Chapter 31
In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoezéér, dat komt te zien in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren: wond voor wond, bloed voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder door met zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan bloed en dat eigen bate beter is dan vijands schâ, en een ronde boete wèl zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan gekregen dat het denkbeeld: geleden onrecht om te zetten in voordeel, werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de lichtste. Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van "vergeten en vergeven" geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant die iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs, de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar van "nadragen" ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen kant van het kasboek de beleediging; aan den anderen de boete; en volgens vast tarief--een tarief zonder veel vijven en zessen,--waarop niets wordt afgedongen en waarbij ook niets wordt overvraagd. Wie ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn boete. Nu, dan krijgt hij ook vrede. Alles is in orde.
Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al zoovele volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben, is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar staat hij nu en kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten vastgegrepen houdt, schreeuwend om "leven voor leven." Voor doodslag neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.
Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie, zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander, wiens waarneming niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De gevallen zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen met een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming, onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar dood. Haar familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker dan het hunne, verzinnen zij een list tegen een ander waarmee zij bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden hen. Nu is het de zaak van dat dorp om het met Andy uit te vechten: en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het oneindige voortgezet worden als "de Kompenie" het niet stuitte. Het oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn verplichting is voldaan, het heeft leven voor leven genomen. Het waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.
Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag. Er is een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend van den doode gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de bloedverwanten om zijn hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde verlof den raad kregen op hun beurt den toovenaar te betooveren tot de dood er op volgde. (Wat in 't voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt te bewijzen dat zij toch zoo steevast niet meer waren in het geloof aan de kracht der toovenarij; en voor alle zekerheid maar liever een aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor "de Kompenie" hadden de bloedwrekers triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt het morren niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls hooren en zien, dat Papoea's hulp en raad komen vragen bij den Westerling en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten en leiders van verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden binnengehaald in de dorpen.
De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid, het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er van is al--helaas, maar hoe kan het anders?--verdwijnende. Alleen bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. "Deze maan die wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte." [29] En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!
Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren van de Geelvink-baai den jongeling die zijn eerste reis naar "het Buitenland" heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja's, Salwatti, bij zijn terugkomst in met het aloude gezang van den held, terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op Salwatti groeit; en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der zwervenden. Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans, waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op de maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van den Papoea, van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee oogen van louter goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen held die haar vond, en won voor vrouw; van den verwachten Leider van alle Papoea's, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen hij haar ving in zijn klapperboom waar zij aan den koker vol zoet bloemensap nipte. [30] Op dezen eigen dag nog viert de stam der Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de geschiedenis voorstellend van het volk, zoo als het in nog dierlijke gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen, van dieren, elementen en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving ter mensch-wording. [31] Nog zingen op feestnachten de mannen van de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen gezeten aan het strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan, grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai die den vluchtenden vogel vèr heen de speer na zendt.
Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen het nog een kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat zij nu zijn.
Op vele plaatsen in Indië komt den Westerling die gedachte tegen, bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen. En het wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen, tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En of verschil in leeftijd de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen en bruine.
Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de toekomst, een allerschoonst geluk.
