Natuurfantazieën

Part 9

Chapter 93,764 wordsPublic domain

Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men "groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken, maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander, meer harer beschaving waardig, werk te begeven.

Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt; ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.

Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi" vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond, dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte, als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende; en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer dan kralen, want zij leefden!

Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval, op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders, in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden, maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was, zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte, malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien: ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets dieps en schoons stond!

Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels; aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te doen liefhebben.

Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?

En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden, thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen, kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen vóór ons ligt als eetwaar.

Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe" voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie" mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft, de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens, in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.

De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat "erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in 't salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen, augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't "mooi", maar om te eten.

Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?

Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!

XXIII.

KORENBLOEMEN.

De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...

Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens' nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen" voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:

Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer; Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer. De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren, Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren, En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best, En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest. Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.

En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën en klaprozen....

Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte, en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven, schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als onmisbaar middelpunt?

Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes, in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw" ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan wel het duidelijkste bewijs.

Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden, vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft, dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove, schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen, en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.

En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?

Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen, hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich, het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid, en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten, die beurtelings de verte en de diepte indwalen....

Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster, dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen; maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!

XXIV.

EEN BERGTOCHT.

Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".

Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".

Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten" toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.

Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen; en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren, vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden, er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest, dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer, geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's, neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.

Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken; klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift, (of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden, ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes, brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij: hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen, "daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim", de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit "de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen: "daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc," zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil, heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten hals in de verte naar iets uitziet.