Natuurkunde in de Huiskamer: ongeveer 100 proeven met huishoudelijke voorwerpen.

Part 1

Chapter 14,116 wordsPublic domain

NATUURKUNDE IN DE HUISKAMER,

ONGEVEER 100 PROEVEN MET HUISHOUDELIJKE VOORWERPEN.

Uit het Fransch in het Nederlandsch bewerkt

DOOR

D. H. COCHERET.

(Derde Druk.)

Rotterdam, NIJGH & VAN DITMAR.

Aan mijn zoon Jan.

Lieve Jan,

Onder de proeven, welke in dit boek medegedeeld worden, zijn er eenige slechts eenvoudige spelletjes tot vermaak van ouders en kinderen, wanneer zij des avonds gezellig in de huiskamer om de tafel zitten.

Andere daarentegen, welke een meer wetenschappelijk karakter dragen, zijn bestemd om den lezer in te leiden in de studie der physica, die wondervolle wetenschap, waaraan wij de ontdekking van de stoomkracht, van telephoon en phonograaf te danken hebben, en die ons, misschien reeds morgen, met nieuwe wonderen verrast.

Al deze proeven, de meer ingewikkelde zoowel als de eenvoudige, kunnen verricht worden zonder eenig natuurkundig instrument en dientengevolge zonder de minste onkosten; ons eigengemaakt natuurkundig kabinet bevat, zooals ge weet, slechts keukengereedschap, kurken, lucifers, enz., m. a. w. zaken, welke iedereen bij de hand heeft.

Ik hoop, dat het werkje, dat ik u hierbij opdraag, bij u de herinnering levendig houde aan de gelukkige uren, welke wij te zamen gesleten hebben met het verrichten dier proeven en het gereed maken van de toestellen, welke in Natuurkunde in de Huiskamer beschreven worden.

Uw Vader,

ARTHUR GOOD. (Tom Tit).

Parijs, 1 Januari 1890.

VOORBERICHT.

Natuurkunde in de Huiskamer is eene Nederlandsche bewerking van eene reeks eenvoudige proeven met huishoudelijke voorwerpen, welke onder den titel van Science Amusante achtereenvolgens in het blad l'Illustration beschreven werden.

In enkele stukjes heeft de bewerker eene opmerking ingelast of eene wijziging aangebracht, waar hij meende, dat daardoor de duidelijkheid eener beschrijving of de juistheid eener verklaring werd bevorderd.

Moge het werkje beantwoorden aan het dubbele doel waarmede het werd samengesteld: "leeren en vermaken."

D. H. C.

Rotterdam, Sept. '90.

Voorbericht voor den tweeden druk.

De bewerker eindigt bovenstaand voorbericht met den wensch, dat het werkje moge beantwoorden aan het dubbele doel, waarmede het is saamgesteld. Met genoegen kunnen wij melden, dat die wensch volkomen is bevredigd, daar reeds nu een tweede druk noodig is geworden.

De Uitgevers.

Rotterdam, Februari '91.

Hoogst aangenaam is het ons, zoo kort na de verschijning van den tweeden, den derden druk in 't licht te geven.

De Uitgevers.

Rotterdam, September '92.

EEN BORD OP EENE NAALD.

Iedereen heeft wel eens gezien, dat goochelaars borden, schotels en ander keukengereedschap op de punt van een stok lieten draaien; gewoonlijk zijn die voorwerpen van hout of metaal, en het evenwicht, dat alleen een gevolg is van de z. g. middelpuntvliedende kracht, houdt op te bestaan, zoodra de draaiende beweging niet snel genoeg meer is om de uitwerking van de zwaartekracht te overwinnen.

Hier is echter een middel om een bord op de punt van eene naald in standvastig evenwicht te doen blijven, ja zelfs, het eene draaiende beweging op die fijne spil mede te deelen.

Snijd twee kurken in de lengte middendoor, en steek in ieder der vier stukken aan een der uiteinden van de doorsnede eene vork, zóó dat het vlak van doorsnede en de vork een hoek vormen, die een weinig kleiner dan een rechte is, leg nu de kurken op gelijke afstanden van elkander met de platte kanten op den rand van het bord, en zorg daarbij dat de tanden der vorken tegen het bord steunen, zoodat deze niet kunnen schommelen.

Dit geheele samenstel kunt ge nu laten balanceeren op de punt van eene naald, welker oog ge in eene gewone kurk gestoken hebt; met een weinig voorzichtigheid (het bord mag natuurlijk niet glijden) kunt ge aan het bord eene ronddraaiende beweging mededeelen, welke zeer lang kan voortduren, daar de wrijving tusschen de onderzijde van het bord en de naald uiterst gering is.

