Chapter 6
De bruine bekel overigens is gebleven. Hij die vroeger oogst deed opbrengen, doet nu arbeid opbrengen: dat is het eenige verschil, voor Kromo géen, in zoover het zijn afhankelijkheid van den bekel betreft. Soms is die er zelfs nog erger op geworden: want voor den arbeid volgens Westersche werkwijzen is toezicht noodig, welk toezicht wordt uitgeoefend door een "mandoer." En dikwijls is de bekel tevens die mandoer--de Hollandsche ondernemer heeft voor zijn nieuwe doeleinden de oude organisatie gebruikt. De bekelmandoer heeft Kromo nu niet alleen bij de resultaten van zijn werk, maar ook bij zijn werk zelf in zijn macht. Wordt een gewone dessaman tot mandoer gemaakt, dan is almee voor hem de winst niet groot. De dessaman-mandoer maakt van zijn nieuwe plichten vliegensvlug nieuwe rechten: als hij zorgen moet voor het werk van den planter, zal hij tegelijkertijd zorgen voor zichzelf. Daarmee volgt hij de eeuwenheugende traditie, daarmee volgt hij het voorbeeld van den Sultan en den apanagehouder en den bekel: hij neemt zijn plaats in, in de rij van verdrukkers en verdrukten, die, als de symbolische dieren der Oostersche kunst de een op den rug van den ander staan. En met nog een machthebber meér bovenop hem, hurkt Kromo als onderste op den grond.
Daar zit hij.
In het beeldhouw-werk, dat het geweldige Baraboedhoer-monument versiert en die overschoone tempels van Mendoet, Kalassan Prambanan en zooveel anders nog als er over is gebleven uit het tempelbouwende verleden van Java, is een der altijd weer terugkeerende voorstellingen, de houding van diepe nederigheid en zelfvergetende toewijding, aangenomen door elken mindere tegenover zijn meerdere, door een dienaar tegenover zijn heer, door een zoon tegenover zijn vader, door een krijgsman tegenover zijn vorst.
In de wajang-vertooningen der aloude drama's, zooals die tot op dit oogenblik toe gehouden worden--onlangs werd de bruiloft der zes Sultansdochters er door opgeluisterd--zijn altijd weer terugkeerende uitdrukkingen, de formules van nederig verlof vragen van een mindere aan zijn meerdere,--verlof om voor hem te verschijnen, om te spreken, om heen te gaan, ten einde zijn bevelen uit te voeren.
Het duizendjarig beeldhouw-werk, het duizendjarig drama aanschouwend met die ontroering, die uitgaat van dingen, verdwenen en vergeten uit de stoffelijke werkelijkheid, doch onvergankelijk levend door de kunst, verwondert de Westerling zich over de zinnebeeldende kracht der Oostersche kunst en haar idealiseerend vermogen: tot welk een hoogte heeft zij alledaagsche dingen opgevoerd! Welk een gedachtevorm gevonden voor het vormloos-stoffelijke!
Laat diezelfde Westerling er nu getuige van zijn hoe een Djokjasche koeli,--een lastdrager, een karrevoerder, een bemodderde werker in het suikerriet-veld--den administrateur tegemoet komt, die hem tot zich roept, of, vooral, den Javaanschen ambtenaar op reis door de streek, den wedana, den Regent: dan zal hij, verbaasd, zien hoe wat hij voor den stijl der hooge kunst had gehouden, de stijl is van het dagelijksch leven: de koeli houdt zich in de houding, hij spreekt in de taal van de tempelreliefs en de wajang-vertooningen. Die aloude voorstellingen gaven, zeer weinig veranderd slechts, de werkelijkheid van dien tijd weder. En een ter hoofdzaak gelijke werkelijkheid geeft het ceremonieel weder dat de hedendaagsche koelie in acht neemt wanneer hij hoog-Javaansch spreekt en "sembah" verricht tegen een machtiger dan hij. Zoo drukt hij zijn diep besef uit van de macht van dien andere, en van zijn eigen afhankelijkheid. Niet alleen zijn lichaam vernedert zich in die neergedoken ineengebogen houding; neen! in de hof-taal die hij spreekt vernedert zich zijn gedachte-zelf. Daar is in hem niets meer dat overeind staat.
