGEN.

Om lichte voorwerpen te wegen, brieven bijv., heeft men eene vrij gevoelige balans noodig; als zoodanig bevelen wij onzen lezers onzen brievenweger aan, die van een bezemsteel gemaakt kan worden.

Zaag van een bezemsteel een stuk af ter lengte van ongeveer 30 cM. en bezwaar dit van onderen zoodanig, dat er, als het in water gedompeld wordt, een stuk van ongeveer 10 cM. hoogte boven den waterspiegel uitsteekt, en het zuiver rechtstandig drijft.

(Kies vooral een droog stuk hout en verf het, ook van onderen, voor ge begint.) Spijker er nu met een klein nageltje een schaaltje op in den vorm van een visitekaartje, en uw brievenweger is gereed. Om er de graadverdeeling op aan te brengen, legt ge op het schaaltje achtereenvolgens 2, 4, 6, enz. bronzen centen, waardoor het werktuig regelmatig dieper zal zinken en plaatst ge potloodstreepjes bij de opeenvolgende punten van inzinking.

Daar 2 nieuwe centen 5 G. wegen, wijst de inzinking tot het 1e, 2e, 3e streepje enz., eene belasting aan van 5, 10, 15 G., enz.

Legt ge nu den brief, welken ge wenscht te wegen, op het schaaltje, na de centen weggenomen te hebben, en het werktuig zinkt niet tot het 3e streepje in, dan weegt de brief geen 15 G., en een postzegel van 5 cts. is voor de frankeering voldoende; komt het 3e streepje onder den waterspiegel dan moet het port verdubbeld worden.

DE ZEEPBELLEN EN HET KOOLZUURGAS.

In de eerste plaats zal ik u vertellen, op welke wijze iedereen koolzuurgas kan bereiden.

Neem een wijd en diep glas, bijv. een groot bierglas, houd daarin de pijp van eene spuitwaterflesch, en spuit een weinig mineraalwater met kort afgebroken straaltjes in het glas. Hieruit zal zich koolzuurgas ontwikkelen, dat door zijne groote dichtheid (1 1/2 maal zoo zwaar als de dampkringslucht), deze uit het glas drijft.

Zuig nu met een strootje het spuitwater uit het glas, maar zorg daarbij, dat het strootje tot op den bodem van het glas reikt, en er bovendien nog omstreeks 1 cM. water in het glas blijft. Herhaal dit inspuiten en uitzuigen van water, totdat het glas geheel met koolzuurgas gevuld is. Zien kunt ge dit niet, daar dit gas even onzichtbaar is als de lucht; als ge echter een brandenden lucifer in het glas steekt en deze dan dadelijk uitgaat, kunt ge zeker zijn, dat het glas vol koolzuur is.

Dek nu het glas met een theeschoteltje om de diffusie van het gas in de lucht te beletten, en alles is gereed voor de volgende proeven met zeepbellen: 1o. Bereid de vloeistof, waarvan wij de samenstelling in het opstel: Gedaanteverwisselingen van een zeepbel (bladz. 88) opgeven en blaas met een in vieren gespleten strootje (in de teekening ligt het op het vat met vloeistof) eene zeepbel. Deze moet ge nu in het met koolzuurgas gevulde glas B laten vallen. Zoodra zij op de gaslaag komt, zult ge haar uit het glas zien omhoogspringen onder de werking van eene opstuwende kracht, die grooter is dan haar eigen gewicht; eene andere bel daarentegen, in het niet met gas gevulde glas A gedaan, zinkt daarin naar den bodem en spat daar uiteen.

2o. Als ge de bel behoedzaam op de gaslaag plaatst, zult ge een zeer merkwaardig verschijnsel waarnemen: de bel zwelt op, wordt zwaarder en zinkt in het glas, steeds in omvang toenemende, zooals men in C ziet, om eindelijk tegen de opstaande wanden stuk te stooten.

