Part 10
Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal, dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster", een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme, rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen, bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes tot stand:
Wie zien wil, hoe een schutspatroon Ontzag wekt en vertrouwen, Lette op Johan von Nepomuk, Door de eeuwen uitgehouwen.
Wie voelen wil, wat wachten is, Trots tijd, en storm, en regen, Zie opwaarts naar de Steenen Bruid, En vraag haar stillen zegen.
Wie weten wil hoe grillig-grootsch Natuur zich kan vertoonen, Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:" Het zal de moeite loonen.
En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid van deze zonderlinge rotsen mochten komen.
Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse", "Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn gekozen.
XXV.
OUWERWETSCHE BLOEMEN.
In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga, om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt, en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes, zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi: zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand, die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd: "Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje; en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk, en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende, kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten, die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!
Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift, uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen, en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.
Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen; of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt, terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.
Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker" ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat, dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.
Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven, hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald "voor een verfrissching".
En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris), met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men "kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van "Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar "steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen; namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven, die nog salie in den tuin heeft?"
Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?
Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet "aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.
Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de "verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.
XXVI.
AUGUSTUS.
Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren; maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van 't zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het "laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor het rijpen te zorgen.
Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel, maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.
Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van elkaars stemmen....
De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer" zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen, heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen, die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.
Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft, als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?
Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne "onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.
Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?
Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds, ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden, de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?
Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort, zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?
Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?
Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid, die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving doet wenschen?
Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en "overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.
Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer, als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.
XXVII.
BLOEMEN LANGS DEN WEG.
Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie, dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken...
"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja, als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was 't ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd, niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt, in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of een brutalen spotvogel te noemen!"
Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers, Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren, en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen, waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche "chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van "duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood, verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders; de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende, en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde: