Natuur en Menschen in Indië

Chapter 19

Chapter 193,831 wordsPublic domain

Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer en meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft aangelegd van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren heen en weer, die rijst, groenten, aardappels en vruchten naar Medan brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch, geweven goederen en allerlei steedsche waar, vroeger onbekend in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers, bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier was (evenals bij ons) vuur slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in een soort tondel. Op de markt van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen te koop had en gezien hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen rol met een zilveren ketting omsnoerd, waarin een Batak al zulk klein gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met zulk een vuursteen en tondeldoos den houtskool-oven zien aanmaken, waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet meer van: het gebruikt lucifers. Op diezelfde markt, die "tiga," van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde nog eer men haar zag, verborgen als zij lag binnen een kring van uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche trekossen het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen kittige Batak-hitjes in,--op diezelfde "tiga," waar het oude wijfje zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt tusschen pakjes sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden en den allernieuwsten tijd vlak naast elkander.

Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe wordt met den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude "Batakpaadjes," de zonderlinge weggetjes die soms een heelen voet diep in den grond zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs die paadjes houdt het oude zijn oude sleur. Maar reeds komen er aan, en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen, de diepten van het binnenland in, reeds komen er aan de groote wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige, tegen wegsleurend geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen, wat van de twee in een streek te vinden is. Wel te verstaan, doen niet alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani, die tegen het advies in van de meeste ambtenaren der streek door de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt door een verlaten streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de Bataklanden, door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden, ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in aansluiting bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden, door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken oever van het Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan het geheele cultuurgebied in Noord-Sumatra één geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer langs vrije banen kunnen vloeien.

Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies, naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen, hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het hoofd gedragen--zoo'n echte dikke "besteedster." Op elke tiga zit de "toekang mesjien," de reizende kleermaker, die met een Wheeler en Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich neerzet in de schaduw van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te flansen en om de blauwe jakjes van Bataksche nufjes te versieren met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de Doesoen (de "kolonie" eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in gebruik dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men de Bataksche handelaars van "boven" in getale zich zien verdringen rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting tegen den regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om te beginnen gekozen uit de mars van den grooten kramer: Europa.

De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere ideeën omtrent schoonheid en hygiëne. De Bataksche adat eischt, evenals de Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in den Indischen Archipel) een uiting van het algemeen onder animistische volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig zijn op de levenden, om dat groote geluk van het leven, dat zij moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten offer brengen van kleine gedeelten van de levende persoonlijkheid; weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten worden om ze aan de naijverige geestenblikken te onttrekken en den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de tanden is een barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen, de urenlange marteling te verdragen zonder een kik te geven. En de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email ontbloote tanden zijn er natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken met dien adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor "honden-tanden" gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.

Veel is op dit punt van hygiëne te danken aan de zending, die onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid. Er is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus, pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen. Veel is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894 in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde. De Batak, die zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde ziekte aan. Maar op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En van wat te dien opzichte is verbeterd, komt de eer grootendeels toe aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek, een consultatie-kamer. Tweemaal dagelijks zag ik te Kaban Djahe de zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en gingen getroost en geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen zich daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de zending steun--en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve dat de sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie der lijders namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden, dat dringt tot het brengen van eten aan den balling uit het gezin, verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet, of, althans, niet lang achtereen. Als een moeder bij de geboorte van haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder en levend kind te zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen, redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al, en koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in huis. De eigen families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander in het algemeen bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden, en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot uiting komt in allerlei al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen bij elk huwelijk gedaan, en in het stereotype slot van oude verhalen: zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer van die tegenstellingen in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren voorbeelden bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk zoowel als voor het stoffelijk leven van dit volk.

De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905 op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand genomen en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De bewondering, die de zelfopofferende arbeid der zendelingen voor het lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil van dit volk achten, van elken onpartijdige vergt, behoeft hem niet te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het gebied van het onderwijs. Het onderwijs is voor de zending, uit den aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden: niets minder, maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak een bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch, op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die scholen, waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en rekenen. In het beste geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De onvoldoende getallen werden aangevuld zoo goed en zoo kwaad als het ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten vandaan gekomen zijn? Als er dus een getal van 46 scholen met een bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen, zijn het geen "scholen" noch "leerlingen" in den zin dien men gewoon is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen en de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte ressorteert, heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder die der Bataksche zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun drieën (een vierde, die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend werk de vorming van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool) en hebben met hun drieën de zorg voor een bevolking van 130.000 zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den toestand; dan zal men er niet verbaasd over staan dat bij een examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen voortgekomen aspirant-onderwijzers werk te voorschijn komt, o.a. in sommetjes--optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele getallen,--dat niet anders bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er bestaat nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen. Aan het hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer is de eenige, zegge de eenige, Hollander in die geheele menigte van "onderwijzers," zijnde en wordende. Bij zulke toestanden vermogen persoonlijke eigenschappen, ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de regeering met der regeering krachten doe wat der regeering is, zal van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit moet gaan, aan den Batak niet veel ten goede komen.