EEN POTLOOD OP DE PUNT TE LATEN STAAN.

Onze teekening geeft zonder verdere verklaring de oplossing van dit vraagstuk.

Men behoeft slechts het lemmet van een zakmes in het potlood te steken, niet ver van de punt; het evenwicht wordt verkregen door het mes wat meer of minder te openen.

Het geheel blijft in evenwicht volgens de wetten der physica: het zwaartepunt van het systeem ligt onder het steunpunt (vinger, rand van de tafel, enz.); het evenwicht is dus standvastig (stabiel evenwicht).

Door de opening van het mes te veranderen kan men het potlood eene verschillende, willekeurige helling geven en als het zwaartepunt in het verlengde van de as van het potlood ligt, staat dit laatste volkomen loodrecht.

EEN EI OP EENE FLESCH.

Steek twee even zware vorken ter weerszijden in eene kurk; hol deze aan de onderzijde een weinig uit, zoodat ze nauwkeurig op een der punten van het ei past, zet de andere punt op den rand van den hals eener flesch, waarbij ge het ei goed rechtstandig moet houden; na eenig probeeren zult ge voelen, dat het geheel in evenwicht is ten gevolge van de verlaging van het zwaartepunt.

EIGENAARDIGE MANIER OM EENE PEER DOOR TE SNIJDEN.

Wij hangen eene peer zoo hoog mogelijk aan het plafond of de zoldering op. Branden wij daarop den draad door, waaraan zij hangt, dan valt de peer. Hoe zullen wij het nu aanleggen om een mes zóó te plaatsen, dat, de peer, daarop vallende, juist in tweeën gesneden wordt?

Een schietlood hebben wij daarvoor niet noodig; het is voldoende de peer, als zij goed stil hangt, in een glas water te dompelen en dit dan dadelijk weer weg te halen; enkele druppels zullen van de peer afvallen en op één zelfde punt van de tafel of den vloer neerkomen, bij welk punt wij nauwkeurig een merk moeten plaatsen.

Deze voorbereidende maatregelen moeten natuurlijk in het geheim genomen zijn, zoodat de omstanders zonder iets van den kunstgreep met de waterdruppels te weten, de peer hangende moeten vinden.

Op het verlangde oogenblik plaatst ge het mes op de gemerkte plek, of liever op eene voldoende hoogte daarboven en nu moet de peer bij het vallen op het mes noodwendig doorgesneden worden.

Zooals de teekening u doet zien, kunt ge de proef ook voor twee messen inrichten, die kruiselings boven elkaar gesteld zijn; het juiste punt, waar de messen elkaar moeten kruisen, moet ge door proefneming bepalen, waartoe ge meerdere druppels van de peer moet laten vallen. De peer zal dan in vier stukken gesneden worden, welke ge kunt opvangen in eene schaal, die onder de messen geplaatst is.

EENE SPELD MET EENE NAALD TE DOORBOREN.

Steek de speld in een der cirkelvlakken van eene kurk en ter weerszijden in het gebogen vlak twee even zware zakmessen. (Als de messen niet even zwaar zijn, opent men ze niet even ver.) Leg den kop van de speld op den top van uw vinger, en verplaats de messen zóó lang tot de speld horizontaal ligt. Plaats haar dan op de punt van eene naald, waarvan het oog in eene kurk op eene flesch gestoken is. Als ge tegen de kurk blaast, waarin de messen zitten, zal het geheele samenstel op de punt van de naald draaien. Bovendien, daar de naald harder is dan de speld, welke van koper is, zal zij na eenigen tijd eene kleine holte in die speld maken, en als de proef lang genoeg wordt voortgezet, haar zelfs geheel doorboren.

DE SCHRIK DER HUISMOEDERS.

Ik stel u voor een theekopje op de punt van een tafelmes te zetten. Wat ge daarvoor noodig hebt, is zeer weinig en gemakkelijk te krijgen, als ge aan tafel zit: eene kurk, eene vork, en... wat handigheid; anders niets!

Klem de kurk in het oor van een theekopje, wel stevig genoeg, dat zij goed vast blijft zitten, maar niet zoo hard, dat het kopje doof wordt.

Steek de vork in de kurk over het oor heen met twee tanden aan elke zijde, en zorg dat de steel van de vork min of meer onder het kopje komt.

