Chapter 25
De jonge man van goeden huize heeft, van de eerste jongelingsjaren af al, een niet-officieele vrouw. Als kind is zij zijn dienend speelnootje geweest; zijn slavinnetje zou zij kort geleden nog geheeten hebben. Op zijn dertiende of veertiende jaar is zij door zijn moeder hem als vrouw gegeven. Gaat hij later een huwelijk aan met een vrouw van zijn eigen stand, dan moet hij de laag-geborene verwijderen: een vrouw van adellijken stand behoeft geen bijvrouw te dulden. Zóózeer heeft het standsbegrip zelfs de Mohammedaansche zede gewijzigd, die toch voor onaantastbaar geldt. Nog meer. Ook het huwelijk tusschen gelijken in rang blijft door die gelijkheid beheerscht en van haar afhankelijk, zooals het op haar gebaseerd is. Een vermindering in aanzien van de ouders brengt vermindering in aanzien van de dochter teweeg: zij is niet langer haars mans gelijke, zij heeft niet langer haar adellijke voorrechten; hij kan, om zijn eigen rang en voorrecht te handhaven, haar verstooten. Het gebeurt herhaaldelijk, naar mij verzekerd wordt, dat een schoonzoon zich dus losmaakt van aan lager wal geraakte schoonouders, om het even wat de oorzaak van den achteruitgang zij, eigen schuld of ongeluk.
Het natuurlijk gevoel blijkt, dat spreekt vanzelf, dikwijls sterker dan al dat kunstmatige. Een man weigert zijn laag-geboren liefste te verstooten om de wille van de aanzienlijke vrouw, die zijn ouders hem bevelen te trouwen. Een jonkman en een jong meisje willen zich niet laten dwingen door de conventie, die op grond van verschil in stand hun vereeniging verbiedt, en vluchten te zamen.
Elk geval van dien aard maakt een steen los uit het oude gebouw van feodale instellingen. En het schijnt wel dat in den laatsten tijd zij al veelvuldiger worden: de rebellen weten immers dat het Westerlingenbestuur hen beschermen zal tegen de vergelding, die onder het oude regime stellig hen getroffen hebben zou. Gelieven zoeken hulp en toevlucht bij den "toewan petor" (als, met een echt-inlandsche vervorming van het oud-Portugeesche "fettor" de controleur wordt genoemd) zooals Romeo en Julia het deden bij den vromen klooster-broeder--vertegenwoordigers, de een en de ander, van een gezag boven familietwisten of stands-verschil verheven.
Maar, hoewel in aantal toenemend, blijven zulke gevallen toch uitzonderingen. De regel is: de traditie. Traditie houdt de vereering levendig voor den vorst, den onder Nederlandsch gezag "regeerende" of den uit alle macht ontzette en buiten de landpalen verbannene. Traditie houdt de voorrechten hoog van den adel. Traditie beheerscht huwelijk en gezinsleven. En er zal nog heel wat water door de Walanaë loopen, voor dat verandert.
Als veelal in streken met nog maar gebrekkig ontwikkeld verkeer, vindt men ook in het binnenland van Paré Paré en van Boni dicht bij elkander gelegen plaatsjes elk met zijn eigen bijzonderheden op zichzelf staan: wat het eene voor gewoonte heeft is in het andere uitzondering, wat het eene maakt is in het andere niet te krijg. Pampanoea en Watampone zijn maar ettelijke uren gaans van elkander verwijderd, maar elk van de twee heeft zijn eigen industrie, in het ander onbekend. In Pampanoea is het vlechtwerk van fijn slag. De vrouwen maken daar allersierlijkste mandjes--men zou ze om het fatsoen beter schaaltjes met overgestulpten deksel noemen--soms van bladerreepen, die zij eerst verven, en die zij, in hun sprekende kleuren, weten te schikken tot allerlei aardige patronen; en soms (dat is de kostbaarste soort) van de goudgele glanzende en buigzame stengels eener orchidee. Stapels van dat aardige goedje kan men op den pasar daar vinden. Vraag er naar in Watampone: "dat maken de menschen hier niet." Daarentegen maken ze heel mooi aardewerk: lampjes, komforen en koelkruiken van velerlei fatsoen en versiersel; zelfs het grofste, dat op den pasar bij hoopen opgestapeld staat, en voor een paar duiten het stuk wordt verkocht, is aardig om te zien. Onder het fijnere, waarvoor zuiverder klei wordt gebruikt, die bij het bakken een bijzonder mooie warm-roode kleur krijgt, zijn ware pronkstukjes van primitieve kunst. Men zou deze naïeve ceramiek, evenals het vlechtwerk van Pampanoea, wijder bekend en gewaardeerd wenschen, ware het niet dat dan het gevaar zou kunnen ontstaan, dat overal dreigt waar kunstwerk handelswaar wordt: dat om de wille van de winst de kunstenaar zijn waar vervormt naar den minder goeden smaak van den kooper. Aan het batik- en koperwerk van Java kan men het zien hoe noodlottig Westersche navraag wordt voor Oostersche kunstnijverheid.
De pasar van Watampone, waar wij het mooie aardewerk vonden, werd geheel beheerscht en geregeerd door een statigen, zwierig gekleeden Arabier. Hij toonde ons de markt of het zijn eigen huis en erf was, hij maakte met ons "le tour du propriétaire." Alles week voor hem op zij. Hij had, hoorden wij, de pasar-rechten gepacht. Te Singkang was het eenige huis, dat een zinken dak had en hoog daarmee uitblonk boven al die bruine atap-nokjes, ons van verre al gewezen als het huis van een Arabier. En we hadden gehoord van de feesten waarmee hij een volle maand lang het huwelijk van een zijner dochters zou vieren. Klaarblijkelijk hebben de Arabieren een goed deel herwonnen van wat zij al verloren hadden gegeven, toen zij voor de naderende troepen Boni ontruimden, nu vier jaar geleden.
Hun bondgenooten van toen, de anak-aroeng, hebben zich niet zoo goed weten te schikken naar de veranderde omstandigheden. Met den val van den Radja--hij, arme sukkel, zucht nog altijd dat hij den oorlog met "de Compagnie" niet gewild heeft, hij vroeg niet anders dan in rust en pais zijn opium te mogen schuiven en zijn vischje te vangen,--met den val van den Radja viel hun geheele staat. Het gouvernement volgt een politiek van conciliatie tegenover de vroegere machthebbers: jaargelden en decoraties aan de vorsten, benoemingen tot aanzienlijke ambten aan de anak-aroeng. Maar het getal van zulke ambten is beperkt, de oudste zoons komen als eersten in aanmerking, de jongeren moeten zichzelven zien te redden. Dat kunnen (of willen) zij maar zelden; zij zijn nu eenmaal gewend aan het zoete niets-doen en lui-lekker-leven van den kraton, gewend aan het verzorgd, gevoed en gediend worden door slaven. Als de familie hen niet onderhoudt--en families zijn nog al eens weigerachtig!--rest hun niet anders dan stelen: werken natuurlijk buiten quaestie zijnde. En nu ook die tijden al weer voorbij zijn, toen het stelen in grooten stijl mogelijk was, op zee in snelle roofschepen, of te land onder zulk een vaandel als Speelman aan Aroe Palakka vereerde, doen zij het bescheiden in het klein: als veedieven. De besturende en rechtsprekende ambtenaren hier in de streek hebben meer dan met iets anders last en werk met klachten van dorpelingen over vee-diefstal. En slag op slag zijn het jongere zoons uit anak-aroeng families, die als aanvoerders der dievenbenden ontdekt worden. Het geringe volk, zoo gedwee het in andere opzichten tegenover den adel zich houdt, verdedigt zijn rechten op het stuk van het bezit. De wetenschap, dat het een anak-aroeng is, die zijn span buffels heeft weggehaald uit het veld, of van zijn vetste koe niet meer dan de horens en de hoeven heeft achtergelaten in een boschje even buiten het dorp, weerhoudt den dorpeling niet van een klacht bij den "toean pettor."
Hij zou zeker beter kunnen doen dan klagen: hij zou kunnen voorkomen. Het ligt voor een goed deel aan hemzelven dat hij bestolen wordt. Nergens wordt zoo slecht als hier in de streek voor de veiligheid van het bezit gezorgd. Het vee wordt 's nachts niet naar het dorp teruggedreven en opgesloten in stal of kraal: het blijft buiten, in kampen, die, op zijn best, met een muur van los opeenliggende steenen omheind zijn. Op zijn hoogst tegen de wilde varkens is dat een afsluiting. Er is gepoogd het volk tot doelmatiger verzorging van zijn eigendom te brengen; vergeefsche moeite. Naar hun voorgeven is er geen plaats op de erven voor een stal, geen plaats in het dorp voor een kraal, geen tijd om beter afsluiting te maken, geen mogelijkheid om op gezamenlijke kosten een waker aan te stellen. Inplaats van overreding is bevel geprobeerd: het hielp zoolang als de bevelende op de plaats bleef, maar geen dag langer. Verdween hij, dan verdween de dwang, en verheugd keerde alles terug tot de zoete vrijheid om zorgeloos te zijn. Het is misschien een van de vele slechte gevolgen van het Oostersch-feodale stelsel, nog zoo kort geleden hier het heerschende, dat dit volk niet tot gemeenschappelijk overleg en samenwerking te krijgen is, overal scheidingen van rang en stand gevoelende. In dat geval kan het nieuwe regime verbetering brengen, ook hierin. Hoe spoedig al, of over hoe lang eerst, dat zal, onder andere, afhangen van het tempo waarin de middelen van verkeer zich ontwikkelen. In het binnenland is daarvan nog maar het allereerste begin aanwezig.
Watampone met zijn overkoepelde sultansgraven, zijn rijkssieradiën en feodale tradities, met zijn krachtig opkomend nieuw leven ook, dat onzeker nog naar nieuwe ruimte zoekt, is maar een uur rijdens ver van Badjoa, het havendorpje aan de Golf. De reiziger doet evenwel wijs als hij veel meer dan dien theoretisch-noodigen tijd er voor neemt om naar de boot te komen. Bij laag-water moet hij een halven kilometer ver over slib geschoven, aan gene zijde van dat breede slijkstrand eerst kan hij uit de smalle prauw, die een dozijn inlanders voortduwen, overstappen in de zeilboot, die hem de volle zee inbrengt, en langszij den Paketvaart-stoomer. Ons ging het zoo. Omdat de telefoon-verbinding tusschen Paloppo en Watampone verstoord was (en werkelijk toch nergens draad gestolen!), zoodat wij niet te weten konden komen hoe laat de boot de vorige haven op haar koers verlaten had en wanneer zij dus te Badjoa kon zijn, waren we daarenboven nòg een uur vroeger dan wegens de ebbe noodig geweest zou zijn op weg gegaan. Het dorpshoofd, dat ons te Badjoa opwachtte, een dikke jonge kerel, bijzonder kruiïg gekleed in een zwart jasje met blinkende knoopen en een rozerood-en-wit geruiten sarong, sierlijk opgewipt over zijn ter zijde uitstekenden kris, ried voor alle zekerheid den tocht over het slijk maar dadelijk te beginnen, en op zee het oogenblik af te wachten waarop de rookpluim der stoomboot aan den horizont opging. Aan den voet van den steiger lag de vlerkprauw al te wachten, en de twintig heerendienstplichtigen waren ter plaatse, die haar over het slibstrand zouden trekken: zij ging namelijk om de mail voor het binnenland van boord te halen. Als op de Walanaë zouden ook op het slijkstrand wij weer passagiers met de post zijn.
De twintig mannen grepen de vlerken aan, waarmee de uitgeholde boomstam straks op het water zijn evenwicht zou houden. Zij schoven en trokken, met hooge stemmen elkander toeroepend, terwijl zij tot halverwege de knieën voortplonsden door het groenachtig grijze zeeslib. Rondom, hier, daar, ginder, waren menschen en vogels aan het krabben-zoeken. Geheele scharen meeuwen trippelden over het slijk, reigers stonden op lange pooten, naakte kinderen liepen er tusschen door, die hun hand in blootgekomen gaten staken en er een spartelende klauwende krab uit te voorschijn trokken. Wij zagen de verschrikte beesten wegvluchten voor het schuddende naderen der prauw, dwars wegscharrelend uit den verontrusten schuilhoek.