Laat iemand hem nu zeggen dat hij "rechten" heeft; hoe zal hem dat aandoen? Hoe zal het een lamme aandoen, wanneer men hem wijst naar de hooge bergen?
De kleine man heeft rechten, en meér rechten op Hollandsche ondernemingen dan op Javaansche apanages. Maar hij laat die niet gelden. Hoe zou hij?
Er zijn landhuurders geweest die van die gelaten onderwerping aan het onrecht, die geestelijke zwakte van den kleinen man, een afschuwelijk misbruik maakten. Eén wordt er genoemd die door onmenschelijke dwingelandij en afpersing het ongelukkige volk op zijn land zoover heeft gebracht, dat de geheele bevolking van twee dorpen emigreerde, velden en huizen, het weinige, alles wat zij in de wereld bezat, er aan gevend om maar aan hem te ontkomen. Hij liet de vruchtboomen omkappen en de huisjes verbranden en plantte nog meér tabak dan waarvoor hij anders plaats had gehad. Zoo volslagen verstoken van menschelijk gevoel niet alleen, maar van alle schaamte en begrip van recht was deze man, dien de andere landhuurders hadden uitgestooten uit hun vereeniging, dat hij hulp van de regeering eischte om zijn onwettige praktijken tegenover de eindelijk zich verwerende bevolking door te zetten.
Er is een eind gemaakt aan het schandaal. En uit het vele kwaad is dit goede voortgekomen, dat de Resident, van zijn bevoegdheid gebruik makende, voor landbouw-ondernemingen in Djokja nadere bepalingen vaststelde, die het landhuur-reglement aanvulden en verbeterden ten gunste van de inlandsche bevolking. Dat was in 1906. De nieuwe bepalingen worden, naar ik hoor, over het algemeen vrijwel in acht genomen, en op vele fabrieken zelfs zeer stipt. Van eene weet ik door eigen waarneming, dat de beheerder niet alleen nauwgezet zich aan zijn exploitatie-regeling houdt, maar op werkelijk humane wijze de bevolking op zijn landen te hulp komt in haar behoeften. Hij laat hen den tijd om hun velden naar den eisch te bewerken; hij laat hen vrij cultuurdiensten te verrichten in de uren die hen het best schikken, in verband met den arbeid op hun eigen grond; van het recht op éen dag van de vijf heerendienst (inplaats van éen dag op de zeven) hem toekomende in ruil voor de velerlei feodale lasten, waarvan de onderneming het volk heeft losgekocht, maakt hij géen gebruik; vroeger-onbetaalde arbeid (als bijvoorbeeld het inhalen van den oogst) die verzacht is geworden tot betaalden, hoewel verplichten arbeid, wordt gaandeweg tot geheel-vrijen arbeid gemaakt; bij slechten oogst krijgt het volk hulp; er is een school gebouwd op de onderneming. Zooals deze eene zijn er méer. Ook brengt, afgezien zelfs van den goeden wil van een administrateur en een directie, de landverhuur aan Hollanders der bevolking voordeel aan. In het systeem van wisselbouw profiteeren hun velden van de diepe bewerking en de bemesting, het vorig jaar daarop aangebracht voor de teelt van het suikerriet: als streepen van donkerder groen liggen op het lichte groen der rijst de vorig-jaarsche plantgeulen van den goed-verzorgden riet-tuin geteekend. Evenzeer komen hun de waterleidingen, de dammen en de sluizen ten goede, die zij in dienst van den planter hebben gebouwd. Zij leeren betere werkwijzen van hem, als blijkt uit den inlandschen tabak-bouw. De vele dessa-lieden, die geen recht op de velden hebben--(van het gezin erft de oudste zoon alleen dit recht)--krijgen gelegenheid tot geldverdienen in vrijen arbeid op het veld, bij het oogst-transport en vooral in de fabriek.
Maar niettemin, niettegenstaande zulke algemeene voordeelen als de Westersche exploitatie op zichzelf en zulke bijzondere als het rechtvaardigheidsgevoel van een goeden beheerder aan het volk van Djokja aanbrengen, blijft het er slecht aan toe. Die voordeelen maken de nadeelen niet goed. De hoeveelheid loon die zij derven door gedwongen arbeid is te groot. Het stuk land is te groot dat zij moeten laten aan den ondernemer. En boven alle mate veel te groot is de macht van den man die tusschen hen en den ondernemer in staat, de macht van den bekel.