Dit wordt hierdoor veroorzaakt, dat het koolzuurgas door endosmose de bel binnendringt, waardoor het gewicht en de omvang van de bel, die oorspronkelijk met lucht gevuld was, vermeerderd worden.

Als ge de glycerine-vloeistof (vloeistof van Plateau) niet kunt krijgen, moet ge u met goed gewoon zeepwater tevreden stellen.

DE SCHORPIOEN VAN KAMFER.

Plaats op de oppervlakte van het water in eene schaal stukjes kamfer van verschillende grootte in den vorm van het een of ander dier, een schorpioen bijv. Na eenigen tijd begint het dier zich in de vloeistof te bewegen; ge ziet het met de pooten trekken, alsof het beproefde te zwemmen, en den staart krommen.

Deze aardige proef is zeer eenvoudig en weinig kostbaar, daar men in iedere huishouding kamfer bij de hand heeft; niettegenstaande deze schijnbare eenvoudigheid, kan zij ons stof leveren voor eenige zeer belangwekkende opmerkingen:

1o. Onze schorpioen drijft op het water, maar dompelt daarbij haast geheel onder; dit bewijst ons, dat de dichtheid van kamfer geringer is dan die van water, maar er slechts zeer weinig van verschilt; het soortgelijk gewicht is dan ook 0.995.

2o. Het dier lost niet op: kamfer is dus onoplosbaar in water; hadden wij het daarentegen in alcohol geplaatst, dan zouden wij bespeurd hebben, dat alcohol de kamfer oplost.

3o. De losse stukken, waaruit onze schorpioen bestaat, blijven aaneenliggen juist zooals ze gelegd werden en schijnen aan elkaar te kleven: ze blijven verbonden door de kracht, welke men cohaesie noemt.

4o. Ten slotte: dat de schorpioen de zonderlinge bewegingen maakt, waarvan wij zooeven spraken, wordt veroorzaakt door de welbekende eigenschap van kamfer, dat zij in beweging geraakt op het water, waarop zij drijft. Wij weten inderdaad, dat een stukje kamfer, op een wateroppervlak geplaatst, na eenige oogenblikken eene voortgaande en draaiende beweging zal verkrijgen; deze bewegingen ontstaan, volgens sommigen door eene terugwerkende kracht, door de ontwikkeling van kamferdampen ontstaan, volgens anderen door eene geheimzinnige kracht, spanning aan de vloeistofoppervlakte geheeten.

HET WATERRAD VAN STROOHALMEN.

Maak in den bodem van eene groote uitgeholde kurk een gaatje, en bevestig daarin een halm van roggestroo ter lengte van omstreeks 40 cM.

Aan het andere einde van dien stroohalm, in A (zie de afbeelding rechts op de teekening), maakt ge met lak een dwarsstrootje vast, waarin op het midden een gaatje is gemaakt, om beide buizen met elkander in verbinding te stellen. Sluit de dwarsbuis aan de einden met lak en maak daarin, dicht bij de beide uiteinden aan twee tegenovergestelde zijden een gaatje, waartegen ge een paar strootjes van omstreeks 2 cM. lengte met een weinig lak bevestigt; deze dienen voor uitstroomingsbuizen. Zij moeten schuin afgesneden worden, om de uitstrooming van de lucht en dientengevolge de afvloeiing van de vloeistof te bevorderen.

Verbind de kurk met drie draadjes aan een metalen schijfje, bijv. een knoop, hang dezen aan een draad op, die door het middelste gaatje van den knoop gaat, en vul de kurk nu met water of houd ze onder een dun waterstraaltje: het water zal door de uitstroomingsbuizen wegvloeien, en daar de openingen hiervan naar tegenovergestelde zijden gericht zijn, zal de geheele toestel met groote snelheid in de richting der pijltjes gaan draaien; dit wordt veroorzaakt door de drukking (reactie) van het water tegen die deelen der zijwanden van de horizontale buis, welke tegenover de uitstroomingsopeningen liggen. Het geheele werktuig draagt in de natuurkundige leerboeken den naam van Waterrad van Segner.