Daar het zwaartepunt nu verlaagd is, kunt ge het kopje op de punt van een mes zetten en door heen en weer schuiven de juiste plaats zoeken, waarop het in evenwicht kan blijven. Daar de onderzijde van het kopje waarschijnlijk verglaasd is, moet ge zooveel mogelijk zorgen, dat de hand, waarmede ge het mes vasthoudt, niet trilt, daar anders het kopje zeer licht van het mes afglijdt; begin maar met de rechterhand bij den steel van de vork te houden, opdat ge hem snel kunt grijpen, als het kopje valt.

Nog een laatsten vriendenraad wil ik u geven: drink uw kopje leeg, voordat ge de proef doet, anders mocht ge eens niets krijgen.

HOE MEN EENE NAALD DOOR EEN CENT KAN STEKEN.

Eene naald door een cent te steken, schijnt op het eerste gezicht iets onmogelijks. En toch is niets eenvoudiger.

Men behoeft de naald slechts in eene kurk te steken, zóó, dat de punt iets uitsteekt en het oog, zoo dit aan de andere zijde mocht uitsteken, met eene nijptang af te knippen.

Leg nu den cent met de kurk daarop, zooals in de teekening wordt aangewezen, of eenvoudig op eene plank van zacht hout, en sla dan flink met een hamer op de kurk.

De naald, die in geen enkele richting kan buigen, aangezien de kurk, welke haar omklemt, dit belet, zal den cent of een ander muntstuk van dezelfde dikte met het meeste gemak doorboren, daar het staal, waarvan de naald gemaakt is, gelijk wij weten, harder is dan het brons van den cent.

EVENWICHT VAN EEN POLLEPEL.

EERSTE STAND.

De pollepel, welke in iedere keuken te binden is, zal ons in staat stellen een aantal proeven uit te voeren, waarbij het evenwicht moet verkregen worden door niet alleen het zwaartepunt te verlagen, maar tevens door het meer naar het ophangpunt te verplaatsen.

Zet een knipmes, half geopend, volgens de aanwijzing op de teekening, op den rand eener tafel, hang den pollepel over den hoek, welken het heft en het lemmet van het mes met elkaar vormen, met de binnenzijde van den lepel naar de tafel gekeerd, en laat nu het geheel los: mes en lepel zullen na eenig heen en weer schommelen tot rust komen; het zwaartepunt ligt dan loodrecht onder het steunpunt, er is standvastig evenwicht. Als ge zand in den lepel doet, zal het mes, in plaats van te vallen, zich oprichten, daar het zwaartepunt door het zand weer achter den rand der tafel gebracht werd.

EVENWICHT VAN EEN POLLEPEL.

TWEEDE STAND.

Hier wordt de lepel vastgehaakt aan het begin van het lemmet; men moet zorgen, den haak zoo te bevestigen, dat de lepel niet kan glijden en hij met den steel in loodrechte richting een hoek van ongeveer 45° maakt.

Het evenwicht wordt hier verkregen, door het uiteinde van het heft te plaatsen op den rand van eene tafel, den vinger of den rand van een glas, dat voor eene grootere vastheid van stand met water gevuld is.

De proef schijnt onmogelijk; beproef haar en ge zult verbaasd staan over de gemakkelijkheid, waarmede gij haar kunt doen.

EVENWICHT VAN EEN BORD.

Met den pollepel, den nederigen schepter der keukenmeid, hebben wij twee merkwaardige proeven verricht, welke in tegenspraak schijnen met de wetten der zwaartekracht. Als wij de schuimspaan er bij nemen, zullen wij in staat zijn, den rand van een omgekeerd bord op den rand van een glas of den hals eener karaf te leggen, waarop het in den toestand van standvastig evenwicht zal blijven liggen.

Haak den lepel aan den rand van het bord en klem door middel van eene schijf kurk den haak van den lepel tegen het bord, zoodat de lepel rechts noch links kan schuiven. Leg het bord met de linkerhand op de karaf, haak de schuimspaan met de rechter aan den lepel, en na eenig heen- en weerschuiven zal het u gelukken, het bord in den evenwichtstoestand te brengen.

DE FLESCH KOORDDANSERES.

Hoe zult gij eene flesch laten zweven op een door de kamer gespannen touw? De teekening zegt u, dat ge slechts den haak van eene parapluie in den hals der flesch hebt te steken. Om het afglijden te voorkomen, kunt ge het touwtje waarop de flesch moet liggen, met krijt bestrijken, evenals de koorddansers de zolen van hun schoeisel insmeren.