De bekel is de verpersoonlijking van het verderfelijke oude systeem, dat sterker is dan welke goede wil ook. Zijn ambt is erfelijk, een lange traditie verleent hem prestige tegenover het dessa-volk. De landhuurder, die hem kent als een verdrukker van het volk, kan hem niet ontslaan. Daarvoor is een vonnis van de rechtbank noodig, na behoorlijk onderzoek. Maar hoe bewijzen van schuld te krijgen, als de verdrukten tegen den verdrukker niet willen getuigen? De bekel-mandoer houdt den koelies een gedeelte af van hun loon: hij laat hen om niet, werken op zijn ambtsveld; hij ziet vruchten op hun erf, kippen en duiven in de kooi, een geit in den stal, en beveelt den koelie hem die te brengen: heeft de koelie bij zeldzaam toeval, geld, dan "leent" hij het; heeft de koelie een knappe dochter dan neemt hij haar tot bijvrouw, maakt den schoonvader in alles gedwee door de vrees van een verstooting, en verstoot haar toch, wanneer er van het huisgezin niets meer te halen is. En de koelie verdraagt dat alles en zwijgt. Het is de bekel, wiens vader en grootvader zijn eigen vader en grootvader op dezelfde wijze geplaagd hebben. Eerst als hij geen keus meer heeft dan tusschen totalen ondergang en verzet, verzet hij zich, op de éénig voor hem mogelijke wijze, langs een omweg. De bekel is verantwoordelijk voor het werk op de onderneming: hij treft, hem in die verantwoordelijkheid. Hij verwaarloost de tuinen, slecht, of slechts in schijn arbeidend; hij steekt het rijpe riet in brand. De menschkundige of, om precies te spreken, de Djokjaneeskundige administrateur, die in plaats van tegen onwilligen en brandstichters tegen den bekel een onderzoek met de noodige omzichtigheid begint, en, vóór alles, zorgt dat geen weerwraak hen die de waarheid zeggen treffen kan, verneemt dàn eerst van toestanden, die hij van tevoren zoo min had kunnen weten als verhelpen.
De reorganisatie is op komst, die het monsterlijke vergroeisel van feodalisme en moderne industrie vaneen scheidt, den inlander zijn deel aan den grond hergeeft in den ouden vorm van gemeenschappelijk grondbezit, den ondernemer tegen hooger loon ook beter, immers niet-gedwongen, arbeid aanbiedt en door een geregeld belastingstelsel en betalingen uit de Rijkskas de verandering voltooit, die een eeuw geleden al begon, het omzetten van betaling in grond en arbeid in betaling met geld. Iedereen zal daarbij gebaat zijn, behalve de kleine-groote tiran, de bekel, die verdwijnen moet. En zoo zouden zelfs op dit oogenblik de nu nog heerschende toestanden eigenlijk geen andere beteekenis meer hebben dan een historische, als het niet was om de uitwerking, die zij, een zoo lange reeks van geslachten door, hebben gehad op den inlander, om zijn geestelijke ellende, die niet tegelijk met de oorzaken, waaruit zij ontstond, opgeheven kan worden. De kleine man mort tegen de verandering, die toch om zijnentwille gebeurt. "De Kompenie wil den heer Sultan het land afnemen en ons alles wat wij verdienen, voor belastingen." Dat heeft de bekel hun gezegd; aan den bekel, hun onderdrukker, maar hun Javaanschen, hun erfelijken, hun rechtmatigen onderdrukker, houden zij zich tegenover den Hollander, zelfs wanneer die als helper komt.
Het onrecht heeft te lang geduurd: de geesten zijn er naar gegroeid, vergroeid. De gedachten zijn krom en klein geworden, de wil hangt slap. Wie dat goed gezien heeft en begrepen, zal niet verbaasd staan, noch teleurgesteld, als de reorganisatie aanvankelijk dit volk weinig baat. Den zieke moet den tijd gelaten om weer gezond te worden en het gebruik te winnen van zijn nieuwe krachten. Dan eerst zal voor hem een nieuw leven kunnen beginnen.
