Natuur en Menschen in Indië

Chapter 30

Chapter 303,834 wordsPublic domain

Het gehucht ligt open en bloot tusschen den boschrand en het strand van de zee, zonder eenige afsluiting, haag, hek noch heining. Het is niet anders dan een paar dozijn hutten, zoo armzalig, scheef geduwd door den zeewind, verzakt in het zand, vervallend, aan flarden, dat het een hoop bladers en takken lijkt door den storm bijeengewerveld uit het knakkende bosch, eer dan menschelijk bouwsel. Er is een zekere orde in te zien, toch. Een staketsel scheidt het in tweeën. De helft naar het strand toe is het vrouwen-verblijf; de helft naar het bosch toe het kamp van de mannen.

In het midden daarvan staat het feesthuis, een vierkant van palen met een dak er op. De palen zijn hier en daar versierd met grof rood en zwart schilderwerk, het dak met een afhangende franje van verdord klapperblad. Het eigenlijke sieraad echter ontbreekt: menschenhoofden. De rijen schedels die hier vroeger hingen, liggen nu te Merauke en de vervanging door versche is, sedert een paar jaar, ondoenlijk gebleken. De mannen van het dorp houden hier den gezamenlijken maaltijd als zij met een buit van kangaroe of wild zwijn zijn teruggekomen uit het woud; hier ook hun drinkgelagen. Niet van jenever: de invoer van alcohol is, als die van geweren en kruit, verboden, en hier in de nabijheid van Merauke waarschijnlijk ook zoo goed als onmogelijk. Maar op vele plaatsen, in den Maleischen archipel zoowel als op Nieuw-Guinea, groeien in het wild planten wier sap bedwelmt. Hier is het de "wati," een kruidachtig struikje waar alle bosschen vol van zijn; het groeit tot aan de hutten van het gehucht toe. Uit de bitter-geurige bladeren en stengels komt een sap dat eerst vroolijk, dan half-dol, dan bewusteloos maakt. Het wordt er uit geperst door kauwen, wat, met het opvangen van het sap, het werk van de vrouwen is. Den avond voor onze komst was er, waarschijnlijk, een feest in de loods geweest. Wij vonden er een man op den grond liggen, bewusteloos-dronken. Anders was er niemand. De overigen waren naar de boot--"een schip-vol rijst is aangekomen!", was in de vroegte al geroepen; of naar het hospitaal van de missionarissen van het Heilig Hart, met de een of andere wond, bij ontnuchtering gewaar geworden; of mogelijk naar de tuinen, waarin de broeders trachten hen ketellah obi en allerlei groenten te doen verbouwen; of--meer waarschijnlijk--op de jacht. In het vrouwendorp was eenige beweging. De meesten ook van hen waren weg, zij werkten in de tuinen of zij vischten op de zee. Maar er waren er toch een paar achtergebleven met eenige jongens en meisjes van een jaar of tien, en één kleintje, van misschien drie--het eenige kind in het geheele gehucht, als wij van onzen gids hoorden. Het vrouwendorp zag er nog ellendiger uit--als het kan--dan het mannendorp. Een lange loods met één wand, die naar de zee was gekeerd, en een rij ten ruwste van de takken ontdane stammen, met de schors er nog aan, als pijlers om aan den anderen kant het schuins afhangende bladerdak te stutten, was de gezamenlijke woning van een aantal vrouwen-en-kindergezinnen. Op de breede bank, bed en tafel tegelijk, langs de geheele lengte van de loods loopend, waren de plaatsen afgedeeld door hoopjes van elks bezittingen--een mat, bamboe-schalmen om water in te dragen, een van bladreepen gevlochten zak, een vezelen net, een paar klappernoten. De etens-voorraad van het dorp hing aan de palen--klompen steenhard sagomeel in bladers gepakt, rissen gedroogde visch, een stuk vleesch, dat in den rook zwart was geworden. In een hoek lag een zieke--verlamd, als we hoorden, sedert jaren. Her en der liepen, knorrend, zwarte varkens, die wroetten in allerlei afval van klapperschalen, vischgraten en leege schelpen. Aan den ingang van een afzonderlijk krot zat een vrouw met een biggetje op den schoot, dat zij koesterde of het een kind was. De vrouwen waren, als de mannen, geheel naakt. Als sieraad hadden ook zij een tatouage van litteekens. Die worden, als de huwbare leeftijd intreedt, met scherpe schelpen aangebracht, en verduidelijkt door inwrijving van de wonden met asch, wat het spoedige sluiten belet en breede litteekens doet ontstaan. Zooals die versiering met litteekens het onderscheid was tusschen kind en meisje, zoo was een ellendig-vervallen voorkomen het onderscheid tusschen meisje en vrouw. Waren zij jong, waren zij oud, die getrouwde vrouwen, moeder een enkele, de anderen alle kinderloos? Het was niet te zeggen. Allen waren zij mager, holoogd, suf, vuil. Allen ook hadden zij litteekens, àndere nog en wreedere dan die voor sieraad ingekorvene. Van vrouwelijke gedaante was niets meer over dan wat sterker was gebleken dan afbeuling, mishandelingen en afzichtelijke ziekten. Aan verscheidene onder hen was in het hospitaal van de missie het haast verloren leven teruggegeven. Waartoe eigenlijk? Voor de vermeerdering van welk nut, welke vreugde, welke liefelijkheid ter wereld? Als ooit omtrent barmhartige hulp zulk een vraag gedaan mocht, dan mocht het hier. En als ooit, ook door wie een afkeer heeft van dwang, naar dwang verlangd mag worden, om den wille van het eigen best van den gedwongene, dan mag dat hier in Merauke.

