Chapter 29
Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het water uit. Er staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige schildpadschalen, aan palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over het water tegen. De gezichten van de naakte, war-harige, vervuilde wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer, nog erger haast dan de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk, begint hij nú te gelooven daaraan.
Chineesche winkels
Te Sorong al begon het; hier in de Humboldtsbaai, in dat bedrijvige dorp, waar de boot haar laatste vracht ontlaadt, is het nog; en nergens, op de geheele lange reis was het er niet--het Chineesche winkelbedrijf. Niet ééne was er van al de vele aanlegplaatsen,--Saonek, Manokwarie, Roon, de Wooibaai, Ansoes, Pom, Mokmer, Wakdé,--of langs het strand stond een wal van Chineesche toko's, splinternieuw alle, sommige niet eens af nog; en Chineezen stonden te wachten op de ladingen gaba-gaba, planken, dakzink, atap in reepen, die langs het laadbord de vlet in gleden, en op de Chineesche timmerlui, uit Ambon en Menado meegekomen om, voor een dagloon van f 3, beginnend met den eersten dag van uitreis en eindigend met den laatsten van de terugreis, over een anderhalve maand te beginnen, van al dat materiaal weer Chineesche winkels te maken.
De kust is, in wording, één Chineesche winkelstraat, honderd-en-vijftig geografische mijlen lang in de vogelvlucht gemeten, met voor zichtbare klanten een troep spiernaakte, een stuk gedroogde visch kauwende Papoea's. De reiziger ziet er naar, verbaasd, tot hij, instee van de oogen, de herinnering te hulp neemt. Die begint aan een lange geschiedenis.
Het is wèl bekend hoe het land van de Paradijsvogels niet dan half bij toeval, half bij dwang Nederlandsch koloniaal gebied is geworden--bij toeval een exploitatieland van de Oost Indische Compagnie, die er weinig voordeel van heeft gehaald, bij dwang der omstandigheden en annexatie, bij stukken en brokken, een bezit van den staat, die de desolate erfenis aanvaarden moest en later, tegen wil en dank meest, verdedigen tegen andere gegadigden.
In den bloeitijd van de O. I. C. waren "de Papoesche Eilanden" nog onbekend land voor haar, al wist zij, dat de Molukkenvorsten daarvandaan groote rijkdommen haalden, en dat Portugeezen zich daar hadden gevestigd en Spanjaarden. Een gerucht dat er goud te vinden zou wezen, prikkelde den ondernemingslust.
Er werd een schip gezonden naar de Zuidwestkust, om te zien wat er aan was van het op Ceram gehoorde omtrent den rijkdom dier streek, en een contract werd gemaakt met den Sultan van Batjan, die daar vage rechten had. Tien jaar later eerst kwamen de schepen der Compagnie op de Noordkust, geheel bij toeval, gedurende een tocht, ondernomen om een anderen weg naar Indië te vinden, dan die bij octrooi haar was toegestaan. De kust en eenige der dichtbij gelegen eilanden werden onderzocht, maar er leek weinig te halen, zooals op heel Nieuw-Guinea, waar van goud niets gevonden was, en de muskaatnoten--een in het wild groeiende soort--van veel minder hoedanigheid bleken, dan die op Banda geteeld werden, terwijl er voor den pluk geen handen te vinden waren, en het volk kwaadaardig slag was, verraderlijk en moordzuchtig. Ook bleek de kust gevaarlijk te bezeilen. De regeering verbood ten slotte den handel. En dat hij hervat werd, kwam door denzelfden dwang, die, onder geheel veranderde omstandigheden, anderhalve eeuw later de formeele annexatie te weeg zoude brengen, alle aarzelende voorzichtigheid, en zuinigheid óok, ten spijt: door den dreigenden binnenval van den vreemdeling. De Compagnie, die zich wilde verweren "met de wapenen die God ons gegeven heeft," als bij een andere gelegenheid een van haar doortastende pioniers verlof vroeg te doen, kreeg ongelijk van de hooge regeering bij het gevankelijk opbrengen van den Engelschen ontdekkingsreiziger William Dampier naar Ambon. Zóo hardhandig ging het niet. De tijd van betoogen en onderhandelen begon, contracten werden vertoond, met Moluksche vorsten gesloten, met sultans van Batjan, Tidore, Ternate. Het was niet anders dan een schijngezag dat zij op Nieuw-Guinea uitoefenden, en hun eenige functie: het innen van schatting en het rooven van slaven. Maar een ander gezag was er zelfs ook niet in schijn, en ook de Engelschen wisten gedurende het interim niet beter te doen om eenigermate rust te krijgen in het land, dan de potentaten van Tidore en Ternate, met elkander erfelijk in een krijg, die ook in Nieuw-Guinea werd uitgevochten, te bewegen tot vredesluiting. Toen daarop Nieuw-Guinea mèt den Oost-Indischen archipel terug kwam aan Nederland, erkenden opeenvolgende regeeringen, soms zwijgend, soms uitdrukkelijk, het recht van den Sultan van Tidore, dat eindelijk zelfs uitgebreid werd, over gebied, trouwens, waar het Nederlandsche gezag zich nog nooit had doen gelden. Het leek veiliger de verantwoordelijkheid voor wat daar gebeurde over te laten aan anderen, nu men de middelen eenmaal niet bezat om het zelf te beletten: zeeroof, slavenhalen, moord en doodslag.
