Natuurfantazieën

Part 4

Chapter 43,811 wordsPublic domain

Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken: wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood, bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.

VII.

RONDOM EEN MOLSHOOP.

"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen, die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken zullen uitmaken.

Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld; benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!

Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan, in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm, èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol, gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen, die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken; en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen; mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!

Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga, zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten; en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!

Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan, ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag: "hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in 't seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....

In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door, beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee, dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel, dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient; indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!

VIII.

PALM-PASCHEN.

"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken, en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun "Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare klanken er achter.

Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen, bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van den welbekenden buks- of palmboom.

Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige" [2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen, vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!

Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd, een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor 't doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht "onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van 't volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen 't inslaan van den bliksem.

Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen, en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van 't loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde voor die teedere gave.

IX.

TULPEN.

Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden, met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:

"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).

"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei gestalte), de Edelen.

"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten, namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers, namelijk de woekerplanten.)

"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)

"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen).

"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, welke voor de anderen ongeschikt zijn.)

"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of fraaiheid.)

"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als 't ware in den nacht, als de anderen slapen)."

Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen, pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk karakter.

Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt, alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden, op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!

De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven, zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.

Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel, de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is, drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig, zooals in Tulpen.

De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes, verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan bij menigte.

Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden" rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan; maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten, dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het, als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen, waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter "voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden om ze bevallig te doen uitkomen.

Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te "flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten; en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig, èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient gedaan te worden dan in kweekerijen.

X.

HEI! 'T WAS IN DE MEI!

De Mei is in het land!