Part 2
Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude, die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk, onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw" daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen, die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur, een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en, in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.
III.
BLOEMEN VOOR HET VENSTER.
Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen, waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde die er voor bloemen heerscht.
Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen het feestelijke van onze feesten,.........
Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje" ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige, gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk, vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting, zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat nader bekijken.
Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen en zilver.
Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad, waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben, wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten, hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen, vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas, geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.
Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange, dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten, of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.
Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--
Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden, teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig, maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan vast te willen maken.
Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of "Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.
En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen van de tien engelsche romans.--
Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer- dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen, beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het, daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.
Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps, iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes, zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak daar recht vrede mee hebben.
De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit: de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel, hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen, haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de andere heeft is... haar heerlijke geur!--
Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.
Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien", en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in 't geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos te lijken?
't Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud, in het doodsch.
Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid, die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad alles wat inwendig voorvalt.
Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als menschen aankeken?
De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien; en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang, onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft; de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.
Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen is toe?
En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia, met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid harer twee en drie ongelijke kelkslippen!
Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...
Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen; als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering kunnen brengen.
Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste, maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.
IV.
SPROKKELMAAND.
Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen, met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken, om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar te zamelen.
"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid, dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins "door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden, anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen: brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens denken aan de arabische spreuk:
Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.
Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen, of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt, en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal, langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben, zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom, een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in 't zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?
Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden", en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet, de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan "straffende gerechtigheid".