Dat alles was het gevolg van Moluksche regeersystemen, maar Westersche handelsontwikkelingen hadden het ergste nog verergerd met den invoer--ter sluiks--van jenever, opium en vuurwapenen; dit laatste om de Paradijsvogeljacht.
Op zichzelf was deze geen nieuwigheid uit het Westen. Het is bekend, onder anderen uit Wallace's boek, hoe op het laatst van de zestiende eeuw al Portugeezen, Hollanders en Engelschen dien handel gaande vonden in de Molukken. "Godenvogels" noemden de Maleiers om hun schoonheid de schitterende diertjes, wat de Portugeezen, met een verchristelijking van het denkbeeld vertaalden als "Paradijsvogels." Jan Huygen van Linschoten zag er, op die reis waarvan hij zijn beroemd verhaal zou doen. Als het anno 1598 aan een schrijver paste, gaf hij den "Godenvogel" een latijnschen naam en verhaalde van de "Avis paradisea." En het Hollandsche "paradijsvogel" ontstond, dat andere volkeren ieder in de eigen taal overnamen en waaraan de fantastische dierkunde van den tijd de voorstelling vastmaakte van een vogel zonder pooten, die nergens nestelde noch neerstreek, maar op uitgebreide pluimen dreef in den zonneschijn. Er waren immers ook nooit anders dan verminkte huidjes naar Europa gekomen. Trouwens, in de Molukken zelven werd niet anders gezien: de vogels waren handels-artikel, enkel om de pluimen. Dat de Papoea's ze als schatting opbrachten aan den radja van Ternate ziet men onder anderen ook uit het Noefoorsche sprookje, tegenwoordig nog verteld, van hoe de Paradijsvogels in een prauw naar Ternate voeren, om schatting te brengen aan den Sultan. De handel in de huiden was dus een oorspronkelijk-inlandsche. Maar hij veranderde toch van karakter, hij werd wereldhandel, door de navraag uit het Westen in den nieuwen tijd. Wallace zag het begin van die verandering, en voorspelde erge gevolgen voor de vogels. De allerergste kwamen voor de menschen. Concurrentie onder moord en doodslag, vuurwapenen onder de wilden, de jenever als ruilmiddel. Van de Merauke rivier in het Zuid-Westen af tot aan de Hollandiabaai in het Noord-Oosten werd de kust van Nieuw-Guinea een hel. Beccari en Mikloecho Maclay schreven op en lieten het aan de wereld lezen wat zij met eigen oogen gezien hadden. Er ging een schreeuw op over de "koloniale mogendheid" die zulke dingen duldde. Gevaar begon te dreigen van allen kant. Australische avonturiers, die op de Zuid-Westkust kwamen om wilde muskaatnoten--de prijs was een voorlaad-geweer van f 10 voor een mand met f 100 waarde aan noten--trachtten van Papoea-hoofden het land te koopen dat de koloniale regeering, voor complicaties beducht, hen geweigerd had. De Berlijnsche conferentie van 84, ter regeling van internationale koloniale belangen bijeengeroepen, gaf een definitie van koloniaal bezit die de Nederlandsche autoriteit over het gebied der Molukkenvorsten in Nieuw-Guinea tot een hachelijke quaestie maakte. Engeland beklaagde zich over invallen van Papoesche rooverbenden, Nederlandsche onderdanen in naam, in Britsch Nieuw-Guinea. Toen was het geen wil meer maar een moet. De schaduwen der Molukkenvorsten gleden weg van het land en ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur stapten aan wal. Als laatste herinnering misschien aan vroegere toestanden werd Zuid-West Nieuw-Guinea een afdeeling van het gewest Ambon, Noord Nieuw-Guinea een afdeeling van Ternate. De regeering zat in de Papoesche prauw: zij roeide met de riemen die er in lagen--schepriemen, voor Westerlingen-handen de deugdelijkste niet. De Paradijsvogel-handel was er een van. Er werd geprobeerd uit het onvermengde kwaad een vermengd goed te maken. Het licentiestelsel moest aan het land het allernoodigste geld verschaffen om een begin van organisatie en beschaving te brengen. Om het allerergste gespuis te weren werd de bepaling gemaakt, dat niemand tot de aanvrage van een jacht-acte zou toegelaten worden dan wie op de kust als handelaar met een winkel gevestigd was.
