Part 11
"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn, kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt, bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door."
Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille; en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid; en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes, witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering: misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij weet,.... dat brengt geluk aan!
XXVIII.
DE LOTOS.
Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden, aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.
"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."
--"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"
--"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou willen wezen.
--"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste 't meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."
--"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."
--"Ik ga er een halen," besloot zij.
--"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.
--"Neen, vlak bij uw huis."
--"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:
"Die Lotosblume ängstigt Sich vor der Sonne Pracht, Und mit gesenktem Haupte Erwartet sie träumend die Nacht."
Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.
--"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"
--"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde Rolklaver."
--"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen, juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl, die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem" zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden, die haar lieve oogen deden glinsteren.
"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen "Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien, en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."
--"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever: bij dag, of bij avond met gaslicht."
--"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar, zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik zoo.... onnatuurlijk."
Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk zeer hunne belangstelling opwekte.
Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.
"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei het meisje het eerst.
"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap, zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half, als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges te verplaatsen."
In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.
"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend, "ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had, maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden, nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.
--"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling op het water nederzagen.
--"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in 't klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.
--"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"
--"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen meer geleerd had, in het midden....
Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten, die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....
XXIX.
ONS WIER-EILAND.
Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar Vlieland, Terschelling, Wieringen...
Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren, en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.
Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland, dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen, de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt, gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait; gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven, zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in 't weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar, dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor", en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast, met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van ons land wanen!
Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever, te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi, de rotganzenvangst en de wier-industrie.
Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen wou schrijven.
Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima), dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.
Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor 't grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed; somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen; deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze; en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.
Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel," oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!
Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden, en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit, en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen lapje tapijt over den grauwen muur afhing!
Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier", (met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.
Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen, waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.
Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag: wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden" en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek, maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt; weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!
XXX.
NAJAARSBLOEMEN.
't Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken aan de opgefrischte decoratie.
Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen, en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt; soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte), terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode, witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend; en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet minder mooi om.
Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking: