Natuur en Menschen in Indië

Chapter 22

Chapter 223,788 wordsPublic domain

De groote aardplooi, die, van Malakka tot Amerika over den Maleischen archipel en Japan loopend, de oppervlakte van het land tot gebergten vervormt, houdt in het andesiet-gesteente, waaruit hij op Sumatra bestaat, groote hoeveelheden goud- en zilvererts vast. Dat hebben van oudsher de inboorlingen geweten, en van hen leerden het immigranten en veroveraars. De goudmijnen, die nu Redjang Lebong, Lebong Soelit, Simau heeten, zijn voor eeuwen al, door Maleiers eerst, toen door Hindoes geëxploiteerd: Salida, zuidelijk van Painan, bij Padang, is een oude mijn van de O. I. Compagnie, die bij haar komst de Inlandsche gouddelvers daar reeds aan den arbeid vond. De methoden van exploitatie waren natuurlijk primitief, en het gewonnen goud en zilver, waarvan het grootste deel gevonden werd in het zand van de bergstroompjes, maar een uiterst gering gedeelte van de hoeveelheden, in de scheuren en barsten van het vaste gesteente beklemd. De werkwijzen van den nieuwen tijd pas, toepassing van wat sedert het eind der achttiende eeuw de nieuwe wetenschap omtrent den bouw der aarde had ontdekt, konden in hun schuilplaats de kostbare ertsen vinden en bemachtigen. De oude mijnen, veelal sedert lang al weer verlaten, werden met dynamiet, met kracht van water, stoom, electriciteit, opengebroken en doorboord, in de richtingen die de speurende geologen hadden aangewezen. En in het hart van de wildernis, waar zelfs nog geen inboorlingen ooit zich hadden gewaagd, werden er nieuwe ontdekt. Anderhalve dagreis ver van de theeplantage in het oerwoud ligt een van de rijkste dier nieuw-ontdekte goudmijnen; een Duitsch geoloog vond haar in 1909.

Er was al lang naar gezocht, door hem en door anderen. Zij allen gingen af op twee stukjes gouderts die een Inlander had gevonden: want de oude traditie van het goud-zoeken is nog levend onder het volk, en jagers en woudloopers hebben er verwonderlijk goed slag van het erts op te sporen. Een Engelsch geoloog ging de wildernis in, bracht eenige maanden met zoeken door en kwam tot de slotsom, dat de brokjes toevalligerwijs op de vindplaats gekomen moesten zijn en dat er geen goud-ader liep door het gesteente van die streek. Hij was een deskundige, die naam had gemaakt door nasporingen in Australië: de maatschappij die hem uitgezonden had hield zich aan zijn verklaring. Niet de Duitsche geoloog. En nu bleek weer, wat zoo dikwijls al gebleken is bij een vergelijk van Duitsche en Engelsche methodes, resultaten van Duitsch en Engelsch onderwijs: de Duitsche, die wetenschappelijk is bereikte het doel, waar de Engelsche, die empirisch is had gefaald. De Duitscher hield zich aan zijn gedachte, die verder zag dan zijn oogen konden zien. Hij bleef aan het zoeken; maanden niet, maar jaren hield hij vol. En ten laatste vond hij. Een bekend geoloog, hoogleeraar aan een Duitsche universiteit, won in Duitschland belangstelling en vertrouwen voor de zaak. Een maatschappij werd gevormd, grootendeels met Duitsch, maar ook wel met Hollandsch kapitaal. In Juli 1909 kwam een Duitsch mijn-ingenieur met een geheelen staf van geschoolde krachten. En in Mei 1910 reed de eerste buffelkar door het woud en over de bergen langs een effen weg tot aan de plek toe waar het huis van den ingenieur werd gebouwd. Een heirleger arbeiders was aan het werk op de onderneming, om langs de steile hellingen, op de spitse toppen plaats te maken voor wegen en voor woningen. En terwijl de eerste houten huisjes in elkaar getimmerd werden, vorderden de ingenieurs met den arbeid aan de mijn. De eene was bezig met den bouw van dammen, kanalen, bassins, om het water van de rivier en de vele bronnetjes en beken der berghellingen te sturen naar de plek waar zijn druk of zijn snelheid zou omgezet worden in arbeid. Een tweede bracht de electrische installatie tot stand, die overal nacht en donkerheden met witte helderheid zou doorstralen, het gesproken woord langs metalen draden dragen over ravijnen en bergtoppen, en de lucht vangen en samenpersen tot de drijvende kracht, die vèr in het binnenste van den berg de groote boor duwen zou door het gesteente. Een derde brak met dynamiet gangen open in de helling, met balken en stutten geschoord tegen den druk van den berg en met een ijzeren weg bevloerd voor den rit van de zware wagens, die het erts zouden vervoeren. En in het kleine laboratorium op den heuveltop, primitief ingericht, wat de geriefelijkheid van den werker, maar in alles volkomen wat den eisch van het werk betreft, was een vierde bezig met het onderzoek van het erts, dat, verbrijzeld en boven felwitte vlammen gesmolten, het goud en zilver losliet uit hun verbinding met waardelooze stoffen. Het bleek rijk. Het geel-blinkende spitsje aan den kegel, die uit den puntig-toeloopenden smeltkroes te voorschijn kwam, toonde een aanzienlijker hoeveelheid edel metaal in het erts dan indertijd voldoende was om het vreemde kapitaal te lokken naar de mijnen van Transvaal. De zes jaren zoekens van den Duitschen geoloog waren verantwoord.