INHOUD
Pag. AANKOMST:
Sabang op Poeloe-Weh 7
JAVA:
Van Tandjong Priok naar Djombang 15 In het Dorp 21 Rijstoogst 41 Sultans Land 47 Suikerland 69 Armoeland 80 Djokjasche Landheeren 91 Madjawarna 102 Een bevloeiïngswerk 122
BALI:
Singaradja 133 Een wijk van de stad 140 Rijst en rijstbouwers 150 Balische vrouwen 157 Goesti Djilantik 167 Bali als het land van Goden en Geesten 178 Het verleden op Bali en de toekomst 191
BORNEO:
Eerste indrukken van Borneo 203 Stroomopwaarts het binnenland in 211 Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid 223 Een centrum van inlandschen handel 230 Langs de Barito 238
SUMATRA:
Aankomst te Medan 247 Tabak in Deli 254 Tabak en Tabakkers 263 Naar de Bataksche hoogvlakte 283 Onder de Karo-Batak 291 Westkust van Sumatra 307 Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra 326 Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Theetuin 338 Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Goudmijn 347
CELEBES:
Makassar 355 Door de Paré Paré en Boni.--De Meeren 360 Pampanoea en Watampone 378
MOLUKKENREIS:
Ambon 401 Banda 415 Ceram 422 Van Boeroe tot Ternate 428
NIEUW-GUINEA:
Naar het land van de paradijsvogels 441 Beoosten Kaap d'Urville 452 Chineesche winkels 459 Fakfak 465 Merauke 474 Langs de Geelvinkbaai 480
AANTEEKENINGEN
[1] Handboek van Insulinde, door D. van Hinloopen Labberton, f 9,738,000.
[2] Verslag van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Soerabaja over het jaar 1910.
[3] De Hollander betaalt ook in geld: nl. voor al zulke landbouwverrichtingen als niet begrepen zijn in de oorspronkelijke contracten. Deze zijn gesloten in een tijd toen cultuur-methodes veel eenvoudiger waren dan tegenwoordig. Er wordt dus voor allerlei werk--herhaald bemesten, bijvoorbeeld--bij betaald. Dit o. a. maakt dat de arbeider op Hollandsche ondernemingen er beter aan toe is dan die in Javanen-dienst.
[4] Kalff. Indische Gids, 94 en 97. Aangehaald bij Clive Day "The Policy and Administration of the Dutch in Java."
[5] Woordenboek van Nederlandsch-Indië: Vorstenlanden, door Rouffaer.
[6] Ik grijp de gelegenheid aan om voor de inrichting in Holland de hulp te vragen die Indië haar niet geven kan: wetenschappelijke. De bibliotheek heeft erg gebrek aan nieuwe medische literatuur. Zouden heeren artsen en uitgevers hier niet eens willen helpen?
[7] De Zendingseeuw voor Nederlandsch Oost-Indië: VI Het Nederlandsch Zendelinggenootschap 261.
[8] Woorden van een Christen-Javaan, aangehaald in de Mededeelingen vanwege het Nederlandsche Zendelinggenootschap. Verslag omtrent den werkkring Madjawarna in 1910, blz. 134.
[9] Zendingseeuw etc. p. 255.
[10] t. a. p.
[11] De drie kasten zijn in afdalende rij, die der Brahmanen, die der Ksatrya, die der Wessya. De leden der Triwangda hebben nog enkele historische voorrechten op de gemeenen, de Kaoela. De Ksatrya zijn zoo goed als verdwenen en de Wessya nemen hun plaats in.
[12] W. R. van Hoëvell. Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847. Deel III blz. 45 en vlg.
[13] De eigenlijke naam van de door Hollanders dikwijls Dèn Pasar genoemde plaats.
[14] De plant wordt zoo genoemd om de gelijkenis van haar rozig-paarsen bloemtros met dien van de hyacint. Ik zag slechts een enkel exemplaar in bloei.
[15] Hierbij is er veel, die niet in de zon, maar boven vuur gedroogd is, wat ik, persoonlijk, te Kendangan niet zag geschieden.
[16] Javanen, naar den hadji-titel begeerig doch van den Mekka-tocht afkeerig, gaan naar Penang om zich den schijn te geven van den tocht te hebben volbracht en keeren na enkele weken, als van Mekka komend terug. De bron waaruit schrijfster dezes putte geeft geen zekerheid omtrent de vraag of de planter met zulke namaak-hadji's te doen had, of met toevallig onder weg opgehouden echte.
[17] Het Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned. Indië naar aanleiding van het ontwerp van mr. v. Blommestein noemt als het getal der tot 1910 toe opgerichte maatschappijen 125 met een gezamenlijk kapitaal van ruim 104 millioen.
