Natuur en Menschen in Indië

Chapter 20

Chapter 203,339 wordsPublic domain

In de Minangkabausche familie is al het vaste goed, het huis, het erf, het veld, eigendom van de moeder en erfdeel van de dochters. Ook hebben zij alléén en uitsluitend het vruchtgebruik daarvan, waarover zij beschikken naar eigen goeddunken. Echter mag ook de moeder van dit bezit, dat niet geldt als het afzonderlijk-hare, maar als het bezit der geheele familie, geen, hoe gering ook, gedeelte verkoopen of op eenige wijze vervreemden. Alleen in geval van nood, en dan nog alleen na raadplegen met en met goedkeuring van de geheele familie, mag het, voor een bepaalden tijd, verpand, wanneer voldoende zekerheid gegeven wordt, dat het te rechter tijd weer ingelost zal worden.

Op die wijze is het beschermd tegen slecht beheer en verkwisting van den man niet alleen, maar evengoed tegen slecht beheer en verkwisting van de vrouw zelve. Raadgever en helper van de gezins-moeder, vertegenwoordiger van haar en haar gezin naar buiten en verdediger van hun rechten, is haar oudste broeder. De geheele familie waakt er voor dat hij zijn plichten vervult en van zijn rechten geen misbruik maakt. En zijn erfgenamen zijn niet zijn eigen kinderen, maar de kinderen zijner zuster, wier toeziende voogd (om met een nieuwtijdsch woord de oude betrekking te noemen) hij levenslang is geweest. Zijn opvolger, of in het (zeldzame) geval van ontzetting zijn vervanger, is de in leeftijd op hem volgende broeder, of bij ontstentenis, naaste mannelijke bloedverwant in de vrouwelijke linie. De echtgenoot, van zijn kant, staat in dezelfde verhouding tot en vervult dezelfde plichten jegens zijn eigen, vrouwelijke, familie, als nader hem aangaande dan het uit zijn huwelijk voortgekomen gezin. Zoo houden de oudere vormen van verwantschap en huwelijk te midden van de nieuwere overheerschend stand.

De Minangkabauers hebben bij deze inrichting hunner maatschappij zich klaarblijkelijk wèl bevonden. Want zij hebben met hand en tand er aan vastgehouden, de tijden door, tegen alle vreemde invloeden in. En zoo ijverige Mohammedanen ze zijn, tegenover het Mohammedaansche patriarchaat hebben zij hun matriarchaat gehandhaafd. Zelfs de Padris hebben die oude sterkte niet kunnen slechten. Zij staat op den huidigen dag nog vast. En als men hier, waar trouwen, scheiden en hertrouwen toch even gemakkelijk gaat als op Java, en ook, als op Java, het huwelijk polygaam is, niet als op Java, verstooten vrouwen vindt die bedelen of zich verkoopen en verlaten gezinnen die te gronde gaan, dan is dat te danken aan het matriarchaat. De Javaansche en de Minangkabausche familie zijn te vergelijken bij een rijstveld op de bergen en een rijstveld in het dal. In een mild seizoen staat ook het van regen afhankelijke bergveld welig en onder de zorg van een goeden vader gedijt ook het Javaansche gezin. Maar er zijn dorre jaren en er zijn nalatige vaders. Het rijstveld in de vlakte echter, door leidingen bevloeid en omringd met dijkjes, groent en bloeit, ook al valt weken achtereen geen regen, en het Minangkabausche gezin heeft dak, voedsel en kleedij, ook al is de vader een verkwister of een doeniet.

Dat is de goede kant van het oude stelsel.

Maar er is een andere.