Op dit oogenblik is de onderneming, hoewel nog niet in alle onderdeden voltooid, krachtig in werking. Inplaats van die eerste buffelkarren is het nu een geweldige vracht-automobiel, die, langs den nieuw aangelegden weg, met dozijnen bruggen, kloven en rivier-ravijnen overspannend, en in geleidelijke stijging heenslingerend over de steilten, de groote kisten met machinerieën aanvoert van het naastbijgelegen spoorwegstation. Een zaag, door waterkracht gedreven, verdeelt de zware stammen, die de buffelspannen in kettingen komen aansleepen uit het oerwoud, in planken tot op een millimeter precies gelijk in dikte. Het erts, dat al bij hoopen geborgen ligt in bewaarplaatsen terzijde van altijd weer nieuw gemaakte gangen, uitgebroken in den berg, zal niet in Europa maar op de onderneming zelf verwerkt worden: en daarvoor wordt nu tegen een hooge helling aan het groote gebouw van rotsblokken ineengevoegd, waar de hamerende, verbrijzelende en fijn-schiftende machines komen te staan. In de reusachtige kisten, waar namen van Duitsche fabrieken op staan, liggen die al te wachten. En bouwmeesters en opzichters drijven aan tot haast, want bij den dag groeien de hoopen erts. En telkens worden nieuwe lagen gevonden. Het gunstige toeval deed er mij getuige van zijn hoe een nieuwe ader ontbloot werd, een bijzonder rijke. Wij hadden een geruimen tijd al geloopen door de mijn, ieder met zijn mijnlampje in de hand. Op den zwarten grond glinsterden rails, donkere waterplassen, hoopen steengruis, een stuk gereedschap hier en ginder. Wij bukten onder balken door, langs een pijpleiding of een electrischen draad. Uit zijgangen kwam een waarschuwend sein, en, met al luider wordend geratel, een reeks ertskarren; de donkere gezichten van de koelies, hurkend tusschen de brokken, glansden voorbijrijdend op in het lantaarnschijnsel. En terwijl dat voortgleed langs den mijnwand, maakte het al de teere, fijne kleuren wakker, die daar zoo lang in donker van grond geslapen hadden: zuiver wit, zacht grijs, paars en een bloemig-helder en vroolijk licht-rood. De erts-aderen liepen zwartig daar doorheen, met plotselinge scherpe flikkeringen. Opeens bleef onze gids staan. Wij hoorden uitroepen, zagen verraste gezichten, een blanke hand tastte in de opening, waarvan juist een bruine hand de boor wegtrok. In het Hollandsch en in het Duitsch door elkander klonk de tijding ons tegen van de rijke vondst.

De inlander, die de groote boor hanteerde, keek als al de anderen naar het schitterende brok erts in de hand van den hoofd-ingenieur. Wat er op dat oogenblik door zijn hoofd ging?

