Chapter 9
Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren, gevuld zijn.
Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt het ijzer niet.
De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat; de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op den duiker.
De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur, en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal, de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is: "Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.
Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht te beschouwen.
Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk, de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren, en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden, en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur, zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in den dienst van de maatschappij.
BALI
Singaradja
De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het aanlichten van den dag al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim, spits de eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en inham, loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende zon witte zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels helder rood; dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil, of in een zwerm van bootjes, kano's, prauwen, komt, met den oogst van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven, zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in 't nauw gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.
Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen schuins hangende kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel, vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten nog staan, ligt een groot pakhuis, onder het afdak waarvan troepen vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren waar bergen huiden liggen opgestapeld. En de lange winkelstraat is vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in aan zee gelegen handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de winkeltjes tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere slag ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen, donker tegen een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen van magere Arabieren te zien en paffig-witte vollemaansgezichten van Britsch-Indiërs wien een met goud geborduurd kapje schuin op het haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen gewichtig, zelf-bewust als mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag, gezeten handelsmannen, marskramers, die hun staart in een vettigen krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers aan snoeren over den schouder.
Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het gebergte--hoog en blauw in het verschiet--het zuivere drinkwater de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter die westersche regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de Baliërs. Een muur langs de heuvelhooge bermen van den weg beneemt het gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder ergens een groenen boom ertusschen, de gevels van grauwen steen of klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden bewaakt, een godenhuisje, versierd en bebloemd, komen hier en ginder er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen geboomte, het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang bewaakt; wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten, de dorpstempel met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.
Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond druk van volk.
Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de vrouwen. Zij dragen zware lasten--zoo zwaar, dat zij zonder hulp die niet op kunnen tillen--op het hoofd, en de voortdurende spanning heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met de andere hand een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend, waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel naakte bovenlijf omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper, oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende passen, een weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen, een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen den linkerkant van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen in gestoken, tjempaka's meest, of roode en witte oleanders. Zij zien er uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar een feest gaan.
De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong op een doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali, sedert, haast vijfhonderd jaar geleden, de Javaansche Hindoes, in volksverhuizing vluchtend voor den Islam, het hier invoerden. [11] Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt, is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van Javaansche gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken van zijn wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe, tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.
Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen van niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland, de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te zien als op "boschmenschen." En met trots noemen zij zichzelven Javanen-afstammelingen, "lieden van Madjapahit." Maar de herinnering heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die "boschmenschen," zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van vandaag juist als Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin, zijn levenslust.
Een wijk van de stad
In den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja ligt een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot de samenstelling behoort van een Balische stad: een buurt geringe huisjes, een badplaats, de markt, de feest-loods, eenige huizen van aanzienlijke leden der drie kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding tot mijn eerste bezoek daar,--het gold de geringe buurt,--was een eenigszins griezelige. Er was gesproken in de pasanggrahan, over de wijzen waarop de Baliërs handelen met hun dooden. De Hindoe-wet beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is kostbaar: van twee tot drieduizend gulden is er mee gemoeid. Hoe doen de armen? De allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd en wijle een lijkverbranding plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke verlof gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die in stof zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad, wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding. Die echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische manier is, door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en drogen, tot het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan, in een afzonderlijk opgericht huisje, op het familie-erf, den dag der verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit gebruik veranderd in het kisten van het lijk, nadat het met bepaalde, eenigermate bederfwerende middelen is behandeld; ook de kist blijft op het familie-erf, en zelfs vlak bij de woning. Het verhaal leek mij ongelooflijk; ik volgde den Baliër, die het mij had gedaan, naar een huis in de volksbuurt, waar hij me zeide, dat ik met eigen oogen mij kon overtuigen van de nauwkeurigheid zijner mededeelingen.