De Europeesche tegenstanders van het matriarchaat beweren dat het de mannen lui en zorgeloos maakt, omdat zij zich altijd zeker voelen van een toevlucht in het moederhuis; en onverschillig voor hun kinderen en voor eigen-gewonnen geld tegelijkertijd omdat zij toch aan die kinderen dat geld niet kunnen nalaten, maar altijd de gedachte hebben dat zij werken en sparen voor hun zusters-kinderen. Van Inlanders zal men zulk een redeneering niet hooren. Zij schijnt ook moeilijk te bewijzen. Een doe-niet zou niet geduld worden in het moederhuis. De handelsgeest en ondernemingszin van den Minangkabauer, die den Chinees en zelfs den Arabier van de markt houdt--en dat niettegenstaande zijn overdreven vereering van al wat met den Islam samenhangt--bewijst voldoende dat, integendeel, de uitsluiting van erfelijk bezit middellijk gunstig op hem heeft gewerkt: een geval te vergelijken bij dat van jongere zoons uit Engelsche groot-grondbezittersfamilies, die door noodzaak gedreven, den weg van den arbeid opgaan, en krachten ontwikkelen die anders waarschijnlijk verschrompeld zouden zijn. Immers, nergens anders dan in Engeland vindt men afstammelingen van aanzienlijke geslachten menigvuldig onder de uitbreiders en vermeerders van het rijk. En wat de onverschilligheid omtrent hun kroost betreft, zij wordt in gelijke zoo niet hoogere mate gevonden onder de patriarchaal georganiseerde bevolking van de overige eilanden van den Archipel. De Minangkabauers met wie ik hierover sprak waren eenparig van oordeel dat, hier zoowel als ginder, die onverschilligheid een der vele treurige gevolgen is van het polygame huwelijk, dat het vormen van een eensgezind gezin belet, en den groei van al de zachte gevoelens die daaruit ontkiemen. Hun grieven tegen het matriarchaat,--want ook Inlanders en vooral de vooruitstrevenden onder hen hebben die--hun grieven waren andere. Zij achten in de eerste plaats de vrouw zelve benadeeld er door. De "adat," die haar veiligheid verleent, ontneemt haar vrijheid en de mogelijkheid van zelfstandige ontwikkeling.

Als het kind meisje wordt, sluit men haar op in het moederhuis, en daar blijft zij, als een gevangene haast, zoo streng bewaakt, tot den dag van haar huwelijk toe. Zelfs naar den pasar gaat zij niet, noch naar het veld. Op den akker--dien de vaders en de broeders bebouwen--ziet men niet anders dan kleine meisjes of oudere vrouwen, het allerlichtste werk verrichten en den mannen het eten brengen. In het oorspronkelijke matriarchale stelsel past die opsluiting van de vrouw niet, zoomin als haar uitsluiting van den veldarbeid, die immers juist haar eigen en eigenlijk werk was in de allervroegste tijden. Dat moet onder den invloed van den Islam er in zijn gekomen. Het is te begrijpen dat het den vrouwen veel kwaad doet. En nog meer, zoo mogelijk, schaadt hen het vroege huwelijk. Het is geen zeldzaamheid dat een meisje van twaalf, dertien jaar wordt uitgehuwelijkt. Zij kent haar aanstaanden man niet, noch hij haar, geen van beider toestemming wordt gevraagd, de wederzijdsche ouders beslissen en handelen voor hen. Het meisje krijgt in den regel (in de streek rondom het meer van Singkarah gebeurt dat niet, naar ik van inlanders hoor) een bruidschat mee. Waar dit de regel is, houdt men zich zoo stipt daaraan, dat de adat de verplichting tot het meegeven van den bruidschat heeft gemaakt tot een van de vier gevallen waarin vaste goederen verpand mogen worden. [23] Het jonge paar krijgt een vertrek in het moederhuis ter bewoning. Ook getrouwd blijft dus een vrouw onder de bescherming wel, maar tevens onder het gezag van haar moederlijke familie, in het bijzonder van het hoofd dier familie, den oudsten broeder der moeder, den "mamak." Tot een eigen, zelfstandig familie-leven komt zij nooit. Het gebeurt wel, dat een man, die een voldoend eigen inkomen heeft, een huis inricht in de kampong waar zijne vrouw bij hem komt inwonen. Maar ten eerste is zulk een inkomen een betrekkelijk zeldzaam voorkomend iets, daar een man verplicht is met het zijne zijn moeder en zusters bij te staan. En verder is ook onder de Minangkabauers het polygame huwelijk in zwang. De drie of vier vrouwen van een man wisselen elkander af in zijn huis. En geen van allen beschouwt het als het hare of wijdt er eenige de minste zorg aan. Nog liever dan in zulk een schijn-tehuis zijn zij in de moederlijke woning, onder der moeder gezag en dat van den "mamak."