Misschien niets dan een vluchtige verbazing. "Wah! zooveel goud en zilver in den grond!" En een oogenblik later zet hij de boor weer tegen den mijnwand, en voelt de sterke schudding van samengeperste lucht tegen draaiend staal en van staal tegen gesteente, en denkt, àls hij al aan iets denkt, aan het eind van zijn werkdag, aan de uitbetaling van het loon op "Hari Besar" en aan het dobbelspel, heimelijk 's nachts bij den rondreizenden croupier, wiens komst op de onderneming de koelies elkander toegefluisterd hebben.

Maar misschien denkt hij toch ook aan iets anders. Misschien denkt hij er over, welk een onderscheid het maakt, of een mensch oude gewoonte en de getuigenis van zijn zinnen volgt, of dat hij te rade gaat met het onderzoekende verstand: die Westerlingen met hun vele boeken en hun machines vinden immers schatten, waar hij en zijns gelijken nooit meer vonden dan kleinigheden! En misschien wordt er dan iets in hem wakker als het begin van een begeerte naar weten.

Het is maar een misschien. Maar wie gezien heeft, hoe zulk een koelie, vroeger daglooner misschien op een gebrekkig bebouwden Javaanschen bergakker, of visscher in een prauw, die aan een schrapenden hadji hoort, of woudlooper, in de moerasbosschen van Borneo djeloetoeng zoekend,--hoe zulk een stomp voortvegeteerend mensch na enkele weken op een onderneming al weet om te gaan met gecompliceerde machines, die gelooft dat het "misschien" een goede kans heeft op den duur een "waarschijnlijk" te worden.

CELEBES

Makassar

Van Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens; de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in de herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche wijk; de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram stoomt, aan de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver, door het uitspoelende grauw, goor en bruin der rivier, maar aan gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en neergaat, doch nergens wijkt, plotseling fonkelend blauw; en her en der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen spiegelt, en de schaduw en schittering der rookpluimen, een vloot van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar weg zoekt naar de boot der Paketvaart. Schemering daarna en nacht, een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang, de naderende kust van Celebes, waar, als een wacht en voorpost, een klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken, en een dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen geboomte met spitse donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree, blinkende met hun vierkante schuins gestelde zeilen, die wachten op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen op. Verscheiden liggen er al gemeerd aan de kade, een Engelsche stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines bonzen en ratelen, van zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar de volgehoopte kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende open aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en overal te klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij verteld. Kooplieden en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.

Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links af: en recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle, diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis, gedrongen staat langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten den fellen glans van de zee en het rechtlijnig gewar van masten en takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een donkere ruimte, waar balen en kisten opgehoopt staan, een winkel, waar de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer met spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat met een kleintje op den arm.

De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats. Ook hier loopen huizen en erven tot vlak aan zee. 's Morgens in de vroegte kan men de naakte kinders zóo uit de huisdeur, half in slaap nog, het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes. En telkens, tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken zeil scheert voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de reppende riemen der roeiers een wonderlijk waterdier lijkt, driftig op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel minder druk dan de Chineesche; maar bedrijvig toch ook, en verrassend door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen en dingen ligt. Zij gaat van lieverlede langs een breede straat, aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt waar de Hollanders wonen: zoodat aan de ééne zijde nette inlandsche huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de andere kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.

De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk in zijn eigen tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde pleinen geven iets ruims en luchtigs aan den aanleg. Het eene gaat tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van de reede tusschen de stammen van de oude tamarinde- en kanariboomen, die breed hun schaduwen spreiden. Aan de westelijke zijde van dit plein ligt het fort.

Het is de oude sterkte van de zeventiend' eeuwsche kolonisten, die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur staat ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche stad midden in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In den hoogen breeden muur is een poort, die niet recht doorgaat, maar zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter te kunnen verdedigen, was dat. En die poort door komt men als in een afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: één groot en aanzienlijk, op zichzelf alleen; het huis van den commandant nu, het huis van den "koopman" vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar boven, gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant, de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft, zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen, kasten ziet, en militairen inplaats van koster en kerkgangers.

Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw, gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen, en, naar de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen de wallen en de stad.

Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indië althans, al te zeldzaam is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling met die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend, dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het over een jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te schooner zijn, het eene door het andere.