De figuur aan den rechterkant toont ons, hoe men, zonder haar te schudden, eene flesch fijnen wijn zou kunnen afschenken. Men zou dan slechts de parapluie moeten vervangen door een pollepel, de flesch op eene breede strook linnen leggen en haar langzamerhand en zonder schokken laten overhellen, door in een vat, dat onder aan den lepel wordt gehangen, druppelsgewijze water te gieten.

Ik behoef u niet te zeggen, dat deze aanwijzing slechts theoretisch is: doe de proef met eene flesch gewonen wijn, van ouden wijn zou het zonde zijn!

DE POTLOODEN IN EVENWICHT.

Deze proef, bepaaldelijk aan H.H. scholieren opgedragen, heeft ten doel, twee potlooden in de ruimte te laten zweven: het eene horizontaal, met de punt op eene naald rustende of aan een draad hangende; het andere loodrecht staande op het eerste.

Onze lezers zijn reeds zoo vertrouwd geraakt met proeven omtrent evenwichtstoestanden, dat het niet noodig zal zijn, deze in het breede te beschrijven: de beide even zware messen, welke het potlood horizontaal houden, herinneren ons de vroeger vermelde proef van de doorboorde speld; ook het evenwicht van het andere potlood, dat door twee penhouders in loodrechten stand wordt gehouden, is eene welbekende proef. Maar de verbinding van beide proeven kwam ons merkwaardig genoeg voor om hier vermeld te worden.

Hebben onze jonge lezers de voorwerpen zorgvuldig gesteld, dan kunnen ze het geheel om het ophangpunt laten draaien; zij zullen zien dat de wentelende beweging, eens begonnen, vrij lang kan voortduren.

EVENWICHT VAN TANG EN ASCHSCHOP.

Als de winter ons naar het hoekje van den haard jaagt, zullen wij daar na den maaltijd nieuwe stof vinden voor onderhoudende proeven.

De volgende is zeer eenvoudig: tang en aschschop is alles wat wij noodig hebben. Leg het platte deel van de aschschop op den vloer, zoodat de steel schuin staat ten opzichte van den vloer, en stel daarop aan iemand uit het gezelschap voor, de aschschop in dien stand te doen blijven, zonder eenig ander hulpmiddel dan de tang. Onze teekening wijst u onmiddellijk de wijze van handelen aan.

Het is voldoende een der bladen van de tang op het blad van de aschschop te plaatsen en het andere achter den steel vast te zetten; na eenig verschuiven vindt men den evenwichtstoestand.

Wenschelijk is het eene tang en aschschop te kiezen, waarvan de steel in een flinken knop eindigt, zoodat de voorwerpen eene voldoende zwaarte hebben om de proef te doen slagen.

Zijn de bladen van de tang van onderen te rond, dan moet ge er een klein gedeelte van vlak vijlen, waarop de tang gemakkelijk kan staan zonder gevaar van om te vallen.

DE DUIKERKLOK.

Als wij een bierglas omgekeerd in het water dompelen, zien wij dat het water in het glas veel lager staat dan er omheen. Dit zeer bekende verschijnsel stelt ons in staat, op alleraardigste wijze te laten zien, hoe de duikerklok werkt, waarin de werklieden onder den waterspiegel vrijelijk kunnen ademen en arbeiden.

Wanneer ge de proef inricht, zooals wij u zullen aanwijzen, kunnen al de toeschouwers haar goed zien. Voor waterbak kunt ge eene omgekeerde kaasstolp nemen, die ge met den knop in eene inmaakflesch zet. Zoodoende zult ge een doorzichtig vat hebben, waar doorheen men alles kan zien, wat binnenin plaats heeft. Dompelt ge nu een glas in deze met water gevulde klok, dan kunt ge duidelijk waarnemen, dat het water in het glas lager staat dan in de klok.

Met dit feit bekend, kunt ge nu voorstellen een klontje suiker onder water te dompelen zonder het nat te maken. Gij behoeft dan slechts de suiker op eene groote, platte kurk te leggen en het glas er overheen te stulpen; druk het glas goed rechtstandig naar beneden, om te beletten dat de kurk kantelt, en houd het glas onder in het vat zoo lang ge wilt.

Als ge daarna het glas, dus natuurlijk ook de suiker met de kurk, weder omhoog haalt, zal het klontje volkomen droog voor den dag komen, daar de lucht in het glas het water belet heeft, met de suiker in aanraking te komen.

DE FRANSCHE VLAG.