Op de jongens werkt het stelsel even ongunstig in den tegenovergestelden zin: inplaats van dwang bewerkt het voor hen bandeloosheid. Op zijn tiende jaar al--en soms vroeger nog--gaat een jongen het moederhuis uit en krijgt zijn plaats in een der gemeenschappelijke mannen-huizen van het dorp. Hoe hij daar opgroeit is na te gaan: in het wilde. Lichamelijke verwaarloozing is het minste nog van de kwaden, waartoe hij, noodzakelijkerwijze, vervalt. Het wordt ook niet beter als hij opgroeit en trouwt. In het huis van zijn vrouws familie blijft hij de gast. Rechten heeft hij enkel in het mannenhuis van zijn eigen familie, in de "soerau."

Dit dan zijn de, inderdaad, ernstige grieven, die ontwikkelde Minangkabauers hebben tegen het in andere opzichten weer hoog door hen gewaardeerde matriarchaat.

Het stelsel begint te brokkelen, niet door hun of iemands persoonlijk toedoen, maar onder de inwerking van veranderende--en in al sneller tempo veranderende--omstandigheden. De Minangkabauer is buitengewoon intelligent, hij bezoekt vlijtig en met uitstekend gevolg de gouvernementsscholen, hij slaagt bij examens, hij wordt ambtenaar, en het is uit met het leven in de kampong. Hij moet gaan waar zijn ambt hem roept. Nu kan hij niet langer een min of meer tijdelijke inwoner zijn in het huis van zijn schoonmoeder. Hij moet een eigen huis hebben, een eigen gezinsleven is het gevolg; aan welk gevolg weer een geheele reeks gevolgen hangt. Veelal is het monogame huwelijk daaronder. Verder laat de oude structuur los op die plekken waar de behoefte aan gereed geld er aan gewrikt heeft. Het adat-verbod van verkoop van vaste goederen wordt door hoe langer hoe meer bezitters in den wind geslagen: het kàn niet gehandhaafd in vele gevallen. Een nieuwe ontwikkeling is, door denzelfden nood begunstigd, onder de vrouwen begonnen. Zij gaan naar nieuw-opgerichte industriescholen om kant te leeren maken, dien zij verkoopen. Verscheidenen al kunnen lezen en schrijven, zelfs onder de ouderen; de meisjesscholen zijn vol. Een pionierster van de vrouwenbeweging, de dochter van een inlandschen onderwijzer aan de kweekschool te Fort de Kock, heeft als eenig meisje onder al die jonge mannen den cursus afgeloopen en een buitengewoon goed examen afgelegd. Zij is nu naar Batavia gegaan om te leeren voor de Nederlandsche hulponderwijzers-acte. De zoon van denzelfden vooruitstrevend-gezinden voorganger van zijn volk is te Batavia werkzaam op een handelskantoor en verloofd met een meisje dat hij in zijn vaders huis heeft leeren kennen, en met wie vrije keuze hem verbonden houdt. Dat alles zijn dingen die tegen den ouden adat, zooals hij oorspronkelijk is en zóo als hij onder vreemde invloeden is geworden, rechtstreeks ingaan. De strijd is begonnen tusschen het oude en het nieuwe. Men moet hopen, dat de uitkomst het goede ongerept zal laten dat het oude, terecht, aan vele harten dierbaar maakte, en eerwaardig.

Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra

In een bijzondere mate is de Minangkabauer ontvankelijk voor het nieuwe, wanneer de deugdelijkheid daarvan hem op overtuigende wijs wordt aangetoond. De algemeene houding van den Oosterling (bewesten Suez verandert dat als bekend) tegenover een nieuw denkbeeld is die van den welgestelden huisbewoner tegenover een inbreker: woedend verbarricadeert hij alle deuren van zijn verstand. Maar de menschen van Minangkabau--althans een gestadig toenemend getal onder hen, dat wel binnenkort de meerderheid zal worden--gaan een nieuw idee tegemoet als een bezoeker; en gaarne met welkom en eerbewijs. Duidelijker dan aan iets anders kan men dat zien aan den groei en de uitwerkingen van de kweekschool voor onderwijzers te Fort-de-Kock.

De instelling heeft al een lange geschiedenis. Meer dan een halve eeuw is het reeds geleden dat na het houden van een enquête, waarbij bleek, dat het Inlandsche onderwijs ter Westkust van Sumatra ten eenenmale onvoldoende was, de regeering overging tot het oprichten te Fort-de-Kock, van een normaalschool; uit die normaalschool is de tegenwoordige kweekschool voor Inlandsche onderwijzers voortgekomen.

De normaalschool leverde de resultaten niet op, die men er van had verwacht. Het lag voor een deel aan het gehalte der leerlingen die, vrijwel onvoorbereid, van hier en ginder kwamen; voor een deel aan het gehalte van de onderwijzers. Nieuwe onderwijskrachten als men van de school had gehoopt, bracht zij niet voort. De leerlingen werden ambtenaars--klerken, pakhuismeesters, vaccinateurs, opzichters bij de (toen nog van gouvernementswege gedreven) koffiecultuur. Een hervorming aan hoofd en leden was noodig. Zij geschiedde in '73. De school werd uitsluitend bestemd voor opleiding van Inlandsche onderwijzers. Er kwamen Hollandsche onderwijzers aan het hoofd--een directeur en tweede onderwijzer, die beide de hoofdacte moesten hebben, een derde met hulp-acte, en verder deugdelijk geschoolde Inlandsche onderwijzers; en er werd een ruim program van studie opgemaakt, waarin de Hollandsche taal plaats had, en verder rekening werd gehouden met de behoeften van den Inlandschen dorpeling. Dadelijk stroomden de leerlingen toe: zelfs getrouwde mannen kwamen op de schoolbanken zitten om van dit heilzame nieuwe hun deel te ontvangen. Het werd al spoedig noodig de school uit te breiden. Een nieuw gebouw werd gezet, waarin vijftig inwonende leerlingen ieder een kamer hadden; daarop een externen-school op hetzelfde terrein, waar de leerlingen van de hoogste klas der kweekschool onderwijs gaven onder toezicht van de kweekschool-onderwijzers. Toen kwam de slechte tijd die aan het onderwijs hier als aan dat door heel Indië erge scha toegebracht. Een verkeerde zuinigheid beknibbelde op het volstrekt noodige. Van 1884 tot 1904 werd geen Hollandsch onderwezen: het gevolg een periode van stilstand in de volksontwikkeling. In 1904 echter werd het onderwijs in het Hollandsch weer ingevoerd, de cursustijd met twee jaar verlengd, het Europeesch personeel vermeerderd, en gelegenheid gegeven aan Inlandsche jongelui, die ambtenaar wilden worden, om deel te nemen aan het onderwijs; dit echter op eigen kosten, terwijl de aspirant-onderwijzers een toelage van f 10.--(vroeger was het f 15) van het gouvernement ontvingen. In getale kwamen nu de aspirant-ambtenaars; in getale, niettegenstaande die vermindering van de toelage met een vol derde, de aspirant-onderwijzers. Er moest weer bijgebouwd, tot er plaats was voor omtrent honderd inwonende leerlingen. En niettemin bleek nog altijd de ruimte onvoldoende. Dat is nog altijd zoo voortgaande. Ik had gelegenheid het te zien tijdens mijn verblijf in Fort-de-Kock. De weg voor de kweekschool was van den vroegen ochtend af druk van aspirant-leerlingen, gekomen voor het admissie-examen. En gekomen, van wie weet hoever, wie weet hoe! Er ligt nog maar weinig spoorlijn ter Westkust, de reizen moeten gedaan te paard, in karretjes, te voet. Het zijn alleen de meest welgestelden, uitteraard maar een zeer klein deel van al de opkomenden, die de reis per as betalen kunnen. Ook een paard is voor verreweg de meesten nog veel te duur. Zij gaan te voet--niet uren ver, maar dag-reizen ver, door de blakende zon, berg op, berg af, ravijnen neer en op, rivieren door. Zij eten wat in een blad gekookte rijst, die zij van huis meegenomen hebben, met wat toespijs misschien, hier en ginder voor een paar duiten gekocht bij een zoetelaar aan den weg. Zij slapen in het mannenhuis van het dorp, dat zij bij het vallen van den nacht nog juist bereikt hebben. Men moet zich dat alles goed voorstellen om te begrijpen, hoe sterk het verlangen is dat zulke dorpsjongens om het meerdere weten en het betere bestaan dat zij er kunnen winnen, drijft naar de "Sekola Radja" te Fort-de-Kock. Er werd me gezegd dat de bij het examen afgewezenen vaak uitbarsten in snikken. Zulk een droefheidsuiting is zeer, zeer zeldzaam bij een Inlander. De teleurstelling moet hem wel in het hart geraakt hebben als hij de klacht niet weerhouden kan.

