Chapter 7
Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit een "Napoleontisch" leger: uit dat van den derden Napoleon, dat in de Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?, den aanval gezien van "The Light Brigade" en gehoord hoe er gezegd werd: "C'est magnifique mais ce n'est pas la guerre!" Er bleef iets als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier in Djokja. Hij kwam een samenzwering op het spoor in den kraton. Een van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige, onversaagde vrouw, zooals er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven, was de ziel ervan. Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot troonopvolger doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen, maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd openlijk te beginnen. De Fransche dragonder zette haar en haar gewapend geleide in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het kind terug in den kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning, die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap vierde, werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.
De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren--ten minste de besten onder hen waren--in hun hart kooplui; kooplui dan van het heroïsche slag dat in Holland bloeide in de zeventiende eeuw, en waarvan onder de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen speculanten waren, al lang de laatste eigenschappen waren verloren gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden van hen. Van dezen, die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde, zoodat het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied, overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen om de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden, met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en niet terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde, hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet, het woord "gemak" had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten slecht verdroeg: maar die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de ontginningen te inspecteeren, die hij overal in de streek had liggen.
Dat is het Westersche element, dat niet ten onder te brengen was door welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche zich ook gelden: in hen, wel is waar, niet zoo sterk als in hun kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den omgang met de kratonbewoners, voor wie dobbelen de eenige uitkomst is uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo niet zij zelf, dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.
Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.
Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf, die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt, zich aanpassend aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in, een derde staat, onveranderlijk, in zijn hoedanigheid, maar slinkend bij den dag.
Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn ze verbasterd.
Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar het bezit van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen wonen, "Europeesch" huisraad gebruiken en--bij gelegenheid--in Europeesche dracht voor den dag komen, hun naaste familie woont in den kampong, en zij zelven voelen zich daar thuis.
Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door karaktereigenschappen de sterkste, die binnen afzienbaren tijd geheel Hollander zal zijn geworden. De mannen die "in het landelijke" zijn hebben een technische opvoeding ontvangen in Holland. En--ontwikkeling van de allerlaatste jaren--onder de meisjes zijn er die zich zelfstandig willen maken door een beroep, soms een waarvoor studie aan de universiteit noodig is.
Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige, oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden Sultan, en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met "broeder" als zij onder elkander zijn, en die de jonge pangeran's en raden ajoe's "Oom" noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette, de geschiedenis van het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw lang dezelfde geschiedenis geweest zijn; van de opvattingen en zeden van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al te gader heeft het de aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is, en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.
Madjawarna
Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van een enkel gezin midden in de wildernis.
Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin: bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing, waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld, daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.
Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager, armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte, breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder en nog eenzamer dan te voren.
De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.
Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde, met zijn zachte gedempte stem.
Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den zuigeling heen.
Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.
Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem, zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden, Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld, een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen zich daar kwamen neerzetten.
Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker, een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.
Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor, consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp, die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.
Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer 't niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland, Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.
Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah, dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft "zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."
Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita, met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te bewaren geeft voor zijn kind.
Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende oogen, links en rechts van de kamermat.
Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.
En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren, het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake is van vrijen en trouwen.
Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt in zulke dingen.
Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.
De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche dorp wordt gesteld.
Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid daartoe.
Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking, verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke, huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt, heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.
Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen, waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.
De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig, gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe, als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns, scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken, hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing, onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te heelen krijgen, dag aan dag.
Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen: veel pijn verzachten.
Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft: schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere) en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is, als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil, ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.
Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt, eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.
Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis der zending zoeken.
Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders, en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven: want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht, onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.
De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.