Een goed half uur lang duurde de zonderlinge tocht. Toen spoelden de eerste golven tegen de prauw. Eenige van de koelies liepen het water in, spoelden slijk en zweet af en sprongen druipend nat in het vaartuigje, dat zij met korte riemslagen roeiden naar de wachtende zeilprauw. Die had al veel volk aan boord, kooplui met balen, zakken en kisten en visschers met hun versche vangst. Door een opening in de bamboehorde, die het dek vormde, kwam af en toe een jongen te zien, met gebogen rug bewegend in het donker en het zwalpende nat daar beneden. Alles wachtte op de boot. De sergeant, die de post ging halen, ontdekte als eerste haar blauwe rookwolk aan de kim. Een half uur later voeren wij op de "Spilbergen." En de deinzende kust van Boni begon te verflauwen, werd onduidelijk tusschen lucht en zee, en verdween uit zicht.
MOLUKKENREIS
Ambon
Uit verten van Noord en van Zuid komen flauwe bergen aangedreven, waas-blauw eerst, dan azuur, dan in gloor en schaduw van modelleering heerlijk groen. En de wijde baai, groot golvend, vereffent tusschen haar naderende oevers tot zij stil wordt als een geleidelijk uitvloeiend meer. Klaar tot in diepe verten van blauw toe glanst zij langs den zoom van de welig begroeide heuvels. Daar tegenaan, met een rij witte huizen langs het water en op een landspits, donker van geboomte, een grijzig fort, ligt Ambon. Aan den ingang haast van de havenstraat laten de groote schepen, heengevaren door een ontelbare vloot van prauwen en bruinzeilde visschersvaartuigjes, het anker vallen.
Een smalle pier, op gering verkeer maar berekend, langs een aan weerskanten bespoelden weg verlengd, die onder een poort doorgaat en tusschen pakhuizen heen, loopt naar de stad.
Hier, langs en bij de haven is haar drukste buurt--een paar lange straten, parallel, recht toe recht aan met dwarsstraatjes er tusschen, waarlangs winkels zijn en werkplaatsen, een enkel kantoor. Hier is ook de markt, drie lange donkere loodsen, waar, van de diepte uit, de glans doorheen schijnt van de baai en de donkerblauwe bergen van Leitimor. Dichtbij komen de visschers aan, en trekken hun prauwtjes op het strand. In de vroege morgen-uren vooral is het hier bont van menschen.
Het is het volk op straat aan te zien hoe sterk gemengd zijn afkomst is. De meesten hebben glanzig krulhaar, groote rechtstaande oogen, een krachtig bruine tint, waaraan vermenging met de Papoea's te merken is, die vroeger, als slaven, bij menigten op het eiland leefden. Maar Javaansche en Chineesche kenmerken zijn ook bij de vleet te vinden, in gelige tint, in hooge jukbeenderen, in een wat schralen lichaamsbouw; en in het geheel niet zeldzaam het Arabische profiel, of trekken die zweemen naar het Westersche type, naar het gebogen Latijnsche of naar het rechtlijnige Germaansche. Zoowel mannen als vrouwen hebben een vrijen gang en blik, hun gezicht staat levendig, zij spreken met een heldere stem, waarin een klank te hooren is van zingen. Wat aan hun kleeding opvalt is het vele zwart.
Oorspronkelijk moet dit zwart volkseigen geweest zijn: evenals het donkere blauw van de Bataks misschien wel het behulp van menschen, die niet veel tijd willen besteden aan het wasschen van hun kleeren. Maar het is gaandeweg--en hoe dan ook--het teeken geworden, waaraan een bijzondere klasse zich liet kennen als in naam door godsdienst, inderdaad door bepaalde voorrechten verscheiden van het overblijvende deel der bevolking. Het zwart is nu de dracht van de Christenen, die, sedert de dagen van de Oost-Indische Compagnie, de bevoorrechten geweest zijn onder de inboorlingen en het nog zijn op dezen huidigen dag. In de stad Ambon--anders dan in de over het eiland verspreide dorpjes, de "negorijen"--zijn zij allen of bijna allen "burgers." Hun geschiedenis begint met de zeventiende eeuw. De eerste Hollandsche bestuurders van Ambon hadden dit denkbeeld: van het eiland een Hollandsche volksplanting te maken. Rumphius geeft hun gedachtengang weer, als hij de overwegingen beschrijft, waarmee Cornelis Matelieff toezag, "hoe licht de Ambonees in 't bosch zijn brood uit boom kapte, zijn wijn ook daaruit tapte, in de riviertjes een garnaaltje of vischje wist te vangen, dat hij met moeskruiden, die daar in 't wild wiesen, in een pot van groene bamboe toegemaakt, met een gauwigheid wist te koken, en dat over een vuur, dat hij al mede voor de vuist door 't wrijven van eenige houtjes tegen malkander wist te maken, en diergelijke mooie dingen meer, die beter voor een Hollanders oog dan voor zijn maag zijn." De bedenking aan 't slot is Rumphius' kritiek. Matelieff en zijn geestverwanten dachten zoo niet. Zij geloofden aan enkel heil voor Hollanders op Ambon, dat Land van Kokanje, die Rijstebrij-berg--of Sago-berg dan, want dat "uit boom in bosch gekapte brood" was de sago--en zij gingen aan den slag om er Hollanders heemsch te maken, en tegelijkertijd Ambonneezen Hollandsch. Zóó moest het lukken!
