Part 3
Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt, zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van 't geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel, hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten, bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde; en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....
De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:
"maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".
V.
DE LANGE LENTE.
Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner, onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag, terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.
De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand; een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd, ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:
"Mars, qui rit, malgré ses averses, Prépare en secret le printemps."
In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.
Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen, zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt", dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar, dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.
Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles, wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden, diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring zijn nood klaagde:
OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.
Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven? Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven! Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed. Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten, Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten. Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal! Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval? Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden; Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden. De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht, Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst. Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen. Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen! Fleury is heengereisd, die arme kardinaal! Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal. Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen; Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen. Formosa Helena is wederom geschaakt, En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt. De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen, Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen. Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld, En werd door Arcas naar het starrendak verzeld. Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene, Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen. Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon. De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden, De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden. Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht; Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht. Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden; Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden. Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood), Regina hield haar man gezelschap in den dood. De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven; Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven. Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan, Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan! De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen; Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen. 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord, En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord, Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen, Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen. De groote Jupiter vloog met den Arend heen, De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween. Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven, Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven, Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol; Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol, Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,-- (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?) De Sultan is verreisd; King George meê van kant, En met den Ooijevaar naar 't onbekende land! 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;... Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen? Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist? Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!
't Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B., in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de schuld op ons klimaat!
VI.
BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.
De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt, en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een "kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is, maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.
Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte [1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid, en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:
Qui n'a pas mangé de vanneau, N'a pas mangé de bon morceau.
(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)
Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte, waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in de vogelenwereld.
Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen, zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen, eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit, waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur, het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen, die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje, met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.
De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto, Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper, nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje (?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en, meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft, kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen, met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.
Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren", die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan, of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken; maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht, het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.
Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen, zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn, dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan; en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, nog altijd niet hebben leeren nadoen!...
"Ik wou dat ik een vogel was, Een vogeltje met veêren."
Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!