Een poging werd nog gedaan ten gunste van een Nederlandsche maatschappij, om de jacht tot monopolie te maken. De voorstanders voerden als reden aan, dat exploitatie door een Nederlandsch handelshuis het best zou beantwoorden aan de bedoeling der wet, namelijk van den handel een middel tot beschaving van den Papoea te maken. De tegenstanders wezen op het gevaarlijke van het monopolie-stelsel en de behoefte van Nieuw-Guinea aan de ontwikkeling, die concurrentie mede kan brengen. Een buitenlandsche firma verzette zich heftig tegen bevoorrechting van het Nederlandsche kapitaal. De zaak werd in de Tweede Kamer besproken en het voorstel verworpen. Allen, die wilden, begonnen den wedstrijd. De overweldigende meerderheid waren Chineezen, bouwers van winkels en winkeltjes in soorten, van de keurige toko's in Manokwarie af, als een Europeanen-huis gebouwd en vol Europeeschen import, tot de gaba-gaba-doos met gegolfd zinken deksel toe, waarin op Pom of Wakdé de speculant in vogelhuiden neergehurkt zit, tusschen een zak rijst en een baal rood katoen. En zoo ontstond en staat--voor zoolang de Parijsche mode het zal beschikken--die Chineesche winkelwijk, die met de zee voor straat van 131° tot 141° Oosterlengte langs den evenaar loopt.
De hoop is, dat daarlangs de beschaving binnen zal komen in Nieuw-Guinea.
Fakfak
Het eerste station op de reis naar Zuidwest Nieuw-Guinea is Kokas, een klein plaatsje aan de Zuidkust van de Maccluer Baai, spiksplinternieuw blinkend met twee groepen houten, met zink gedakte huisjes ter weerszij van een heuvel, die op de kruin het huis van den bestuursambtenaar draagt. Zuidwaarts kaap Fatagar om, en het Oosten in, gaat dan de vaart naar Fakfak.
De vestiging ligt prachtig tegen de steilte aan van een rotsachtige baai, die door een eilandje van de zee is afgedamd. Het gesteente van de rots is lichtgrijs, wit bijna. Struikgewas en allerlei slingerplanten hangen er met hun rijk groen langs, het klaarblauwe water kaatst groen en wit licht overblauwd terug. Op een smal strookje fel-wit zand staat een buurt Chineesche winkels. De Papoea-hutjes zijn tegen de hoogte aangebouwd. Er loopt een steil pad langs, dat, boven, over de kruin van de rots weer naar beneden duikt. Daar ligt het eigenlijke dorp langs een ondiepen inham van de zee--hutjes op palen, die bij ebbe boven zwarte modder staan. Doode stammen, naakt en bleek, met allerlei wrak en nameloos aanspoelsel tusschen de starre takken, steken uit de zwartigheid op, waarin kinders rondwaden op den zoek naar krabben en schelpgedierte. De mannen en vrouwen van het dorp dragen een dunnen schijn van kleeding. Fakfak is, in den korten tijd, sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag verstreken, een centrum geworden van inlandschen handel: paradijsvogelhuiden komen hierheen uit het oostelijke binnenland, massooi,--de sterk-geurende schors waaruit in Europa de basis gewonnen wordt voor allerlei reukwerk--damar uit de bosschen, en schelpen uit de strandzee langs Kaimana. Er wonen veel Moluksche handelaars rondom, die een missigit hebben op het eilandje voor de baai, Serang. Vandaar die schijn van kleedij.