[18] Reizigers 2,314,994 in 1911 tegen 823.860 in 1901.
Vrachtgoederen 429,653 ton in 1911 tegen 205.577 ton in 1901.
Rapport van den hoofdadministrateur aan den resident ter Oostkust van Sumatra.
[19] Mr. H. J. Bool. Arbeidswetgeving in de Residentie Oostkust van Sumatra: blz. 13, noot.
[20] Niet met de letter van de wet; maar volgens de uitlegging die zoowel werkgevers als werknemers er altijd aan gegeven hebben. Van Ned.-Indische koelies werken alléén Javanen in contract.
[21] Volgens een officieele mededeeling in Engelsche vertaling aangehaald op blz. 45 van het "Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned.-Indië naar aanleiding van het ontwerp Blommestein," waar tevens vermeld staat "dat de toestanden op Banka door meer toezicht veel verbeterd zijn."
[22] Belasting in geld: progressief van 2 1/2 % voor een inkomen per gezin van f 50 in 't jaar tot 4 1/2 % voor een inkomen van f 630 en daarboven. Heerendiensten 40 dagen per jaar als maximum: 4 daarvan zijn voor de hoofden. Bij wegenarbeid wordt de nacht op het werk doorgebracht gerekend voor 1/2 dagarbeid, in de practijk is het maximum 24.
[23] De drie andere gevallen zijn: als er geen geld is voor de begrafenis van een lid der familie, geen geld om het begonnen familiehuis af te bouwen, geen geld om een schuld bij hanengevechten aangegaan, te voldoen, voor het geval de verliezer een "penghoeloe," een dorpshoofd is.--De bruidschat is soms verkeerdelijk voorgesteld als de "koopsom" van den man.
[24] Vertaling van Veth "Insulinde."
[25] Zie Van Hasselt: Noefoorsche Sprookjes.
[26] M. Müller leidt deze stelling uit de taal af; uit den godsdienst van Hasselt, wiens vertaling van Noefoorsche sprookjes hier al meermaals is aangehaald, en van wien ook afkomstig zijn de hieronder volgende mededeelingen omtrent het gezinsleven, den godsdienst en de feesten der Noefooren.
[27] Een klein nacht-dier, een buidel-drager.
[28] Mondelinge mededeeling van v. Hasselt, zendeling te Manokwarie.
[29] Volgens mondelinge mededeelingen van Van Hasselt, zendeling te Manokwarie.
[30] Noefoorsche sprookjes, vertaald door Van Hasselt.
[31] Jos Viegen, M. S. O. pastoor te Merauke in het tijdschrift v.h. Kon. Ned. Aard. Genootschap, 15 Maart 1912.
AUGUSTA DE WIT
JAVA FACTS and FANCIES
WITH 160 ILLUSTRATIONS
ROYAL 8o FL. 5.75 IN BEAUTIFUL BINDING
Prologue.--First glimpses.--A Batavia Hotel.--The Town.--A colonial home.--Social life.--Glimpses of native life.--Native life in the streets.--On the beach.--Of Buitenzorg.--In the hill-country.--In the dessa.
Recensie van HENRI BOREL in "De Gids":
"Toen ik dit heerlijke, weldadige, mooie, o! zoo mooie boek in handen kreeg van Augusta de Wit, dacht ik, dat wanneer er nog eens een paar schrijvers als deze opstonden, dan zou eindelijk de hoop ontstaan een Nederlandsch-Indische literatuur te krijgen, die door haar verfrisschenden, verreinenden invloed het leven daar kon zuiveren van materialisme.--Ik meende vroeger altijd dat het aan Indië zelf lag, dat het daar geen land was om mooie dingen te zien en daar vreugdevol van te schrijven. Maar nu is het gekomen! dit mooie boek heeft het mij doen zien."
Uitgave van: W. P. VAN STOCKUM & ZOON, Den Haag
End of Project Gutenberg's Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit