Natuur en Menschen in Indië

Chapter 27

Chapter 273,846 wordsPublic domain

Het is zwaar bewoud. Van zee uit gezien zijn de bosschen als een donkere wolk tegen wanden aan en over hoogten heen. In dat zwartige groen glanst soms een lichtere plek, dat is alang-alang, het hooge gras van de wildernis, waar een man te paard in verdwijnt. Waar het woud gekapt is, schiet het op, fijn groen eerst, dan gelig als het begint te verdorren in de Oostmoesson-zon, dan wit als zilver van bloesempluimen. De inlanders steken het in brand om de herten er uit op te jagen, die voedsel en schuilplaats tegelijk zoeken in de halmendichtheid. Dan is een poos lang de kale plek zwart; en de eerste regen maakt alles wéer fijn groen.

De steile kust heeft hier en daar zachte glooiingen; groen, komen ze van de vertragende helling afgegleden, met een blinkend witten smallen zandzoom langs het fonkelende blauw van het water. In de diepte van de baai liggen eenige huisjes, er staat een loods waar lading wacht op de boot. Het karakter van al die havendorpjes is vrijwel hetzelfde; Piroe aan de Zuidkust, het eerste dat de schepen aanloopen; op de Noordkust Wahai; om de Oost terug naar de Zuidkust, Teloeti, Amahei; het zijn alle oude Alfoerendorpjes met een splinternieuwen schijn van Nederlandschen regelmaat en zindelijkheid er over heen, die uitgaat van de civielgezaghebbers-woning op den achtergrond. De huisjes zijn nieuw, de gaba-gaba van de wanden glanst nog, en ze zijn langs de rooilijn opgezet aan weerskanten van een rechten breeden weg, met een goed onderhouden afrastering er langs.

Achter dien ringmuur van ordelijke dorpen ligt het binnenland van Ceram woest. Wat men de kust langs reizende daarvan gewaar wordt, is niet veel meer dan een enkele troep Alfoeren, halfnaakt uit hun bergen naar het strand gekomen om handel te drijven. Zij komen met boschproducten, rottan, dammar, groote knobbels wortelhout; met huiden en horens van herten, en willen Europeesch product mee terug nemen.

Het eiland wordt gezegd rijk te zijn. De Westersche ondernemer begint de exploitatie. Op de Noordkust wordt naar petroleum geboord, op de Zuidkust heeft een Moluksche vennootschap den boschaankap begonnen; een Australische firma, wie, lang geleden al, een streek land in concessie is gegeven, ook in het Zuidelijke binnenland, is een paar jaar geleden den klapperaanplant in het groot begonnen. Er groeit prachtig hout in de Ceramsche wouden, wit ebbenhout, kajoe-koening, dat citroengeel ziet en waar ook kleurstof uit wordt gemaakt, lingoa, een rood-gevlamde mahonie-soort, salamoeli, dat op notenhout lijkt, en nu het wortelhout plotseling zoo in de mode is gekomen, wordt ook van die knobbelige uitwassen voor groote waarden uit het woud gehaald. Kajoepoeti, waar de bekende sterk geurende olie uit wordt gestookt, die hoe langer hoe meer voor medicijn gebruikt wordt in Europa, groeit hier ook veel. En de klapper schijnt al even goed te willen als de sago-palm, waarvan er geheele wouden zijn. Elk dorp aan de Oostkust heeft zijn bosschen--aanplantingen kan men het haast niet noemen, want de boom maakt zooveel opslag, dat inplaats van planten eer kappen noodig zou zijn, zoodat de eigenaars zich in den regel de moeite niet geven om de jonge spruiten in te boeten; en behalve daar groeit de sago nog wild in het bosch ook. De menschen van Ambon komen met heele dorpen tegelijk over in hun prauwen om sago te "kloppen." Ze blijven een veertien daag of drie weken en hebben dan een provisie, waar ze niet alleen met vrouw en kinders van eten kunnen, een jaar lang, maar ook nog genoeg overhouden om te verkoopen op de markt.

Op het algemeen type van kustdorpen maken twee een uitzondering: Kilimoeri en Geser, op kleine eilandjes tegenover elkander gelegen aan den voet van het steile kalkgebergte der Oostkust. Die twee zijn door en door, wel niet Alfoersch maar toch Inlandsch; er is geen zweem van het Westersche element aan te bekennen. Het zijn overoude handelsplaatsen. Terwijl in het Ceramsche binnenland de Alfoeren, "de wilde berg-boeren," zooals Rumphius ze noemt, koppensnellers-tochten hielden, terwijl zij als roofvogels neerschietend uit hun horsten van dorpen op het hakkelige gebergte, den guerillakrijg tegen de Compagnie zoo verwoed en hardnekkig voerden, dat de Ambonsche gouverneurs ten laatste in arren moede het opgaven, besluitend hen te laten voor wat zij waren en "geen Compagnie's soldaten meer aan die lompe nesten te verspillen;" terwijl dus de binnenlanders vochten, verdienden de strand-Cerammers geld. Zij waren kooplui, zij moesten eenigermate geregelde toestanden hebben. De orde die de expedities van de laatste jaren gewapenderhand in Ceram moesten brengen was hier al van oudsher thuis.

Kilimoeri is de oudste van de twee rijke handelsdorpen: Geser is, naar de volksoverlevering wil, gesticht door inwoners van Kilimoeri, die in een burgerstrijd het verloren hadden. Zij leggen hun naam uit als beteekenende "de uitgewekenen."

Wat slag van volk het eigenlijk is, zou moeilijk te zeggen vallen. De heele Zuidkust van Ceram is door gemengd volk bewoond, veel Ternataners, Javanen, Chineezen, Papoea's ook, hebben zich daar in den loop der tijden gevestigd, als handelaars soms, als schippers die heen en weer voeren tusschen de eilanden en Nieuw Guinea; als slaven ook zijn zij er heen gebracht. Het was er zoo bont, vroeger, dat de dorpen elkanders taal niet verstonden, en een derde noodig hadden voor het verkeer. Op Geser is het samenstel nog meer ingewikkeld schijnt het. De plaats is al van oudsher een verzamelpunt voor de meest verscheiden rassen uit de verst uiteengelegen streken. Maar de taal, door het handelsbelang ingevoerd en staande gehouden, is het gewone Maleisch.

Geser is een "atol," het laatste uit deze groep van koralen-eilanden: volgens sommige geologen althans, terwijl anderen het ontkennen: een verschil van meening dat wel verklaard is uit een verschil in de definitie door de eenen en door de anderen van dien term "atol" gegeven. Hoe dan ook, het doet zich voor als een groen-begroeide ring rondom een middelpunt van water. Het binnenste van het eilandje is een zilt meer, dat langs een rivierachtig kanaal volvloeit uit en weer leegvloeit in de zee, naarmate de vloed opkomt of het getij verloopt in ebbe. Rond alom groeit kreupelbosch: een gewas dat lijkt op griend, en met kleine onaanzienlijke bloesempjes heel zoet geurt. Dat wademt wonderlijk door de lucht van zeewater, koraal, schelpen en wier heen die uit het meer opslaat. En wonderlijk is het, over de schelpen op den bodem van het klare water de schaduw te zien glijden van de boschduiven, als zij af- en aanvliegen naar de waringin-boomen vol rijpzoete vruchtjes aan genen kant van het kreupelbosch.