De binnenlanders, die met hun vogelhuiden en massooi naar Fakfak komen, loopen naakt, ten hoogste enkelen met een lap katoen, van voren afhangende van het vezelsnoer rond hun middel. Den dag voor onze aankomst was er juist een bende van veertig binnengebracht: als gijzelaars voor stamgenooten, die op een raaktocht waren gegaan en een aantal koppen gesneld hadden. De omweg over onschuldigen heen is de kortste, de eenige dikwijls om een Papoeaschen schuldige te bereiken. Het volk zelf gaat dien weg bij voorkeur. "Als wij den boom willen vellen, die naast ons huis staat, dan hakken wij er een om, een eindweegs verder in de rij. De vallende velt den naaste, tot de laatste dengene velt dien wij eigenlijk meenen." Nooit velt een Papoea den "eigenlijk gemeenden" man, die sterker is dan hijzelf. Neen! Hij kiest een derde, die te eenenmale vreemd is aan de vijandschap en haar oorzaak, doch sterk genoeg om die vijandschap uit te vechten, ware het zijn eigen zaak. Door de opzettelijke beleediging wordt de zaak nu tot de zijne gemaakt, en meteen hem uitgelegd, met wien hij ze uit moet vechten. Hij gaat heen en raakt den "eigenlijk gemeende." Zoo komt de zaak in orde. Het gebeurt wel dat de over-te-brengen beleediging hem zelven zóó treft, dat hij ze niet meer overbrengen kàn. Een man, die een moord te wreken heeft en den moordenaar niet aandurft, zal den derde dooden, en zijn stam van de bedoeling in kennis stellen. Dan gaat de sterkste van den stam er op uit, in de plaats van den verslagene, en doodt den oorspronkelijken moordenaar. De moord op den tusschenpersoon wordt niet als misdaad gerekend, noch als eenige reden van haat of vijandschap. Geheel met den Papoeaschen gedachtengang strookte dus die gevangenneming van veertig man, die aan den sneltocht niet medegedaan hadden. Nu zouden hun bloedverwanten natuurlijk zorgen de koppensnellers te vinden, en hen ter berechting te brengen naar Fakfak.
De laatste flarden van wildemans-romantiek, waarmede westersche onwetendheid den koppensneller omhangt, vallen van hem af, wanneer men hem in zijn eigen land ziet, en de wijze verneemt waarop hij te werk gaat. Er is geen zweem van wilden moed in, het is door-en-door arglistig, wreed en jammerlijk laf. Op de Noordkust is het vijandschap, die tot dien sluipmoord aanzet; hier op de Westkust zijn het met den godsdienst verband houdende voorstellingen. Aan een nieuwgeboren kind kan niet een willekeurige naam gegeven worden; het moet de naam zijn, door eenig mensch op dat oogenblik levende gedragen, en die naam kan hem niet anders afgenomen dan met zijn leven tegelijk. In den donker besluipt de bende snellers het dorp, waar zij den meesten buit en den minsten tegenweer denken te vinden, en verschuilen zich langs de wegen die naar het veld gaan of in het woud. Die met het aanlichten van den dag daarlangs komen, worden, van de hinderlaag uit, met pijlen en speren doorschoten, in den rug. Man, vrouw of kind, dat is eender. De moordenaar vergt den gewonde zijn naam af, terwijl hij hem den hals van de schouders zaagt met een bamboelatje, dat, zoo dikwijls het afstompt, wordt gescherpt op den rand van een schelp. Het duurt lang. Een plotselinge ruk trekt, ten laatste, de wervelstreng doormidden. Het geheele binnenland is nog het rijk van den koppensneller. Geen ander afdoend middel is te vinden tegen den gruwel dan ijzeren dwang, dwang met de wapenen. Het verstand is er nog niet, waarop een beroep gedaan zou kunnen worden, het gevoel is er nog niet, dat gaande gemaakt zou moeten worden, om den eigen wil te bewegen tot het betere. Het slechte moet eerst onmogelijk gemaakt worden. Hoe? met een paar dozijn gewapende politie-manschappen voor een land zoo groot als half-Borneo!