Het is algemeen bekend, dat als men voorzichtig wijn op water giet, de wijn bovendrijft; dit verschijnsel is te algemeen bekend, om er lang bij stil te staan; maar ditmaal willen we in een glas den wijn onder en het water boven hebben, zonder dat beide vloeistoffen zich met elkander vermengen. Daartoe maakt men gebruik van het verschil in dichtheid van water, naarmate het warm of koud is.

Doe kokend water in een glas, [1] zet er een trechter in, die tot op den bodem reikt (fig. 1) en giet er nu wijn in, welken gij met ijs zooveel mogelijk afgekoeld hebt.

Als ge voorzichtig te werk gaat, zult ge zien, dat de wijn op den bodem van het glas eene duidelijk afgescheiden laag vormt. Verwijder nu voorzichtig den trechter, maak eene blauwe vloeistof, die lichter is dan water,--bijv. wijngeest met een weinig inkt, en giet haar op het water. (fig. 2.) Zoo zult ge de Fransche vlag verkregen hebben. Als ge nu een licht voor het glas plaatst, kunt ge de drie kleuren daarachter op een muur vertoonen.

Bij deze illuminatie krijgt ge nog vuurwerk op den koop toe. Als ge n.l. het water in het glas koud laat worden, of ge ter bespoediging het glas in een bak met koud water plaatst, zult ge den wijn door het water zien opstijgen als fijne straaltjes, die op vuurpijlen gelijken (fig. 3); de verschillende vloeistoffen zullen zich met elkander vereenigen en de nederdalende blauwe stralen, met de omhoog stijgende roode vermengd, zullen u het schouwspel aanbieden van een vuurwerk in een glas water.

HET OKSHOOFD EN DE FLESCH.

Men geeft u een okshoofd met wijn en eene flesch, en men stelt u de vraag, hoe ge de flesch zult vullen uit het spongat, zonder ander hulpmiddel dan de flesch zelve.

Ziehier de oplossing: Als het okshoofd goed vol wijn is, vult ge de flesch met water; hierop sluit ge den hals met den vinger en dompelt dien in het spongat, terwijl ge de flesch het onderst boven keert; hierop neemt ge den vinger van den hals en laat de flesch eenigen tijd zoo staan, (zie de teekening); ge zult dan zien, dat de wijn, die lichter is dan het water, langzamerhand dit laatste in de flesch vervangt, zoodat ten slotte de flesch vol zuiveren wijn is, terwijl het water zich in het okshoofd heeft begeven.

UITBARSTING VAN DEN VESUVIUS.

Vul een klein fleschje met rooden wijn, sluit het met eene kurk, waarin van boven naar beneden een fijn gaatje geboord is en plaats het nu in een kom of een groot glas met water. Wij weten, dat door het verschil in dichtheid der beide vloeistoffen, het water in het fleschje zal dringen en er den wijn uitdrijven, die in een fijn straaltje zal opstijgen en zich aan de oppervlakte uitspreiden.

Aan die bekende proef kunt ge iets schilderachtigs geven: van pleister of van aarde maakt ge een bergje op den bodem van het glas.

Hierin verbergt ge het fleschje, terwijl ge zorg draagt in den top van den berg eene opening te laten om het straaltje wijn door te laten: dit is de krater.

Als ge het water in beweging brengt, zal de opstijgende kolom den roodachtigen rook van een vulkaan verbeelden, die door den wind heen en weer bewogen wordt, en ge zult den toeschouwers eene vrij juiste nabootsing van eene uitbarsting van den Vesuvius vertoond hebben.

HET WATER IN WIJN VERANDERD.

Hoewel hier van geen wonder sprake is, mag de volgende proef wel interessant genoemd worden.

Neem twee even wijde glazen, welke ik duidelijkshalve A en B zal noemen, en dompel ze in een emmer water. Als ze vol zijn, keer dan het glas B onder water het onderst boven en plaats het met den rand juist op A. Haal nu de beide glazen in dien stand uit het water, houd ze goed rechtstandig, laat ze afdruipen en veeg ze af. Ge zult dan opmerken, dat B vol water blijft, zelfs als ge den rand een weinig verschuift, zoodat er tusschen B en A eene kleine tusschenruimte ontstaat, waarvan we zoo aanstonds het nut zullen zien. Als ge nu nog op den voet van B een kleiner glas C met rooden wijn plaatst, kunt ge aannemen, onder het oog der toeschouwers, en zelfs zonder den welbekenden doek der goochelaars, den wijn uit C in B over te brengen, zonder dat er een druppel in A komt, en dat wel zonder een der glazen aan te raken.

