Natuur en Menschen in Indië

Chapter 8

Chapter 83,771 wordsPublic domain

De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af: zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als: het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven, zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing, belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur, een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving, en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid, van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren, herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur, de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn, maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar (dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.

Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van gemeenteleden geeft.

Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van Madjawarna en zijn omgeving.

Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:

"Slechts vernieuwing kan behouden Achter raakt wie stil blijft staan,"

heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem, dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare, zoowel als in de huiselijke zeden.

Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.

Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester, die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester, haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam: het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook, is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is, wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk vastgehouden oude.

In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en -verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding, wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de "slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt, sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht, (altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers) de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor hun ontstaan afgesneden.

De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat" is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer onder hen.

Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en maatschappelijk-zedelijke gelegen.

"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen worden, zijn schaarsch." [7]

"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere zoover mogelijk uitgestrekt." [8]

"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken volk te doen worden." [9]

"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten; van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding, anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]

Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.

Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat, naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.

Een bevloeiïngswerk.

In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson, als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond, zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim, om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk, en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.

Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.

Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht een gang van de volheid der technische beschaving terug naar de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven; weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag; de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat, verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam, geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van het bosch.

Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens, met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan, heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon, djoewars in vollen bloei, goudgeel.

Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend; de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht, legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg, de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men nu met den aanleg van zulke monorails.

Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen, heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant, armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar, wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.

Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen, waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door, geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer, een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd, die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat, en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan, die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen in vruchtbaar veld.