Part 6
Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat, dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre, levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms, als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen, dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij, hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt, zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!
XIV.
EEN DUBBELE BOODSCHAP.
Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder, een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, als feestgenooten begroet!
Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd "volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren, ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort.
Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk; zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof", zooals mij eens verteld werd.
Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten, is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen, geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die daartoe een behulpzaam pootje boden.
Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken, en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.
Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben, tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.
Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte, gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde, tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend, onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest die kultuur worden opgegeven.
Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan: met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel, maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden (nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis!
Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man, met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog bij hem opgewekt hebben!
XV.
EEN BOSCHTOONEELTJE.
Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet, "het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg, in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.
Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt, dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen, met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken; zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen, beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien; die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen, en juichen om het mooie weer.
Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn, al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen "tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling voor iets heel ongewoons staan....
Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken, en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut, blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer" konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het zijne zei over deze antiekiteit.
"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.
"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"
"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt, je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt, om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"
Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen "als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt, in herinnering te brengen.
"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen; ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u, dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje, dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten, zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het, dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene, dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender, aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige les en goed exempel aan zou kunnen nemen."
Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen, of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren, dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in natuurkundige wetenschappen?
Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk, is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei- of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om, "natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden, en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen; hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust, dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest, van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats; zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.