Part 13
Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen "afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet; maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe, zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig, lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter, waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland, en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich, door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort, dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord "hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een duizendtal afstammen.
Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen, heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel, voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter, die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt, en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en heiden, hun leven naar hun zin genieten.
En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.
En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat, en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels, juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.
En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels; en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is, van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en, althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes, en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige, voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd, die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen; zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.
Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.
XXXIV.
GESLOTEN?
Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons, hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."
Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden bloemen in het vrije veld te willen zoeken!
Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen, die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht, die wij rondom ons waarnemen.
En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.
Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming" afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen, door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.
En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer- of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen, op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes, zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.
Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig, plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan, tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten, dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur, hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer, na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.
Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen, die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich zelve in het plantenrijk.
Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere, die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.
XXXV.
WINTERVOGELS.
Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek, en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben, om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen "heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland, verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen, die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.
Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen, afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht, wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar, zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.
Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen, zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend, dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was, met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.
Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes, tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar, in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken, wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners mogen vallen.
De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft, voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor, in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw, en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen, erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.
Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan, "een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en, met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen, dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den snavel aan de vetklier gebracht te hebben.
Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje, dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer, dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!