Natuurfantazieën

Part 8

Chapter 83,830 wordsPublic domain

Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen, of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt, en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad (een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes, de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een "enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)

Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen" te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.

En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen, en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen: als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte, ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen, of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens, uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.

In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend, na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.

XIX.

EEN INLANDSCHE AREND.

Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven, tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid, en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere "edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend, (en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels, die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland, strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan zien in Artis.

Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters, dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering, die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt: de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen tuin opgeraapt.

Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden, hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels, een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen, hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van "Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende, bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek, maar slanker van bouw.

XX.

EENE LINDE.

"Aldaer dat clare water spranc," Daer stont een groene linde, Daer de nachtegael sat en sanc .........................."

De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine, rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar; men ziet het niet, maar men ruikt het.

Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; het is wreed zulk een stemming te storen!...

Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden, waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel, zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden: het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander; elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.

Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers, en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn, daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom, misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien, opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden rusten in zijn schaduw!

In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond, was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes, met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.

Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt, dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!

XXI.

TAPIJTBEDDEN.

Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor de toekomst toewenschte, behoorde:

"Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen".

De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet; en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.

Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"?

Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw, blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken; en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:

Gij vlindertje in de bloemenperken, Gij bloem die op den stengel wiegt,-- Een vlinder is een bloem met vlerken, Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!

Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!

Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen, maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.

Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is: de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken: het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen, dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?

Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was, den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval, om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken, kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt, en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!

Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken, waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen, tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen niet meer durven vertrouwen?

Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere blijft altijd hangen!

XXII.

DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.