De leerlingen komen uit alle gewesten van Sumatra; met de Minangkabauers vermengen zich Bataks van de Hoogvlakte, uit de Doesoens, uit de streek rondom het Toba-meer; bewoners van Nias en de kleine eilanden langs de kust; Mandhelingers; Atjehers. De laatsten komen niet uit eigen beweging: zij worden gezonden door de regeering, die begrijpelijkerwijs voor de eindelijke pacificatie van Atjeh meer verwacht van een goede opvoeding van het komende geslacht, dan van kogels en bajonetten. Zij zijn op de school een lastig element, hoovaardig tegenover andere Inlanders, stug tegenover de onderwijzers, met een zekere ostentatie vasthoudend aan nationale zeden, waarvan de strenge uiterlijke waarneming van godsdienstige plichten er een is. Er wordt over gedacht een apart gebouwtje voor hen te zetten op het erf der kweekschool, om botsingen te voorkomen. Over het geheel is de uitzending der Atjehers naar hier een zaak die veel geld kost. Maar hoeveel meer het ook nog mocht wezen, goedkooper dan oorlog voeren is het in alle geval, om van belangrijker voordeelen dan enkel-geldelijke nog te zwijgen. Als een bijzonder bewijs van de aantrekkingskracht der school--en tevens wijst het feit op een geheel nieuwe ontwikkeling in het volksbestaan, die, middellijk toch ook als een uitwerking van het school-onderwijs moet worden beschouwd--als een bijzonder bewijs van haar aantrekkingskracht mag het gelden, dat ook een meisje dezen laatsten cursus heeft gevolgd. Zij heeft nu juist een bijzonder goed examen afgelegd. Men stelle zich voor, hoe onverbiddelijk de matriarchale "adat" het aankomende meisje binnen haar moeders huis opsluit, en hoe vast het denkbeeld geworteld zit in Oosterlingenhersens dat een vrouw niet noodig heeft iets, wat ook, te leeren; en mete bij vergelijking de kracht der nieuwe idee over het gemoed van zulk een meisje en van haar ouders. Geen twijfel of op den weg, dien zij zoo moedig als eerste is ingeslagen, zullen haar zusters nu spoedig in menigte volgen.