Daar de verbinding der buizen door middel van lak vrij lastig is, kunt ge hiertoe ook drie kleine kurken gebruiken, zooals de doorsneden op het midden van onze teekening aanwijzen.

In de middelste kurk boort ge twee gaten, die rechthoekig op elkaar staan (zie fig. A'), en steekt daarin de vertikale buis en twee dwarshalmen. Twee kleinere kurken (zie fig. B') bevestigen de uitstroomingsbuizen aan de dwarshalmen.

Als stroo ons niet sterk genoeg toeschijnt, kunnen wij het vervangen door eene dunne koperen buis, bijv. eene gordijnroede. Het uiteinde van de buis, dat in de kurk gestoken is, wordt gedeeltelijk weggesneden en het overblijvende omgebogen als in C'; dit wordt opgehangen aan een ijzerdraad, om welken de toestel kan draaien.

In plaats van twee, kunt ge ook vier dwarsbuizen aanbrengen, en ze een weinig ombuigen, zooals de teekening aanwijst, waardoor de afzonderlijke uitstroomingsbuizen onnoodig worden.

Hang den aldus gewijzigden toestel boven de tafel, na het licht uitgedaan te hebben; giet wat warme rum in het kurken bekertje en steek de uitstroomende straaltjes vocht aan, dat als een vuurregen zal neerdalen op den pudding of de omelet welke er onder staat; gij zult eens zien, hoe verrast uwe gasten zullen zijn bij het zien van dit vreemde vuurwerk.

DE DRAAIENDE HEVEL.

Loodrecht door het midden van eene groote kurk gaat een stroohalm; deze draagt een liggenden halm van dezelfde dikte; de beide hangende halmen zijn dunner, evenals de beide uitstroomingsbuisjes, welker openingen weder naar tegenovergestelde zijden moeten gericht zijn (zie de teekening). De verbinding der deelen geschiedt op dezelfde wijze als bij den vorigen toestel, met lak of met kurken.

De uiteinden van de horizontale buis en de hangende buizen moeten weder met lak of was afgesloten worden.

De aldus ingerichte toestel is, naar wij gelooven, iets nieuws op wetenschappelijk gebied: waterrad en hevel in één werktuig vereenigd.

De kurk wordt nu in een glas water geplaatst, zoodat het ondereinde van den middelsten stroohalm onder water uitkomt; twee personen zuigen tegelijk aan de beide uitstroomingsbuizen, en zoodra de uitstrooming begint, gaat de geheele toestel draaien; tegelijkertijd wordt het glas geledigd, totdat de horizontale halm zoo ver gedaald is, dat hij op den rand van het glas komt te liggen.

Als men zorgt voor een onafgebroken toevoer van water, en deze zoodanig geregeld wordt, dat de waterspiegel in het glas even hoog blijft, dan werkt de toestel steeds door.

Misschien kan dit denkbeeld groote diensten bewijzen aan water-werktuigkundigen, om waterkracht nuttig aan te wenden zonder hulp van werktuigen.

In plaats van het broze stroo, kan men zeer dunne koperen buisjes gebruiken, die omgebogen en in een kurk gestoken worden, volgens de afbeelding aan den rechterkant op onze teekening.

Bij deze inrichting kan men zooveel buisjes gebruiken als men wil, en kan dezelfde persoon ze één voor één in werking brengen.

Gebruikt ge stroo, dan moeten de uitstroomingsbuizen weder schuin afgesneden worden; bij koperen buisjes worden, de uitstroomingsopeningen een weinig dicht geknepen, om het water minder snel te laten afvloeien.

DE STOOMBOOT.

Een scheepje van karton zullen wij laten varen, door er eene stoomboot van te maken met behulp van twee eierschalen.