Het dorp is langs de bochten van het strand gebouwd. Men kan de kracht van het vertier zien aan de wijze waarop nieuwe buurten opkomen en oude vernieuwd worden, zoodat midden tusschen grauwe, verweerde huisjes er staan waarvan de planken nog wit zijn. Aan den zoom van de oude buurt begint een prachtig-breede laan, die uitloopt op een verschiet van zee en donkerblauwe kustbergen. Aan weerszij, in de schaduw, liggen heilige graven, waar de koopvaarders een offer komen brengen, als ze op handelsreis gaan: om zeker te zijn van goede verdienste en behouden thuiskomst. Die hier begraven liggen, zijn vrome hadji's. Zij zijn, in naam, Mohamedanen, het volk van Geser; maar dat belet hen niet op deze hadji-graven de offers te brengen van het heidendom, hun voorvaderen sirih en betel aan te bieden, in ruil voor hun hulp bij de voorgenomen zaak, en de geesten van de zee en den storm allerlei te beloven, als zij hun schip met vrede willen laten. Daarna gaan zij ook wel naar de moskee. Maar niet te dikwijls, zou men zeggen. Het kleine gebouwtje, dat bij de graven staat, is zoo vervallen, stoffig en vuil, als enkel een zelden of nooit bezocht huis wezen kan.

Het is misschien ook niet noodig, daar nòg eens te gaan bidden. De geesten en de voorouders zorgen, in ruil voor al die pinang, wezenlijk heel goed. Anders zouden de menschen van Geser, man, vrouw en nakend klein kind, niet zoo veel goud en zilver kunnen dragen als ze doen.

Van Boeroe tot Ternate

De eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden, in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate, Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet nòg de Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later dien naam kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van de Molukken naar Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon alléén door het extirpatiestelsel; in de taal van den handel en dus van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke Moluksche eilanden.

Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, vèr-blauw, met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten, in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes, wordt fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook die langs den voet van de eilandjes opschijnt. De weerspiegeling van de toppen en van de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon, door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes, ligt in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte, dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms, worden de eilandbergen al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen, tot zij, dichtbij, geweldig hoog, staan als een steil woud of als een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt alles van purper.

Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een rif, boven de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige schijven van beesten, vademen hoog boven elkander drijvend, een halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren, grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen: op de hoogte staan de magere boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun héél hoog gedragen ijle kruin, scherp geteekend tegen het luchteblauw. Als het koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De haven, waar het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter de huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas, waar hier en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin, een volwassen boom tusschen staat. Van den top af is de geheele baai te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene heuvels. De twee groote bergspitsen tegen de lucht, een hoogere, een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.

Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het eerste Molukken-eiland Batjan, dat een en al klapperbosch is. En dan begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten top; Motir, zuiver toegespitst als een pyramide. Mareh, dat lager ligt, met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken, en dan prachtigst van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.

De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen maar even te zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks prachtige boomen tegen den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk van volk. Op boot-dagen rijden de karretjes, met hun kleine ruige hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige Arabieren, en het gewoel rondom de goederenloods en over de pier duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de binnenstad stil met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn en de ouderwetsch-lage huizen orchideeën hebben hangen tusschen de pilarenrij. De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken: Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke grens staat het vroeg zeventiend'eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis Matelieff de Jonge bouwde tegen den Spanjool.

De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht die hij ten toon spreidde. "De koning," schreef hij in zijn bericht (Wallace heeft het voor zijn Malay Archipelago overgenomen uit de verzameling van Hakluyt), "de koning liet boven zijn hoofd een prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de voeten was hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer een duim breed, keurig ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten, eenigermate gelijkende op een kroon. Hij had een keten van goud met zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand was getooid met een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois, en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met een zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine diamanten prijkte. [24]

Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren Zeventien wisten wèl waarom zij in hun instructie aan J. P. Koen schreven: "de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale wit waarnaar wij schieten." Dat schieten heeft Ternate, althans zijn vorsten, ànders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan Ambon ook. Banda werd uitgemoord, omdat het volk van den handel in notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet verkoos af te laten. De Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van den nieuw-ingevoerden kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten langs de eilanden. De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder echter kreeg zoóveel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie overgaf aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, om overeen te komen met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens ook nog op andere manieren van de Compagnie. Hij was Heer van de Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea, waar een artikel gehaald werd, al even voordeelig in den handel als de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de gestadige vraag naar slaven, met wie zij op het uitgemoorde Banda de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk aanvulde, de prijs van slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch de Compagnie's hand de Sultan's hand en beide werden schoon--zoo niet in den zin van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!

Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers vernoemd zijn naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!--al is misschien de fraaiigheid van "Prins Mossel" en "Prins van der Parra" een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den weeromstuit, het volk de Hollanders al evenzeer ging bewonderen, mag de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en Batjan tot afstammelingen maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van den Nibelungenheld en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea toe, waar de Papoea's het elkander vertellen in het Noefoorsch. [25]

Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen, die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen Spanjaard en Portugees. Maar wat op dezen dag de welvaart zoo vol de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel meer: dat is het gevederte van den Paradijsvogel. De booten die naar Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol Ternatanen, die als "jagers" gaan en met een riem vol geld terugkeeren.

Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel- en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht naar wat de vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is méér dan noodig om het gewest eindelijk en ten laatste--na vierhonderd jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later--eenigermate op orde te brengen. Ternate is wel een welvarende en welgeregelde stad: maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan zij drijft, in het binnenland van Halmaheira is de toestand een àndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd hoe het alleen in naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet anders waren noch kónden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik zelfs onvoldoende. Op het groote eiland--zonder Ternate en Hiri is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden, of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij elkaar,--zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met eenige Indo's en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend. De middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder begrijpen, die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren is, en hóe absoluut en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een voorbeeld, hoe het kort geleden nog maar,--in de jaren '80--toeging op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat (op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht bevolkt.

Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm, het mooie roode lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt; er is rotan te halen uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad opgediept; en bijwijlen drijft in de omringende engten amber, dat zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort, de donkerbruine, van 3 à 4 pond, brengt omtrent f 4000 op. Van dit alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk wil zeggen: aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.

Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu, waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de eigenlijke heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten halen en betaalden wel eens met duiten en anders met katoen. Voor een vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan f O.75. Nu. De Arabieren kwamen hout, was, rijst, copra, klapperolie, schildpad en lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op f 3.

Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland en dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja's noodig. Saïd Alhadar,--dat was de Arabier die contract voor rotan had met den Sultan,--ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover de neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk, aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen hadden, geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en schoongemaakt zijn, want dat te doen is een heele arbeid, die tijd, moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en afgekapt op een maat van drie vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan 1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is f O.83 in Nederlandsche munt berekend. En zulk een pikol verkocht Saïd Alhadar voor f 4.50 of ook wel eens f 5. Wat Saïd Alhadar bijzonder goed beviel en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Saïd Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was, of het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook dién edelen van Hadramaut beviel dit goed en bekwam het wèl; maar ook der bevolking, die met hèn handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter zou iemand gewaagd hebben zich tegen de Arabieren te verzetten, die gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer, die glanst gelijk de Zon, den Sultan van Ternate?

Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op Sanana en met den Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van f 3 verdwenen zijn, en rotan-stengels van drie vaam lengte met 1 1/2 cent betaald worden en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In vele andere dingen ook is velerlei veranderd, en de veranderingen zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der bevolking daarentegen uitstekend. Wat Saïd Alhadar aangaat, die is, eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert nooit weer aan komen roeien. Van het waarom weet de toenmalige posthouder het nadere misschien wel.

Er zijn vele Saïd Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs, en eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken, wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan als het nu op Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte geld), dat men niet heeft?

Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een halve ton--precies gezegd f 45.000. Daarvoor kan heel wat binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer gehoopt. Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.

Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die het weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan--de hennen zijn maar stemmig-bruine diertjes--krijgt zijn siervederen pas op zijn vierde jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk gering, gedeelte van de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek, waar de jagers op buit uitgaan, is een nog veel geringer deel van het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.

Een standpunt van humaniteit--en dat tegenover zóó prachtige diertjes!--zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen, die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop heeft geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen, die een heel andere reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de Britsche regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar Papoesche beschermelingen--wezenlijk, niet dan uiterst ongaarne. Dus dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is bij het einde te beginnen en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden: zooals ook is geschied.