De proef blijkt tweeledig te zijn: 1o de wijn moet het glas C verlaten, en 2o in het omgekeerde glas B komen. Een draad tapisserie wol hangt met een boog in het glas C en met de beide einden over den rand; zoo doet hij door de capillariteit uitstekend dienst als hevel, en aan ieder einde vertoont zich dan ook weldra een druppel, die, allengs grooter wordende, eindelijk op den voet van B valt, om ten slotte langs dit glas naar de op elkaar geplaatste randen der beide groote glazen te vloeien.

Als de wijn hier gekomen is, stroomt hij niet verder onder de werking der zwaartekracht naar omlaag, maar wordt, vreemd genoeg, tusschen de beide randen opgezogen.

Dit verschijnsel is een gevolg van de capillariteit en herinnert aan de proef met eene vloeistof, welke opstijgt tusschen twee dicht bij elkaar geplaatste glazen platen of in een zeer nauw buisje. Als de wijn eenmaal tusschen den rand der glazen is binnengedrongen, zullen wij zien, dat hij zich in fijne straaltjes naar het bovendeel van het glas B begeeft, waar het water eene steeds donkerder wordende roode kleur aanneemt, welke naar den onderrand toe lichter en lichter wordt.

Als de proef lang genoeg wordt voortgezet, waartoe men niets anders behoeft te doen, dan de geheele inrichting rustig te laten staan, zal ten slotte het water in A nog steeds helder zijn, terwijl B eene roode vloeistof bevat, en C geheel ledig is.

DE DUIVEL IN DE CHAMPAGNEFLESCH.

Aan het einde van een vroolijk feestmaal, als de champagne in de glazen parelt, en de vreugde en de wijn de gemoederen hebben opgewekt, moet ge uwen gasten eens voorstellen den duivel op te roepen, en dat wel zonder de tooverformules der geestenbezweerders en toovenaars der middeleeuwen: de volgende eenvoudige aanwijzingen zijn daartoe voldoende.

Snijd van het bristolpapier van een der menu's een strookje af ter breedte van omstreeks 2 cM., waaraan ge aan een der uiteinden een rechthoekig stukje moet laten zitten, om een min of meer artistiek duiveltje uit te snijden. Prik die strook met eene speld tegen de kurk van eene flesch. Hierdoor hebt ge een hefboom verkregen, waarvan de arm, waarop het duiveltje staat, de langste moet zijn.

Neem nu van een dessertschaaltje eene rozijn, die goed droog is, hang haar met een draadje aan het uiteinde van den anderen arm des hefbooms en laat haar op den bodem van uw glas champagne vallen. De draad moet zoo lang zijn, dat de hefboom nu horizontaal staat.

Zet voor de geheele inrichting een paar flesschen en hang daar een servet over, zoodat alleen het duiveltje zichtbaar is, en de toeschouwers niet zien kunnen hoe eenvoudig de zaak is.

De bellen koolzuurgas, die zich uit den champagne ontwikkelen, hechten zich aan de rozijn, welke daardoor lichter wordt en na eenige seconden tot aan het oppervlak der vloeistof wordt opgestuwd. Daar de draad niet meer gespannen is, zal de hefboom door het gewicht van het poppetje overhellen, en de duivel verdwijnt achter het servet. Deze mag dus niet grooter zijn dan de hoogte van den wijn in het glas. Is de rozijn aan de oppervlakte gekomen, dan barsten de koolzuurbellen, en daar zij nu niet meer door die broze drijvers gedragen wordt, zinkt ze weder in den wijn, trekt aan het draadje en de duivel komt weer te voorschijn. Dit rijzen en dalen van de rozijn duurt meer dan tien minuten, onverschillig of men zich van champagne, dan wel van Victoria-, Selzer- of kunstmineraalwater bedient.

Zijn sommige onzer proeven misschien wat moeielijk, bij deze zullen onze lezers daaromtrent niet te klagen hebben, en de kleintjes, aan wie deze proef is opgedragen, zullen zeker van pret "kiekeboe!" roepen.

DE GEDRESSEERDE VISCH.

Maak aan de beide einden een gaatje in een ei, blaas het door de eene opening leeg en maak een der gaatjes met een weinig was dicht. Zijt ge een liefhebber van rauwe eieren, dan is één gaatje voldoende en kunt ge het ei uitzuigen. Teeken nu met een zacht, zwart potlood twee oogen op de eierschaal volgens de teekening.