Voor wie gevangen werden was de straf vroeger dwangarbeid in ballingschap. Het bleek, in de praktijk, de doodstraf. De Papoea verdroeg, met zijn lichaam, de rijstvoeding van Celebes of Sumatra niet, met zijn gemoed niet het heimwee; hij stierf al na korten tijd. Nu is van de straf de ballingschap afgenomen: koppensnellers doen hun dwangarbeid, werkende aan de wegen, die door hun eigen land worden aangelegd: te Fakfak, te Merauke, te Manokwarie. En nu gebeurt het gelukkige. De onmogelijkheid, waarin ze zijn gekomen om den ouden moorddrang te volgen, het geregelde leven, de zekerheid van elken dag genoeg te zullen eten en drinken, elken nacht tegen dauw en kilte dek genoeg te zullen hebben, de veiligheid, ongekend tot nog toe door hen die nooit konden weten waar hun plotselinge vijand vandaan zou komen, noch zelfs wie hij was, de vaste arbeid eindelijk, te zamen met vele gelijken, doen het menschelijke ontkiemen in wat eerst maar een wezen van het woud en de wildernis was. Als de eerste schrik en wantrouwige haat geweken zijn, begint hij te beseffen dat het toch beter zóó is, toch beter, zelfs onder dwang, met goedwilligen samen te wezen, zelf goedwillig, dan, in volle vrijheid, een vijand onder vijanden. Langzaam aan wordt ook de dwang minder hard te verdragen. Hij gaat wennen aan den arbeid. Als zijn tijd om is, hebben zich behoeften en gewoonten in hem gevormd, waaruit een nieuwe levenswijze kan ontstaan; hij is voor het betere vatbaar geworden. Het besef van die verandering drukt hij, op zijne wijze, uit, als hij verlof vraagt om het bruine dwang-arbeiders-pak te mogen behouden, dat hij, zóó gekleed, gekenteekend voor "goed-vriend van de Kompenie" in zijn bergdorp moge terugkeeren. Het verzoek wordt vaak gedaan.
Het is een al oude manier van de Papoea's in het binnenland, "beschaving" te gaan halen bij de stammen langs de kust, tot wie zij opzien als tot hun meerderen en beteren. Die menschen, die immers geleerd hadden van vreemdelingen uit rijkere landen, van Chineezen, Arabieren, Cerammers, Boegis, wisten en hadden van allerlei, waarvan de binnenlanders nog nooit vernomen hadden. Zij aten beter voedsel, zij gebruikten beter werktuigen, hun leven was gemakkelijker. Graag kwamen zij daarom naar de kust met hun troepen buitgemaakte slaven, hun massooi, hun paradijsvogelhuiden en hun damar. En zij trachtten zooveel mogelijk van hun eigen vrouwen te doen trouwen met mannen op de kust, en zooveel mogelijk vrouwen van de kust mee te krijgen naar hun eigen dorpen, om door verwantschap zoowel als door handelsverkeer de verbintenis nauwer te maken van hun wildernissen met de kust. De nieuwe manier, waarbij ouders in het binnenland bewogen worden, hun dochters voor een paar jaar naar Fakfak te laten gaan, als huisgenoot van een "goeroe"--een inlandschen schoolonderwijzer, Ambonees of man uit de Minahassa meest--, of anders als pleegkind in het gezin van een met het gouvernement bevriend hoofd, komt hun daarom niet als iets vreemds voor, niet als een Westersche nieuwigheid, die men wantrouwen moet. De meisjes komen gaarne en blijven gaarne, en nemen, als ze teruggaan, onder andere de gewoonte van zich te wasschen mee.
Zij van hùn kant, de ontslagen dwangarbeiders van den hùnnen, brengen zoo nieuwe mogelijkheden het binnenland in. Zij willen wel, de Papoea's: alléén: zij moeten eerst geholpen worden om te willen.
Dat voor zulk helpen toch zooveel geld noodig is!
En dat de helpers zoo weinig maar hebben!
