Part 12
"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen; terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat en grond."
(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)
Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij, tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen, en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken, dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge, er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug, en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!
Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van "Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa "schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit, datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt, men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden smaak.
En dan zijn er stokrozen.
"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed, dat de mode die afgeschaft heeft!"
Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn, als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen; zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke, dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante, die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok" is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig" in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden, verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn 't geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de bloem een dubbelen kelk voorspelt?
Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen; en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf, noch grof, noch leelijk hadt gevonden.
In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn, om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde" bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.
Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.
Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's, Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd te worden.
XXXI.
EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.
Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan" van genoemd artikel.
Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af, en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.
Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.
Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte, een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren, die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.
De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond; en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld, grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert, maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...
XXXII.
EEN NATUURKALENDER
"De hoeveelste is het van daag?"
"De 28ste, Neef, de 28ste October."
"Bloeien er nog Heliotropen?"
"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"
En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"
"Ja, neef."
"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"
"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt u zoo aan 't fransch vandaag?"
Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al wat fransch was.
"Wel, die fransche kalender......"
"Wat meent u?"
"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse, Ventôse?"
"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen te maken?"
"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark, of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen, 27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat, hoe zal ik zeggen, officiëel?"
"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."
De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de "oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]
Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800 niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi, enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had, zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17 September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen, noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren; zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve, en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion; 5 Fête de la Récompense. [6]
Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze 't heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25 en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."
"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.
"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"
En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis, sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht; hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens, spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant, nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?
XXXIII.
JACHT EN WILD.
Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt, af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren, zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan 's avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over zulke onnoozele slachtoffers.
Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is: de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen, en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde" landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.