Djokjasche Landheeren
Er zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen kan, heeft hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en kunnen nooit wederkeeren, waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de Djokjasche landheeren van den ouden stempel groot geworden zijn. Zij waren een afzonderlijk geslacht.
Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan, den Kraton en den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen de zon, elken dag in den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan groeien? Het water, dat langs den van noord naar zuid hellenden grond stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent streefde hun opzij, laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of zon, regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten zij te vriend krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.
De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering, voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.
Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar "den Oost" ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden Oost-Indische Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden stand behoorden. Wij weten van een soldaat, een sergeant, een matroos, een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie gekomen uit het weeshuis, als gesjeesd student, als kwakzalver. [4] De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk maakte, waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder geweest zijn van het slag wien de Compagnie den recommandatiebrief placht mee te geven, met de drie H's, die niet beteekenden "Helpt Hem Haastig," maar "Houdt Hem Hier." Dat alles was weerbarstig hout om er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen op zijn Javaansch te zijn.
Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos te zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te weren. Er was een bres gevallen in den kraton-muur; wie er dóor kon zat daar binnen veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer een halve eeuw geleden uitgebroken, in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche Javanen, den uit de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans een hofstaat hebben aan dien van zijn Soloschen bloedverwant gelijk; en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde Mataram met landbezit bij wijze van salaris was beloond, moest nu van de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen tot oplossing van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger toen Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan (dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide, zóo ver, dat hij in het leven sneed.
Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe en de Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den onafhankelijken> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien hij een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen in den oorlog tegen Djokja.
De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al, begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte van de andere groote leenmannen. [5] Dat had zijn grenzen echter, om begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte, de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in 't land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten, bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd, als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die "nieuwe landen van den Sultan." Maar alweer moest er geld bij om dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger "niet-was" dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji's gaf de Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.
Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken, daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke vergoeding in geld zich verzetten omdat, als zijzelven wel merkten, het geld hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturaliën nergens anders heen kon dan naar hun maag. En daarnaast de vijandschap van Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten, vroeger vervuld door de Compagnie, die van groothandelaar, en den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de Djokjasche mindere legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het verbod teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had brak los: de Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding waren en voorwendsel. En het stelsel kwam ten val, dat tot zulke noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd door de opvolgers van den verbieder te niet gedaan. En na beëindiging van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de landhuurders. Dat was wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen, afgebroken, verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van ontginning van woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun vriend. Voor de vullers van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou voor die te goed wezen? Hij gaf hun voorrechten, arbeiders, land, voor weinig pacht soms, in een enkel geval om niet; hij gaf hun prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij hun een dochter of kleindochter tot vrouw. De landheeren waren in het pronkvertrek en in de schatkamer geïnstalleerd van den ouden feodalen burcht, door de bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag door Djokja gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.
Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren, onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast ontelbare schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met het Westersch-democratische element.
In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid, veel lichter dan zij elders bij Indo's is, en in den snit van het gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw krachtig is en de bewegingen vlug.
In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en de achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat voor de groote meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit; en vooral in een vormelijkheid en een zekere verfijning die uit het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke verwanten aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen, niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd bloed.
Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman, een kok uit de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel weet welke wonderlijke wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh, die zulk een opmerkelijk talent had voor het uitbreiden van land door meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig, en verliefd op het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering als kok. De weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek als beraden in--altijd benarde en hopeloos verwarde--geldelijke zaken zijn gewicht in goud waard. De Sultan gaf hem goud, in den vorm van land, en, om hem te meer aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en kòn het zijn). De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er een huis dat eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur van ettelijke voeten dik en zware poorten er om heen. Hij richtte een eigen legercorps op, dat hij,--dacht hij nog aan den Grooten Keizer?--zijn "legioen" noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris en een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen, als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden. Met die kris en die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa Negara's benden in 1825. En de dikke muur van zijn kraton weerstond alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft vierde was niet enkel het geheele hof met alle edelen en ambtenaren bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met vrouwen, kinderen en dienstboden, maar de geheele bevolking van de streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.