Natuurfantazieën

Part 5

Chapter 53,650 wordsPublic domain

Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat, en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie,"

"..............een kus, Dien de zon geeft aan de aarde,"

klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.

Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen, avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen, zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!

De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons, indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen, jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei, en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!

Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt.

Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een heiligendag.

Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen, met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend, vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u, in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag: waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?

Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven; van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen, als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven, die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën, ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft, naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde!

Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb, heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend eschdoorntakje......

XI

EEN ENGELSCH LANDSCHAP.

"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken, en aldaar eenige weken vertoeven."

Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn heerlijkheid voor mijne oogen uit.

Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis, wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt, vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.

Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken, en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien, de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden beneden.

Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt, spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen, en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij, wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en- zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen, eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons, zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk; en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt, zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen, hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen, en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.

Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste, later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt, laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken, late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor, door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte, hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet, eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw, zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag; de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden, liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?

XII.

IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.

Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed, te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer- of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala": zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in hun vaderland draagt?

Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen "vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen, aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.

Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen, waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen, en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten", de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.

"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain; Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain; Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX; Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.

Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis, 't zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie, zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.

XIII.

BOUQUETTEN.

Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een bloemruiker eigenlijk wel wezen?

Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?

Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen, die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden, bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar, die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde, waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde, beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.