Natuurfantazieën

Part 14

Chapter 143,877 wordsPublic domain

Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes, die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn, natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte, schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft, om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting dadelijk in 't oog springen.

Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels, door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer, want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer; bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was, van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.

XXXVI.

VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.

Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje een teekenachtig avontuur wordt verteld.

De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden", wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen; zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij, die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den ploeg moest trekken:

"am pflug da must er ziehen viel lenger denn jar und tag,"

zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien "in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen; dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen; maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten, begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen; hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak, de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.

Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch", verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk, en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.

Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich, dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen, wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem "eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig, dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen, noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien, als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad: "bedank den avonturier, die u verlost heeft."

Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:

"das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"

Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari, als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen, rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af, van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.

Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels; en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.

"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze wijze wordt gesleten."

Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven, lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard, waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen", d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar, maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen", die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").

En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.

XXXVII.

GROENBLIJVENDE BOOMEN.

Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking: "Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten, om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes" door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende, pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte, het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).

Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje), plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen hun "shrubbery" noemen.

Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra, wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve, breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan, ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van "Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats, het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk slechts deze er mede bedoeld.

In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan, evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed zal prijken, in Noord-Amerika.

Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor 't venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.

Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen, maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water, en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit, maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen, dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks, zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven, begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van 't gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt, nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij, op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren, dennen, Weymouthspijnen, enz.

De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden, spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether; en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken, bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u, en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond, vergeet het niet gemakkelijk.

XXXVIII.

EEN OUDEJAARSWANDELING.

Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.