De weg er heen, vol hobbels en kuilen, ging langs lage muurtjes, waar hier en daar bloeiend en vruchtdragend geboomte overheen hing: een vonkel-bloemige granaatappel, een citroen-boom vol wit en goud, een purperen djamboe. Hij stiet een houten poort open, die langs posten en bovendorpel versierd was met prachtig snijwerk, lotusbloemen voorstellend en een geweldigen Vogel Grijp, en bracht mij binnen in een ruimte, waar alles één kleur leek--de kleur van den grond-zelf. Een twintig huizen van grauwen, met grauwe klei bepleisterden, baksteen stonden hier bijeen in groepen, die door lage leemen muren gescheiden waren. Er lagen daken op van droog riet, droog gebladerte, drogen vezel, bruin, grijs, zwart. Een geheele kudde varkens, slijk-zwarte ruige borstelbeesten met een stijf-opstaande maan, van kop tot staart den geheelen rug langs, en vervaarlijk-geslagtanden snuit, was aan het wroeten in allerlei onnoemelijke vuilnis. Uit alle hoeken kwamen honden aangeschoten, scharminkelig mager en afzichtelijk van schurft, die met den staart tusschen de beenen en opgestrekten kop losbarstten in een tegelijk woedend en bang, scherp-huilend geblaf. Op dat teeken van onraad kwamen menschen te voorschijn; omringd door een troep spiernaakte kinders, mannen en vrouwen in gore kleedij. Zij brachten ons, dienstvaardig, waar wij wezen moesten, bij het gezin dat eenige weken geleden een der grootouders had verloren. En daar zag ik werkelijk, onder een soort troonhemel, bedekt met bonte kleeden en omgeven met schalen vol offeranden van vruchten en bloemen en allerlei symbolisch sieraad, de lijkkist. In de kleine loods, vlak tegen het woonhuis aan, waar zij te praal stond, waren de kinders aan het spelen; muziekinstrumenten stonden in een hoek. Naar de woning, waar het weefraam der bedrijvige huisvrouw te zien kwam, stond de deur wijd open.--Het angstige ontzag voor den dood is iets Westersch-Christelijks: dat wordt iemand op een ietwat verbijsterende wijze in het bewustzijn teruggeroepen door zulk een tooneel.
Het geheele gezin--een knap paar de vader en moeder, en de kinders, het een al mooier dan het ander--was ons tot gidsen op een wandeling door de buurt. Overal was het hetzelfde: vuiligheid. Overal wroetende varkens, schurftige honden, afval, modder, lompen, stank. Naar de handbreede scheuren in de leemen huismuren zag men onwillekeurig, met het idee, dat dáar straks nog meer vuiligheid uit zou komen, doorlekkend van binnen uit. Maar het was duidelijk dat het niemand hinderde. De klaaroogde kinderen, die tusschen varkens en honden als tusschen prettige speelkameraden over den grond rolden, kraaiden het uit van pleizier. Een jonge vrouw, aan den arbeid voor den maaltijd van het gezin, zat op den huisdrempel groenten tot moes te wrijven, vlak naast een reusachtig zwijn, dat zijn rug schuurde tegen den deurpost. Languit op een mat lag een man, pas terug van de sawah, waar hij met zijn buffels den geheelen werkmorgen,--van zes tot elf,--had geploegd, siësta te houden. Wat rondom stonk was erger dan een mestvaalt; maar hij, de armen onder het hoofd, lag daar in schaduw en niets-doen, te neuriën van onuitsprekelijke tevredenheid. En, eigenlijk waarom ook niet? Waarom zou vuilnis vroolijkheid weren?--
De koele rustplaats van den zanger was de vloer, die tusschen de palen van een héél hoog gebouwde rijstschuur als een soort van luchtige, naar alle zijden opene, tweede verdieping maakte, waar een weefraam de gewone plaats aanwees der vrouwen van het gezin, en, tusschen een sirihdoos en allerlei keukengerei, een vechthaan in zijn korf stond. De vloer van de rijst-bewaarplaats hield dit alles in de schaduw. Naar boven kijkende, zag ik daar iets bonts. Het waren aan weerszijden, naast de hoekpijlers der schuur, alleraardigste godenbeeldjes, opgesierd als dansers, en in een houding of zij juist wilden beginnen. Wat een vroolijkheid moet er in het hart van den beeldsnijder geweest zijn, toen hij zoo luchtig hun gevouwen kleeren schikte, en hun al dien mooien opschik aan hals en polsen gaf, en dien lach op het gezicht! Zijn naam, waarnaar ik vroeg, wist het echtpaar niet. "Ieder werkman hier kan zoo iets maken."--Gelukkig Bali!
Voor afscheid brachten mijn geleiders mij naar de Godenhuisjes: enkel vierkante pilaren, met een nis er in, bij wijze van verblijf voor den god. In éen lag een tak blankbloemige tjempaka, tusschen witte en gelige lelies. Zeker was het de akkerman, die uit een bloeiend boschje buiten den ruiker had geplukt; en zijn huisgod aangeboden, met een gemurmeld: "Ik vraag zegen!"
De lucht rondom was zoet van den geur.
Een dag of wat later kwam ik terug in de stadswijk om een bezoek te brengen aan een aanzienlijk en zeer rijk man, een lid van de laagste der drie heerschende kasten, die der Wessya's, en als zoodanig den titel van Goesti voerend, die een beroemde collectie van Balische kunstvoorwerpen bezit, houtsnijwerk, gouden en zilveren vaatwerk, antieke wapens en zijden stoffen.
Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar den tempel, in een purperen, met goud doorweven opperkleed, dat, van onder de armen in een plooienrijke slip afhangend, sleepte voor zijn voeten. Zijn handen, waarvan de linker nagels had van vier of vijf centimeter lang--kenmerk van den aanzienlijke die geen handenwerk verricht--fonkelden van de ringen. En hij had een kris in den gordel die in een gouden scheede stak, en waarvan de greep, een gouden godenbeeldje, kwistig versierd was met robijnen. Zijn zoon was maar weinig minder kostbaar gekleed. Met een trots dien zij verborgen achter glimlachende hoffelijkheid, toonden zij mij inderdaad vorstelijke schatten. Ingemetseld in den muur der voorgalerij (het huis is naar Europeeschen trant gebouwd) een beeldhouwwerk in djatihout, dat den strijd voorstelt van twee fabelachtige wezens, een draak en een gevleugelden leeuw, te midden van de opstrevende en in slingers afhangende takken van een fantastisch gewas. Daarna wapens, sedert onheuglijke tijden al erfelijk in hun geslacht, krissen, breede klewangs, lansen en speren, waarvan het kostbare versieringsmateriaal, ivoor, zilver, goud, edelgesteente, zoo kostelijk niet was als de fantasie die er de zonderlingste en schoonste voorstellingen in had uitgedrukt. Allerlei tempelgereedschap ook: schalen voor bloemen- en vruchtofferanden, bekers voor gewijd water, gouden horentjes, waarin de biddende de bloem steekt die hij tusschen saamgelegde vingerspitsen opheft naar de nis van het godenhuisje. Ten laatste zijden stoffen, waarvan sommige met goud- of met zilverdraden doorweven waren, andere een teekening vertoonden van zeer zacht in elkander overgaande kleuren, en andere weer motieven van bloemen, vruchten en vogels. Dat alles was het werk van de vrouwen der familie. "Zij doen niet anders, hun geheele leven lang," zei de Goesti. Het was den meisjes, die nu werden binnengeroepen, aan te zien, dat zij met zulk prachtig werk stilzittend hun leven doorbrachten. Alles aan hen, hun gezicht, handen, hun bouw, hun houding, was fijn en ietwat zwakkelijk. Zij geleken maar weinig op die schoone sterke vrouwen uit de volksklasse, die met een zwaren. last op het hoofd als dansende over den weg gaan.
De meisjes brachten mij door het huis en over het geheele erf. En daar zag ik nu weer, in hoe andere vorm en verhouding dan ook, wat de vorige maal op het erf van den Soedra in de volksbuurt mij zoo getroffen had, de "innige vermenging" van vuil en kostelijk mooi. Zooals op het Soedraerf de fijne godenbeeldjes, midden tusschen de varkens, de modder en de lompen, zoo hier in het Wessya-verblijf gore bedden, groen uitgeslagen muren en als een korst van viezigheid, overal te midden van de gouden schatten en meesterwerken van oude sierkunst.
De Goesti, die veel met Westerlingen omgaat, is zich klaarblijkelijk bewust van den indruk dien die vereeniging van dingen, in hún voorstelling onvereenigbaar, op hen maken moet. Hij kwam, wat hij wist dat mijn gedachte moest zijn, tegemoet. Terwijl hij mij de "feest-loods" toonde (de pendoppo van de Javanen), die verwonderlijk mooi versierd was met schilder- en beeldhouwwerk langs alle stijlen en onder het middelpunt van de als in stralen nederdalende zoldering een leeuw, die pauwen-blauwe vlerken uitspreidt, nam hij uit het vergulde lofwerk een bloem weg, die al half kleurloos was geworden en, wormstekig, afbrokkelde. "Wij maken mooie dingen, maar ze onderhouden, dat doen wij niet." Ik vroeg waarom? De vraag bleek lastig. Het voorhoofd fronsend, bracht de Goesti zijn langgenagelde, zwaar beringde linkerhand aan de kin. Eindelijk:
"Zoo is het," zei hij. "Zie een huis als dit, waarin vroeger de broeder van den Radja heeft gewoond: het is kostbaar; het vervalt. Zie den dorpstempel, waarvoor wij allen zeer veel geld hebben opgebracht, en dat gaarne, en meer, velen van ons, dan wij volgens den aanslag behoefden te geven, want een Baliër eert de goden met vreugde. De dorpstempel is een meesterwerk van onze bekwaamste bouwmeesters en beeldhouwers. Ook de dorpstempel vervalt. Wij láten hem vervallen. Waarom? Ik ben een Baliër, en ik weet het niet."
En ineens ontplooide zich zijn voorhoofd en hij begon uit volle borst te lachen.
"Zóó zijn wij Baliërs!" riep hij, "zoo zijn wij!"
Ziedaar.
Er zit niet anders op, dan zich er in te schikken.
Rijst en rijstbouwers