De Hollanders hadden maar al te vaak tot nog toe een losbandig leven geleid, waarbij zij "niet anders als verachte slavinnen" tot gezelschap hadden: Matelieff ijverde voor het huwelijk met "een dochter des lands" en voor een behoorlijke opvoeding der kinderen, met catechisatie en onderwijs in lezen, schrijven, rekenen "en het zingen der psalmen." De Inlandsche kinders moesten ook ter school. In het binnenland wilden de ouders daar niet graag aan, zij hielden de kleinen liever thuis als hun helpers bij het werk op den akker. De beroemdste van Matelieff's opvolgers haalde hen over met "schoolvoeding"--een pond rijst per dag voor ieder kind dat kwam.
Wie der Compagnie echter goede diensten bewezen had, kreeg daarvoor een loon, dat hem geheel en al tot haar verknochten dienaar zou maken, tot een bijna-Hollander. Dat loon was het "burgerschap," dat hem onthief van de verplichte lasten, waaronder de Ambonnees zoo ongelukkig gebukt ging: o. a. het telen van kruidnagels voor de Compagnie en het roeien, weken lang, van de zware corra-corra's, waarin de Compagnies-dienaren uittrokken op den hongi-tocht, om de kruidnagel-bosschen in andere streken dan de door hen bepaalde, te vernielen. Als "burger" hield de Ambonnees op een "negorijman" te zijn: hij was een bondgenoot van de Compagnie, een Hollander op zijn Ambonsch. Hij was uit de klasse der overheerschten gehaald en gezet op een plaats tusschen haar en de heerschers in, en wel zoo dicht bij de heerschers, dat hij zich verbeelden kon een van de hunnen te wezen.
Hoe meer hij op hen geleek, hoe eerder hij aan die vereenzelviging gelooven kon. Om burger te worden behoefde hij wel geen christen te wezen. Maar als christen-burger was hij toch veel nader aan de begeerde gelijkheid dan als Mohammedaansch burger. Er kwamen véle christen-burgers. Van hen, en van degenen die later de klasse vermeerderden,--op het scheiden van de markt maakte o. a. het Engelsche tusschenbestuur "burgers" bij dozijnen tegelijk,--stammen de hedendaagsche burgers af, de menschen in het zwart, die men 's ochtends op den pasar tegenkomt. Zij zijn uitermate trotsch op hun stand. Elke christen in Ambon acht zich méér dan elke Mohammedaan: elk "burger" acht zich véel meer dan elke "negorijman." Maar iemand die christen en burger beide is--tusschen dien en welken anderen inlander ook, ligt een afstand onoverzienbaar: want hij is een zoo-goed-als-Hollander. Tusschen hem en zijn vurig bewonderd Westersch voorbeeld is maar éen rang: die van den Indo, den afstammeling van den met "een dochter des lands" getrouwden kolonist naar het hart van Matelieff en de zijnen. Het onderscheid is heden ten dage nog maar in éen ding te vinden: in den Hollandschen familienaam van den Indo. Dat is zoowat alles wat er van Matelieff's toch zoo goed bedoelde plannen terecht is gekomen. De Indische natuur is sterk: zijn Hollandsche leer kon nog niet weten, hoezéer.
Het systeem van de O.-I. Compagnie, het is wèl bekend, heeft Ambon arm gemaakt. Door sommigen--Riedel bijvoorbeeld--is zelfs gezegd, dat het aan het eiland niet alleen zijn natuurlijke rijkdommen, maar twee derden van zijn bewoners ontnomen heeft. De schade was ook met den besten wil niet te herstellen, toen de Staat die taak beproefde. "Onbegrijpelijk ellendig en diep ongelukkig" vond immers van der Capellen de Molukken. Het was of den Inlanders de kracht ontbrak zelfs om de toegestoken hand te grijpen en zich te laten optrekken uit den armoe-kuil. Er is sedert veel gedaan, veel hersteld, ellende als in de jaren 1820 is er niet meer. Maar niettemin: op het rijke eiland is het volk arm.
Dat het niet lijdt onder die armoe--lijden wat een Westerling lijden noemt althans--dat het daarbij vroolijk is zelfs, en kan lachen, zingen en dansen zooals het--zoo allerliefst!--doet, komt omdat het toch zijn dak en zijn dagelijksch genoeg aan eten en aan drinken heeft. Van den sago-boom, die wild in het bosch groeit, krijgt het de bouwstof voor zijn huis en de bouwstof voor zijn lichaam. De geweldige bladstelen zijn zijn planken, de gevouwen bladeren zijn dak, het merg van den stam is zijn brood. Er is niet zooveel sago meer op Amboina als vroeger; waaraan misschien de zorgeloosheid van den Ambonner schuld is--Rumphius, die hulpvaardig zich met hen bemoeide, klaagt daarover--en zeker het systeem van de Compagnie, die den grond van het eiland en de krachten van het volk in beslag nam voor de kruidnagelteelt. Maar véél is er toch nog, en wat er tekort komt, dat wordt ruimschoots aangevuld door de aanplantingen en de dorpsbosschen van Ceram, waar de Ambonneezen het gaan halen. Een stam kost daar gemiddeld f 2.50.
De sagopalm groeit vanzelf: weliger wel bij goede verzorging, die hem lucht en ruimte geeft, en knagende insecten van hem afhoudt, maar toch ook zonder dat, en rondom den stam komt meer jonge opslag dan voedsel en plaats voor opgroeien kan vinden. Hij groeit tot zijn tijd van bloeien is gekomen. Als de geweldige bloemtros, die uit zijn hart opschiet, zaad gaat zetten, begint hij te verwelken en is na eenige maanden dood. Voor dien tijd is het merg volkomen gerijpt. De inlander, die, tegen den stam tikkend, aan het geluid heeft gehoord dat dit zoo is, kapt den boom om, hakt er de bladeren af en neemt een lang stuk schors weg, zoodat het merg ontbloot wordt. Dat gaat hij er nu uithalen. Hij heeft dan een stuk bamboe, met een kantig steentje in het ondereind geklemd, of enkel maar toegespitst. Daarmee, als met een hamer en beitel tegelijk, klopt hij het merg los van tusschen de houtige vezels die er doorheenloopen. Aan het ondereind van den stam, dien hij glooiend heeft gestut, is een grove lap gebonden, een stuk weefsel van den boom zelf afgehaald, bij wijze van zeef. Daartegenaan spoelt hij met gudsen water, langs den trog van den uitgeholden stam gezonden, het losgeklopte merg. Vezels en splinters blijven vóór de primitieve zeef, het meeldragende water loopt er door, komt terecht in een zinkbak, van de groote bladscheede van den boom gemaakt, en bezinkt. Als het meel gedroogd is, kan het, zóó in een aarden oventje gestrooid, dat in vierkante hokken is verdeeld, tot broodjes gevormd en gebakken worden: die blijven maandenlang goed. Uit een goed uitgegroeiden boom--een van dertig voet lang en een voet of vijf in omtrek--is tusschen negenhonderd en duizend pond sago te halen. Dat kan een man in een dag of vier vijf doen. En in evenveel tijd kan een vrouw er broodjes van bakken van een half pond elk: ze heeft niet anders te doen dan haar aarden oventje te vullen met meel en het heet te laten worden boven een houtskool-vuur. In enkele minuten is alles klaar. Nu worden voor een goed dagrantsoen vijf sago-broodjes gerekend. Dus met de achttienhonderd uit zulk een stam is onze vriend een jaar lang voorzien.