Dat de kweekschool zulk een toeloop heeft is te begrijpen als men let op den aard van het onderwijs, en men mag wel zeggen, van de opvoeding die de leerlingen er krijgen. Want het is niets minder dan een werkelijke opvoeding. In hun eigen dorp hebben zij niets van dien aard gehad--in hun tehuis kan men niet zeggen, want althans de Minangkabausche man hééft geen thuis: hij groeit in het wilde op in het mannenhuis van zijn familie. En wat de overigen aangaat, een tehuis in onzen zin van het woord kennen ook zij niet: hoogstens een plek waar zij slapen en eten. Hier heeft ieder zijn eigen kamer en die moet hij zelf in orde en schoon houden. Dat is een heel ding voor hen, vooral voor jongens van deftigen huize, die altijd van kind af bediend en gehoorzaamd zijn, en werk met handen gedaan verachten. Maar de regel is onverbiddelijk. En het gelukkige resultaat, dat jongens die slordig, vuil en traag waren, toen ze kwamen, ordelijk en op hun omgeving als op zichzelf kieskeurig worden na eenige maanden verblijf op de school. Verder geeft het onderwijs hun wat zij in hun dorp kunnen gebruiken: het onderwijs in plantkunde komt hun te pas bij de sawah-bewerking, dat in de dierkunde voor hun vee. En tevens winnen zij daarbij voor zichzelven, want inplaats van de fantastische voorstellingen omtrent het menschelijk lichaam en gestel, die de Inlandsche overlevering hun heeft opgedrongen, en waardoor zij de voorbestemde slachtoffers worden van allerlei kwakzalverij en toovermiddeltjes, krijgen zij nu een begrip van bloedsomloop en spijsvertering, waarop zich een doelmatige gezondheidsleer laat opbouwen. De natuurkunde bewijst hun eenzelfden dienst tegenover het geloof aan allerlei wonderdadige krachten, die door middel van amuletten en spreuken over de machten der natuur te verkrijgen zouden zijn. En ten slotte helpt het onderwijs in de Maleische taal (het Riouwsch-Maleisch, in alle scholen van Nederlandsch-Indië onderwezen) hen over belemmerende dialect-verschillen heen naar een nationale taal. Het Hollandsch maakt hun den weg open naar wat zij ooit meer verlangen zullen van kennis.

Dat hij het belangrijke van zulke geestelijke aanwinsten inziet, en niet aarzelt vàn zich te werpen wat hem belemmert in het streven daarnaar--dat is de kenmerkende trek in het karakter van den Minangkabauer.

Tegenover de partij der vernieuwers van de inlandsche maatschappij op Sumatra staat die der behoudzuchtigen, hoewel in den laatsten tijd zeker verzwakt, nog altijd zeer sterk. De drijvende kracht zijn hier de Hadji's, de hulptroepen, de aanhangers van den onveranderden matriarchalen adat.

Uiteraard zijn de twee eigenlijk vijanden. In het begin van de vorige eeuw heeft de partij der Moslimsche geestdrijvers, de Padri's, de vreedzame adat-aanhangers te vuur en te zwaard bekrijgd, omdat zij weigerden het matriarchaat op te heffen en weigerden zich te onderwerpen aan de tucht der dweepers. Men weet hoe de vervolgden in hun wanhoop den Westerling, Engelschman en Hollander, te hulp riepen tegen de eigen landgenooten. En onder de asch van het gedwongen pais-en-vree houden smeult de haat der Hadji's nog. Want het matriarchaat is den extreem-patriarchaal denkenden Moslim een doorn in het oog; en de adat-aanhanger wil van die oude wet geen tittel noch jota laten vallen. Maar dit groote geschil, zoo goed als kleinere, die de twee partijen in het kamp der behoudzucht verdeelen, vallen weg voor den vereenigenden invloed van den gemeenschappelijken haat tegen het nieuwe. Het Westersch-politieke woord verstaande in Oosterschen zin, zou men mogen spreken van een coalitie van adat en Islam.