Langs de Geelvink-Baai

Tusschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen. Bij de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars in vogelhuiden en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van beter ras zijn of met beter zich hebben vermengd; of zij meer voordeel hebben gehad van Westerschen invloed--welke de oorzaken ook mogen wezen, de toestand is zóó, dat zij in alle opzichten het beste er aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea's in het Nederlandsch gebied. Sommige onderzoekers houden het er voor, dat zij vroeger op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele overblijfselen van die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in hun taal en hun godsdienst. [26] De taal, het Noefoorsch, dat van de Oostkust van Halmaheira tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de godsdienst heeft nog een verdwijnend spoor van monotheïsme; een gebed tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.--Overigens zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en "Naakte Papoea's" echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch munt weten, geen eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en leven van jacht en visscherij; terwijl zij, even goed als die anderen, koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere zede, een frisscher lichaamsgesteldheid en een vroolijker karakter.

Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk óók jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar schildpadden of naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea met uitzondering alleen van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een springlans: een scherp gepunte stok, door een strik zóó gebogen, dat als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het lichaam treft. Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen, dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En de koppensneller valt van achteren aan.

Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen van wortels of steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog niet zoo lang geleden, zijn slaaf.

Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door tegen zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was zulk een verkoop en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de familie zich op die wijze van de kinderen, voor wie zij anders had moeten zorgen.

Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur, is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan het licht kwam. Een Papoea was 's nachts op koeskoes [27] gaan jagen. In het donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen, trof hij doodelijk een kind. De familie was een machtige, die een jaar of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde zich nu naar de nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald, niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het vermoorde was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding niet te dragen (men hoort hier véél van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er nog minder van), hadden de bloedverwanten van den overleden vader het jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw uithuwelijkten. Het bevel om het kind terug te geven aan de moeder en in zijn plaats geld aan te nemen, verwekte een hevige ontevredenheid en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde familie zich, en het kind kwam bij de moeder terug.

Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door Van Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden. Altijd, als een kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem, als zijn vrindje en kameraad. Ernstige vragen bespreekt een meester met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit bekommerd over het lange wegblijven van haar man, die op een verre reis is; haar slavin komt binnenloopen. "Wees niet langer bedroefd, hij is terug, onze heer! Ik heb zijn prauw gezien in de verte!" Aan alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester gaat de slaaf op jacht, als een paar vroolijke makkers.

Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is, een zwerver, een eenzelvig mensch die geen nòg zoo geringen dwang of regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort omheining dan ook om zulk een gehucht. De hutten staan her en der, zoo en wáar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is het met zijn bestuur. Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden van buiten af hebben ingewerkt. Alléen aan zijn familiehoofd bewijst hij een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht gaat wonen. De familie-organisatie, de oudste, is de alleén sterke, die door latere, zwakkere, (uitheemsch van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die daartoe opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel; maar toch: schatting. Aan het "vreemde" dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde belastingen geïnd zouden worden door de dorpshoofden, die het bestuur bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek dàt de moeielijkheid. "Wij willen ons zweet niet aan vreemden geven!" Wie ooit een Papoea in zijn doen en laten,--in zijn láten vooral,--heeft waargenomen, zal dat Papoeasche "ons zweet" verhollandschen met "het zweet van onze vrouwen." Maar de bedoeling is duidelijk genoeg: zij willen dat het zweet in de familie blijft.

De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem is te behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen zich vermengd hebben. Fier zal een "edelman" zeggen: "Ik heb geen droppel lood in mijn bloed, het is alles puur zilver en goud!" Een familiehoofd wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon--daaraan verandert de meest vriendschappelijke verhouding niets--mag nooit met een slavin trouwen.