Uw werk als scheepsbouwmeester is niet moeielijk: gij snijdt de deelen van het schip uit tamelijk dik karton, en plakt ze met lak goed waterdicht aaneen.

De scheepsboorden maakt ge van spelden en zwart garen, en aan den achtersteven bevestigt ge een roer, dat om eene speld moet kunnen draaien en met twee draden van ongelijke lengte aan de boorden kan verbonden worden; hierdoor kan het roer schuin gezet worden, als uwe zee de bescheiden afmetingen heeft van een bak met water, waarin de boot in de rondte moet varen.

Twee ijzerdraden, volgens onze teekening gebogen, en beide rustende in twee insnijdingen in den romp, dragen eene ledige eierschaal. Het ei moet door zuigen geledigd zijn, daar er slechts, één gaatje in de schaal mag wezen.

Vul nu de eierschaal zoo ver met water, dat, als het ei horizontaal ligt, de waterspiegel een weinig onder het gaatje blijft. Nu is de ketel gereed, wij leggen hem op de beide ijzerdraden met de opening naar achteren; deze moet boven het scheepsboord liggen.

Als vuurhaard zetten we daaronder een halven eierdop op een ring van kurk, die met lak op den bodem van de boot bevestigd is; in den dop doen wij een vlokje watten, goed met wijngeest gedrenkt.

Eenige seconden nadat de wijngeest is aangestoken, begint het water te koken, en er komt een stoomstraaltje uit het gaatje in de eierschaal. Door de reactie van dien stoomstraal tegen de lucht zal het scheepje zich vooruit bewegen; ge hebt aldus een stoomschip verkregen, dat zonder machine, raderen noch schroef kan varen.

HET KANONSCHOT.

Wilt ge aan tafel de ontroering gevoelen, die door een kanonschot wordt teweeggebracht, het gebulder vernemen, dat zenuwachtige menschen doet schrikken, de bom met bliksemsnelheid zien voortvliegen, en ten slotte het verschijnsel van den terugsprong van een stuk geschut waarnemen?

Zeg gerust "ja!", want de proef, welke ik u zal voorstellen te doen, is zoo onschuldig mogelijk, gelijk ge dadelijk zien zult.

Neem eene ledige flesch van dik glas (eene champagneflesch is uitstekend), en vul haar voor een derde met water, waarin ge een weinig dubbel-koolzure soda (het welbekende zuiveringszout) oplost.

Maak vervolgens van eene speelkaart een buisje, sluit een der einden daarvan met een prop vloeipapier en doe er een weinig fijn gestampt wijnsteenzuur in.

Hang nu uwe gereedgemaakte kardoes met behulp van eene speld en een draadje onder aan de kurk van de flesch (deze moet voorloopig blijven staan), en zet nu de kurk zoo vast mogelijk op de flesch, na de lengte van den draad zoodanig geregeld te hebben, dat het ondereinde van de buis niet aan de vloeistof in de flesch raakt.

Nu is het kanon geladen, en hebben wij het nog maar af te vuren. Daartoe behoeven we niets anders te doen dan de flesch horizontaal op twee potlooden te leggen, welke evenwijdig aan elkaar op tafel liggen en de affuit voorstellen.

De vloeistof dringt in de buis, lost het wijnsteenzuur op, en het koolzuurgas, dat plotseling ontwikkeld wordt, drijft de kurk met een geweldigen slag uit de flesch; deze rolt door de reactie op de twee potlooden achteruit, en bootst zoodoende den terugsprong van een stuk geschut volkomen na.

EEN PAPIEREN VISCH OP HET WATERVLAK TE LATEN ZWEMMEN.

Knip van gewoon papier een visch, zooals op de teekening op de ware grootte is voorgesteld, maak in het midden eene cirkelvormige opening a, die door een nauw kanaal ab in den staart moet uitmonden, giet water in een langwerpigen bak en leg den visch daarop; de onderzijde moet geheel met het water in aanraking zijn, de bovenkant echter volkomen droog blijven.

Neem nu aan, het dier te laten bewegen, zonder het aan te raken, noch er op te blazen. Dit kunt ge op de volgende wijze bewerkstelligen: giet voorzichtig een grooten druppel olie in de opening a; deze olie zal zich over de oppervlakte van het water trachten te verspreiden, doch dit is slechts mogelijk als zij door het kanaal ab wegvloeit. Door de reactie, waarvan wij reeds voorbeelden gaven, zal de visch voortgestuwd worden in eene richting, tegenovergesteld aan die van de uitstroomende olie, dus vooruit, en de beweging zal lang genoeg duren om de toeschouwers in de gelegenheid te stellen, met verbazing de beweging van een eenvoudig stuk papier aan de oppervlakte van het water gade te slaan, zonder te kunnen begrijpen, hoe dit mogelijk is, indien zij niet van te voren ingelicht zijn.

DE TOOVERFIGUREN.

Teeken op een vierkant stukje gewoon wit papier of postpapier met een in water gedoopt potlood eene willekeurige meetkunstige figuur: een vierkant, een rechthoek, een driehoek, een veelhoek, enz.

Laat het stuk papier in een bak met water drijven, met de teekening boven (de onderzijde van het papier moet op alle punten met het water in aanraking zijn), en bedek de teekening met water; als ge een weinig voorzichtig zijt, is dit vrij gemakkelijk, daar de vochtige omtrek van de figuur (een driehoek bijv.) het water belet buiten de getrokken lijnen te vloeien.

Neem nu eene speld, en steek de punt daarvan op een willekeurig punt van den driehoek in het water, maar zonder het papier aan te raken; gij zult dan terstond het papier zich in een bepaalde richting zien bewegen, totdat het middelpunt van figuur A (zwaartepunt) van den driehoek juist onder de punt van de speld ligt.

Het is gemakkelijk het punt A vooraf te bepalen (het is het snijpunt van twee lijnen, die uit twee hoeken naar het midden der overstaande zijden getrokken worden), zoodat ge u kunt overtuigen, dat het papier zich in de richting van het pijltje beweegt, totdat A zich onder de punt der speld bevindt. Op dat oogenblik houdt de beweging van het papier op.

Herhaal de proef met een rechthoek of een vierkant; het punt dat zich onder de punt der speld bevindt, als de beweging van het papier ophoudt, zal het snijpunt der beide diagonalen zijn.

Hebt ge op het papiertje een kaartje van Frankrijk geteekend en dit met water bedekt, dan zal u blijken, dat de plek, welke onder de speld komt te liggen overeenkomt met de plaats, waar ge op de kaart de stad Bourges vindt. Dit is voorzeker eene merkwaardige wijze om aan te toonen, dat de stad Bourges het middelpunt van Frankrijk is.

Doe dezelfde proef ook eens met een klein kaartje van Nederland, misschien verneem ik dan wel eens bij gelegenheid van u, waar het middelpunt van Nederland is.

(Daar de Zuiderzee en de Wadden ook tot het gebied van Nederland behooren, moeten de oppervlakten hiervan ook met water bedekt worden).

DE KRACHT VAN DEN ADEM.

Als ge een papieren zak opblaast en hem daarna, door er een slag met de vlakke hand op te geven, laat barsten, om den welbekenden knal teweeg te brengen, hebt ge u dan wel eens afgevraagd, hoeveel kracht uw adem had? Gij weet, dat die kracht kan gemeten worden met een werktuig, dat spirometer heet, en wel op kermissen te zien is. Ik stel u voor, den spirometer eenvoudig door een papieren zak te vervangen.

De zak moet vrij lang, nauw, en van stevig papier zijn. Leg hem plat op de tafel, dicht aan den rand, met de opening naar u toe, zet er al meer en meer belasting op, en ge zult verbaasd staan over het gewicht, dat uw adem aldus kan opheffen.

Een paar zware woordenboeken om te blazen, die van Kramer's bijv., zal blijken slechts een spel voor u te zijn.

DE WEERBARSTIGE KURK.

Neem eene kurk, waarvan de middellijn kleiner is dan de wijdte van den hals eener gewone flesch, bijv. eene kurk van een medicijnfleschje, steek haar in den hals en verzoek dan iemand haar in de flesch te blazen. Dat schijnt heel gemakkelijk, en men blaast uit alle macht tegen de kleine kurk; maar deze, in plaats van de flesch in te gaan, springt er met des te meer snelheid uit, naarmate men harder geblazen heeft; men beproeft het nog eens met zachtjes blazen, maar met denzelfden uitslag: de kurk komt halsstarrig naar buiten, in plaats van in de flesch te gaan.

Dit verschijnsel, dat de belangstelling van alle toeschouwers wekt en zeer vermakelijk is, laat zich aldus verklaren: Als ge op de kurk blaast, dringt er tegelijk eene zekere hoeveelheid lucht de flesch binnen en wordt daarin in die mate verdicht, dat zij door haar vermeerderde spanning de kurk krachtig naar buiten drijft. Hebt ge aan uw verzoek een weddenschap verbonden, dan zult ge die zeker winnen, tenzij uw tegenpartij, wat ik voor hem hoop, Natuurkunde in de Huiskamer gelezen heeft; want in dat geval zal hij, niet op ééne, doch op twee wijzen in staat zijn, de overwinning te behalen op de weerbarstige kurk:

1o. Daar men door blazen de lucht in de flesch verdicht, en de kurk dus naar buiten gejaagd wordt, kunt ge beproeven, of ge niet beter zult slagen, door het tegendeel te doen, d. w. z. door de lucht uit de flesch op te zuigen, waardoor de buitenlucht, zoodra ge uw mond van den hals hebt weggenomen, door de verminderde spanning van de verdunde lucht in de flesch naar binnen stroomt en de kurk medevoert, die tegen den bodem van de flesch aanvliegt;

2o. De lucht verdunning kan ook verkregen worden door de flesch boven eene lamp of bij het vuur te verwarmen; een koude luchtstroom in de flesch geblazen zal de kurk dan naar binnen drijven.

Welke handelwijze ge ook volgt, ge moet altijd zorgen, dat de flesch van binnen goed droog is; en iederen keer als de flesch door het blazen beslagen is, waardoor het glijden van de kurk langs de wanden belemmerd wordt, moet de hals uitgeveegd worden.

EEN KWARTJE ONDER EEN RIJKSDAALDER VANDAAN TE BLAZEN.

Neem een kegelvormig wijnglas; de middellijn van den rand moet een weinig grooter zijn dan die van een rijksdaalder: leg onderin een kwartje of een dubbeltje, en den rijksdaalder, die maar zeer weinig in het glas mag zakken, als een soort van deksel horizontaal er overheen.

Nu kunt ge aannemen, dat ge, zonder het glas of den rijksdaalder aan te raken, het kwartje uit het glas kunt krijgen.

Ge behoeft dan slechts zeer krachtig en snel aan den omtrek op den rijksdaalder te blazen: deze kantelt om zijne middellijn en gaat loodrecht staan, en te gelijker tijd zal de lucht, die door uw blazen onder het kwartje verdicht werd, dit laatste uit het glas doen springen; de rijksdaalder herneemt daarna zijn horizontalen stand.

De proef gelukt ook met een klein maderaglas of een eierdopje: maar met een kegelvormig glas toch beter.

DE VLIEGENDE VLINDER.

Giet eene flesch met wijde opening half vol water, zet dan met behulp van eene doorboorde kurk een blikken, of nog beter een glazen trechter goed luchtdicht in den hals, (de trechter mag niet tot in het water reiken) en werp nu een weinig dubbel-koolzure soda en wijnsteenzuur (beide in poedervorm) door den pijp van den trechter in het water.