Door Paré Paré en Boni. De Meeren

Van Makassar naar Paré Paré, de opkomende haven, die de hoofdplaats is van het gewest Paré Paré, gaat de weg der schepen door den Spermunde Archipel. Mooiers is niet te bedenken dan deze vaart. Terwijl het schip zijn lange, gladde, schuins wegglanzende vorens trekt over de klare zee, waar de weerspiegeling van de hooge stapelwolken langs de kim blank door blauw brekend op en neer wiegelt, zwemt het door een geheelen zwerm heuvelige tot van den zoom van de zee toe groen overlooverde eiland-dorpen heen. Half op het strand, half in het water, staan op hooge palen de bruine visschershuisjes in een rij. Benden naakte kinderen spelen er om heen. De vloot van prauwen, smal en lang, op vlerken van breed-uitgebouwde bamboestammen evenwichtig schommelend, ligt her en der verstrooid, wachtend op den wind. Telkens verandert het zeelandschap, telkens andere eilandjes duiken op uit het flonkerige, van blank, groen, bruin en violet doorblonken en doorschaduwd blauw. Enkele staan alleen, als heuveltoppen; andere liggen dicht te zamen, donkergroene eilandjes, lichtgroene ondiepten, zandbanken, die wit, fijn grijs en goudig geel opschijnen door al dunner overgloring van water, dat popelt van verschietende kleuren. Dan weer wijken de eilandjes. En achter een breedte van diepere zee, die haar eigen donker azuur weer toont, rijzen hoog en ver, wazig blauw, de bergen van het Oostelijke vasteland. Hier in het opene varen de groote Makassaarsche handelsprauwen, hoog van boeg als een zeventiend' eeuwsch galjoen, met volle zeilen voor den wakkerenden wind. Het scheepsvolk, Boegineezen met stoute gezichten, zonen van zeevaarders, die meteen zeeroovers waren op de wijde wateren tusschen Malakka en Nieuw-Guinea, zien onverschillig langs de groote stoomboot heen die hun vaartuig dicht voorbijstreeft.

De vaart duurt ongeveer een halven dag. Om acht uur de haven van Makassar uitgestoomd, gingen wij om drie ten anker voor Paré Paré.

De baai is bekoorlijk mooi. Tusschen den vasten wal, een ver vooruitspringende kaap, en een rij eilandjes, in langen zwaai zich strekkend, ingesloten, ligt zij, zoo vreedzaam als een groot meer, het strand, de huizen en de groene heuvels daarachter te spiegelen. Het plaatsje is in de lengte gebouwd, de lijn van het strand volgend, met een buurt inlandsche visschershuisjes, een Chineesche winkelstraat, een groep officierswoningen. Het assistent-residentshuis is pas voltooid, zoo nieuw nog, dat struiken of gras den tijd nog niet gehad hebben, het ruime erf rondom groen te maken. De weg die van den steiger er heen leidt is ook nieuw, ruig van nog ongebroken stukken koraalsteen. De handelsbeweging te Paré Paré is in den allerlaatsten tijd plotseling en sterk toegenomen, en een krachtige verdere ontwikkeling wordt in de naaste toekomst gehoopt. De zorgvuldig onderhouden zindelijkheid en ordelijkheid van het plaatsje en de nieuwe aanbouw van woningen en wegen geven een met die verwachtingen overeenstemmenden indruk van nieuw ontwakend leven.

Den tocht het binnenland in naar de groote meren van Sidenreng en Tempe begonnen wij den volgenden ochtend voor zonsopgang. Het landschap bleef liefelijk zoolang de baai in zicht bleef met haar wisselende verschieten, die wijder werden naarmate de weg al steiler klom. Toen verdween die glans en die wijdheid en aan weerszij schoof bruinachtig, even golvend veld aan, waar hier en ginder een mager boomgroepje op stond. Een paar weken geleden had het er hier zeker anders en fleuriger uitgezien; toen was alles goud van de rijpe rijst. Maar nu de kleur er af was, lag het land armelijk in de eentonige onbeduidendheid van zijn formatie ten toon: uren achtereen hetzelfde, zonder teekening of verschiet. Met dat al is de grond uitnemend vruchtbaar. Zelfs zooals ze nu zijn, gebrekkig gebouwd en geheel afhankelijk van den regen, die soms weken lang weggehouden wordt door een heeten drogen bergwind, brengen de velden een rijken rijstoogst op. En die kan verdubbeld, wanneer een goede irrigatie tot stand komt. In het Noorden van het groote eiland, aan de Tomini-bocht, is daarmee al een goed begin gemaakt; het gouvernement heeft daar als zijn helpers en als onderwijzers van het landbouwende volk Baliërs, die, om misdrijven tegen den adat uit hun land gebannen, in een kolonie op de Oostkust van Celebes leven, en hun vaderlandsche tradities overbrengen op den vreemden bodem. Naarmate de invloedskring van het goede voorbeeld verder zich uitbreidt, loopt over grootere breedten van rijstveld het leven-brengende water. Wie weet hoe spoedig al Celebes even groen, frisch en vruchtbaar is als Bali.

Voorloopig blijkt de bemoeienis van het bestuur uit den goeden staat van de wegen, en uit de volkomen veiligheid. Het is moeilijk voor wie hier vreedzaam langs den effen weg rijdt, zich voor te stellen, hoe kort geleden alles nog wildernis was en strijd. Dat de Celebes-expeditie, overigens, zoo snel afliep, schijnt wel grootendeels een gevolg van den slechten toestand, waarin het geringe volk verkeerde onder den druk van eene overheersching, in naam door zijn eigen vorsten en adel, in werkelijkheid door de Arabische geldschieters, die vorsten en adel in hun macht hadden, uitgeoefend. Kleine boeren, kleine kooplui, visschers, zeevolk, woudloopers konden het onder "de Compagnie" onmogelijk slechter en al heel licht beter krijgen dan zij het hadden onder hun eigen radja's. Dat zij niet teleurgesteld zijn geworden, merkt men aan de wijze waarop zij, in het binnenland, reizende Hollanders bejegenen--zonder een zweem van angst of onderdanigheid, maar voorkomend en zelfs gastvrij.

De menschen, die wij langs den weg zagen, waren haast allen marktgangers, dragend hun waar. Van het binnenland naar de kust gaande, mannen en vrouwen die in manden van nog groen palmblad houtskool droegen, palm-suiker, gedroogde visch uit de meren, en visch-broedsel dat in de poelen en vijvertjes van de dorpen wordt uitgeplant. In de reusachtige kalebassen, die hier voor kruik en vat gebruikt worden, hadden zij palmwijn; en op den rug van geduldige lastpaardjes ("pateke" heeten ze), zakken rijst van hun velden en zakken zand en kalk uit hun groeven; het was goed te zien dat er gebouwd wordt op Celebes. De mannen die van de kust kwamen, droegen meest zout het binnenland in. De behoefte daaraan is nijpend. Gebrek aan zout is de oorzaak, zeggen deskundigen, van de huidziekte, die met haar wittige schilfers dit anders kloeke en welgebouwde volk mismaakt. Tot aan kleine kinderen toe is die akelige vaalheid te zien. Zij schijnen er overigens niet veel door te lijden. Het innerlijk-gezonde van het volksgestel komt uit in krachtigen gang en rechte houding, en zijn vroolijkheid in de felle kleuren van zijn kleedij, die paars tegen vuurrood, groen tegen geel, blauw tegen oranje blinkt in de zon.

Twee derden ongeveer van den weg heeft de reiziger achter zich, als hij het hoogste punt van den onmerkbaar stijgenden weg bereikt, en plotseling, verrassend schoon en stout, een wijd berglandschap ziet liggen. Een paar kilometer verder verandert al weer het aanzien van het land. Hier is toch een vlakte, waaruit, allerzonderlingst, enkele kegelvormige heuvels opsteken. Men krijgt den indruk of dat de toppen moeten zijn van een gebergte, waarvan valleien en hellingen verborgen liggen onder die als een waterspiegel effen vlakte, het bezinksel misschien van een binnenzee uit een verre geologische periode. Het meer van Sidenreng, zilverig langs den gezichteinder glanzend, ware dan het achterblijfsel dier zee, bij haar laatste ebbe in een verzakking van den bodem gevangen.... Met die zonderlinge kegelheuveltjes voor oogen, en over den weg verstrooid, stukken koraal en schelpen, die breken onder den stap van het paardje, komt men allicht tot zulke verbeeldingen.