In dorpsvergaderingen zal een man, die "lood in zijn bloed heeft," bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen van zijn opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling van slaven niet betaamt. Eén uitzondering alleen is op dien regel: wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat gebeurt met een curieuze ceremonie, die zweemt naar het ritueel van den Christelijken doop: uit een schaal, waarin een of ander gouden voorwerp ligt, wordt "goudwater" over het slavenkind gesprenkeld, terwijl het een nieuwen naam krijgt. Zoo wordt de smet van zijn lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe familie-gemeenschap. Niemand durft hem later slaafsche geboorte verwijten: hij is de erfgenaam van den "adel" zijner pleegouders. [28]

Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar zijn opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is van onvrijen. Dat is op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van het onderwijs. Op de scholen gingen de pleegkinderen van de zending, weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte, dat de hoofden de hunne er van weghielden in het begin. "Waar het kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen ònze kinderen niet onderwezen worden."

Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden, dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht zou zijn.

Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft, komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning bijna geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij werkt in de tuinen, ze plant de groenten en de maïs, ze draagt op haar rug de zware vracht van den oogst naar huis; langs het strand en op de koraalriffen zoekt zij schelpdieren en krabben, 's avonds kan men haar tegenkomen met een walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld wordt. Te Fakfak gaat zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De verkenningstroepen, die het binnenland achter de Humboldtsbaai in gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als watervogels drijvend met de armen over een bamboe, dien ze loslieten als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de streek, fossiele, die opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die hem gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt, en voor de brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk. Als vanzelf spreekt is ook de verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt: "Zij zijn er om voor onze kinderen te zorgen." En waar kleeren van boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en dun kloppen. (Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig, om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De geweven kleeren die de Papoea's beginnen te dragen, zijn import, meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)

Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat, de kangoeroe's en de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En omdat vrouwen schaarsch zijn--alle berichten stemmen overeen op dit punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de Papoea's--moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds een te krijgen.

Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea; overblijfsels uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben, en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw gingen rooven uit den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en berekeningen, zooals hij er geleerd kan hebben van de huidenhandelaars uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De voorvaderlijke wijs van huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt nòg. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee families, die wèl beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie vroeg er bij te zijn. Kinderverlovingen komen véel voor. "We leggen de prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven," zegt de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de twee gezinnen het éens zijn geworden, wat niet gebeurt dan na een schijnvertooning van onwil door de familie der "bruid," beginnen zij over en weer met het bijeenbrengen van den bruidschat, die voor een gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te zetten en voor de rest een wederzijdsch geschenk van de twee families aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere gelijk op, en er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. Dìt beteekent: een visch gegeven; dàt: een bos pisang; dit andere weer: geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten en handreikingen worden beschouwd als betaling, toegebracht aan den bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte toch niet doorgaat, omdat een der twee, volwassen, plotseling een eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al eens, en zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes en bundeltjes, en een "schande-prijs" betaald worden--want ook de aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet--aan de teleurgestelde familie.

Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het verbod aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn meisjes familie te verschuilen, wáár hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop het trouwen van het aan-elkander-gekochte paar wordt gevierd, met de dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als had de bruidegom hun bloedverwante geroofd, gaan de jonge mannen uit de familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis--of wat op dien dag daarvoor geldt--en breken het uit weerwraak tot den grond toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den anderen blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt, als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig bestaat uit een mes--een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie zich getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat een paar honderd wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken, geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling aangewezen. Het is dan, òf een geheel vervallen krot, òf een huis, verlaten omdat daarin iemand gestorven is (wanneer een huis verlaten móet worden); òf, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den eersten nacht toen de bouwer er voor proef ging slapen, gekraak in is vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van zulke waardelooze huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door den koopman ondervangen. En 't is eere gewaard en kosten gespaard bij het bruilofts-drama.

De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene deel van den familiebruidschat een kamertje in het huis van de bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet betaalde werkkracht in huis gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt beschouwd als een dienst aan den man en zijn familie. De moeder-zelve heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als tegenover het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij zelve is. "Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn er om voor onze kinderen te zorgen." Zoo neemt de Papoea de verhouding op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van den vader een kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling wreken aan de schuldige moeder die zijn eigendom heeft verwaarloosd.

Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit te oefenen, om zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt, zoodat hij wel eens voor de noodzaak kon komen te staan "hard te moeten werken om allen te voeden," en wanneer "de last van het kinderen grootbrengen" hem dan te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood brengen. In de Hollandiabaai moet dit véél voorkomen. En er wordt zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige moeders zelven hun pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai, waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter, hoort men niet dan zelden van kindermoord.

Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover familie-dwang, en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste is zij door de mannen met grooten onwil vernomen. Maar al mokkende en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend zich geschikt hebben in het verbod van slaven halen en het verbod van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al ingezien, dat ook deze nieuwe beperking van hun "rechten" ten slotte een bevordering van hun welzijn is.