Merauke
Mannen kwamen aan boord, naakt van hoofd tot voeten, met gezichten zwart en fel-rood geverfd, door hun neusvleugels scherpe lange slagtanden gestoken, en aan den arm bossen stinkende stukken huid van een wild zwijn. Zij liepen met een lichten, sterken gang, hun voeten veerden als zij den grond aanraakten. Een trotsch jong dier loopt zoo, lichtweg den boschgrond slaande met zijn hoeven. Zij waren als dieren schoon, het was de blik van een dier die uit de zwarte oogen kwam, half-wild, half-schuw. Zij droegen wapens: een hoogen boog, pijlen, een speer; zij hadden sieraden aan: een ring uit de wrong van een schelp geslepen om den pols, snoeren van schelpen en hondetanden om den hals; en van hun haar, dat, met roode klei doorkneed, als een breede krans hun om het voorhoofd stond, waren achter aan den schedel lange vlechten gestrengeld, bont van ingevoegde stengels en bladerreepen. Zelfs de wapens en het sieraad namen dat dierlijke niet weg; aan hen leek het een natuurlijk-gegroeid verweer als klauwen, scheurende tanden, horens, een natuurlijk gegroeid siersel als manen en prachtige kleuren van vacht. Die menschelijke dieren waren Kaja Kaja's, Papoea's, inheemsch in de van giftige moerassen walmende streek die wel "Duivelsland" is genoemd: "the Devil's own country." Hun eigenlijke naam is Marinda. Maar den eersten keer, dat zij, niet als vijanden op een stoomboot afgeroeid kwamen, schreeuwden zij uit de verte dat woord Kaya Kaya, dat "goede vrienden" beduidt: het is hun sedert onder Westerlingen voor naam gebleven.
Zij; en de Toegeri, de "messendragers," om wier invallen op Engelsch gebied te keeren Merauke gebouwd werd twaalf jaar geleden; de moordzuchtige woestelingen langs de Digoel; noordelijk de kust op, zij die langs de Golf van Maccluer wonen, menschenjagers van oudsher, en nog zoo lang geleden niet menscheneters, kinder-roovers, slavenhaalders, koppensnellers; als dieren woest en als dieren vervolgers en vervolgden tegelijk, hebben zij sedert eeuwen in dit verschrikkelijke land geleefd.
De sterke stammen op de bergen joegen de zwakkeren: de zwakkeren vluchtten, telkens opgejaagd, telkens weer verder. Zij kwamen aan de kust, tusschen de moerassen. Daar besprongen de vreemdelingen hen, de Ceramsche en Boegineesche zeeroovers. Zij kropen weg in de bosschen, langs de monding van de groote rivieren, zij kregen de vergiftige moeraskoortsen, zij hongerden bij het bittere armzalige voedsel, hun bloed verarmde, hun huid werd ziek, hun gedachte was niet anders meer dan hoe zich te verbergen, hoe zich te verweren, zij werden bang en boosaardig. Nog vinden de exploratie-detachementen die de groote rivieren opgaan, in hun nestelplaatsen troepen van zulke wezens zitten, die bouwen in het geboomte. Anderen waren gelukkiger, zij sloegen de vijanden af, of werden bondgenooten met hen. Zij hielpen hen slavenhalen, zij gingen het bosch in en schoten Paradijsvogels, die zij den vreemdelingen verkochten. Er kwamen er vele, al meer van al verder gelegen landen, na de Cerammers en de Boegies en de mannen van Ternate en Tidore, kwamen Chineezen en Arabieren. En toen kwamen er van landen nòg verder af, toen kwamen de blanken. Ook zij wilden slaven in de allereerste plaats, ook zij Paradijsvogels, reukhout, hars, schelpen, parels. Maar zij brachten iets wat nog nooit door iemand vroeger gebracht was in ruil; jenever en vuurwapenen. Toen werd het nog veel erger onder de Papoea's dan het al was. Het allerergste werd nog erger. Die eerste blanken voor wier nagelbosschen op Banda de slaven gehaald werden inplaats van het volk dat zij uitgemoord hadden op het eiland, hadden hen om hun gezicht en gedaante monsters genoemd, morsige varkens, een beestachtige natie; nu werden zij het naar het gemoed. De Kaja-Kaja's zijn hun afstammelingen, geworden wat zij worden moesten.
Er ligt een Kaja-Kaja gehucht in de buurt van Merauke, een klein uur gaans verder langs het strand. De weg er heen gaat door een klapper-aanplanting, waarvan de "copra-ruilers," hier op de Zuidkust wat op de Noordkust de "jagers" zijn, den oogst komen ophalen. Een regelmatig rooster van rechte slooten over het geheele terrein heen getrokken, zóó dat de stortvloeden van den natten moesson een snelle afwatering vinden naar de zee, ligt daar als een bewijs van wat het volk van het gehucht met zijn weinig ontwikkeld verstand bedenken en met zijn gebrekkige werktuigen--als een aangepunte stok, in steê van een spade gebruikt, een werktuig heeten mag--uitvoeren kan.