Westkust van Sumatra

In enkele uren draagt de langs een tandradbaan klimmende trein den reiziger uit het witte en het zwarte stof van Emmahaven naar Fort de Kock. De spoor dient voor het vervoer van de Ombilinsteenkool, waarvan datzelfde zwarte stof afkomstig is, en dat merkt men zoowel aan den buitengewoon lagen prijs van het vervoer (het personenvervoer is immers maar een bijzaak naast de hoofdzaak, het steenkolenvervoer) als aan het schrikkelijke stuiven en warrelen van scherp steenkolenstof in de wagens en aan de wolken stinkenden en verstikkenden rook. De onaangenaamheden zijn trouwens gering in vergelijking met de onberekenbare voordeelen die de steenkool de streek heeft aangebracht. En verder is de reis zoo mooi, dat men al spoedig aan niet anders dan aan genieten en bewonderen meer denkt. Door aldoor stijgend landschap gaat de weg, in lange slingeringen. De kloof der Anei gaat open. Achter trage golvingen van den grond rijzen heuvels op, dan berghellingen, donker oerwoud, waarvan schuimwit, de beken met wervelende watervalletjes afstorten in de onstuimige rivier, grijs-blauw als een alpenstroom wanneer de sneeuw smelt. Al koeler waait de wind den uitkijkende in het gezicht. De Inlanders die aan de stopplaatsen langs de lijn wachten, de jonge meisjes vooral, hebben een roodachtigen schijn door het bruin der wangen spelen.

Fort de Kock ligt binnen een krans van bergen, Merapi, Singalang, Sago, Ophir, en de tallooze lagere kruinen en deinende heuvelklingen, die groen en bruin golven tusschen het blinkende blauw dier steile toppen. De frischheid van de bergen ligt als een waas over alle dingen in het stadje. Er is overal geruisch en geklok van water, een glans van natte rijstvelden in diepte van golvige dalletjes, heel licht groen op de hellingen, een koele lucht, een reuk van bloemen, die rijk bedauwd in de zon staan. Alle tuinen zijn vol rozen. Zelfs zoo maar in het wild langs veldweggetjes en tusschen hagen bloeien licht-roode maandrozen. En scheiding tusschen landstraat en erven maakt niet een gemetseld muurtje of houten heining, maar het dichtste gewas van breedbladige heesters, overschitterd van goud-geel gebloemte.

Op zijn aardigst is Fort de Kock 's Zondags, wanneer het pasar is. De straat loopt omhoog naar het wijde marktplein, geleidelijk eerst, dan, steil, als een heel breede trap, zooals men in Italiaansche stadjes wel ziet. Van de hoogte af, waar men staat als aan den rand van een recht-afvallend ravijn, ziet men uit de lage verte van den weg, wit blinkend tusschen het groen van boomrijen, het pasarvolk er aankomen, stuwend als een langzame bonte rivier. Boven het vlak der voetgangers steken hotsende karbouwenkarren op. Aan den voet van de steilte verdeelt zich de stroom. De hotsende karren, achter de breede grauwe buffelbeesten aan, stuwen, nòg langzamer, tegen den traag-stijgenden weg op, die langs het aardige park tegenover het residentie-erf buigt, overschaduwd door een reusachtig-spreidende groep waringins. De voetgangers beklimmen de breede trap. Aan den kant, in de waringin-schaduw, staan de eerste stalletjes. Daar begint al het markten, het gonzende gebabbel, het toonen en bekijken. De helder gekleurde baadjes van de vrouwen, waar de slendangs en de op een bijzonder sierlijke wijze gevouwen hoofddoeken in afstekende tinten tegen uitblinken, maken den zonneschijn bont. Op het wijde plein, waar de markt gehouden wordt, heeft het bestuur enkele jaren geleden loodsen laten bouwen; sedert is het verkeer zóó toegenomen, dat jaarlijks f 20.000 aan pacht voor verkoopplaatsen in de negari-kas komt en het getal pasar-bezoekers op drukke dagen tot 40.000 stijgt. Men krijgt een goeden indruk van de welvaart der bevolking en van haar nijverheid en handelsgeest hier. De menschen zijn, over het algemeen, goed gekleed. Niet mooi, wel is waar; vooral jonge vrouwen en alle aankomende meisjes loopen in een soort vormloos, om den hals als een zak dichtgehaald hemd met lange mouwen: en de eigenlijke landsdracht, door die onbeholpen nabootsing van slechte Westersche modellen al meer en meer verdrongen, de lange kabaja, die, aan den hals ondiep ingespleten, over het hoofd heen wordt aangetrokken, en tot over de knieën afhangt, is al evenmin sierlijk, al helpt hier de bonte, aardig gedrapeerde slendang, en de hoofddoek, geplooid op een heel eigenaardige en sierlijke wijze, die, wonderlijk genoeg, herinnert aan den hoofdtooi van de vrouwen op sommige vroeg-Italiaansche schilderijen. Maar zoo al niet bevallig, wèl goed verzorgd, zindelijk en frisch van kleur is over het algemeen de kleedij van de vrouwen, die daarenboven nog vermooid wordt door allerlei gouden en zilveren sieraad. De dracht van de mannen is, als overal buiten Java en Bali, leelijk en karakterloos. Maar dat zij, even goed als de vrouwen, een geheel anderen tooi kennen voor feestdagen, en wat meer beteekent, dat het volk het geld heeft om zich dien tooi aan te schaffen, ziet men in de kraampjes van Silindoengsche weefsels en sarongs uit Atjeh. Dat is allerprachtigst goed, het eene geheel doorschijnend, het andere stijf en hard van dichtheid, zijde alle twee en doorweven met goud- en zilverdraad. Een Siloengkangsche sluier kost een tien tot vijftien gulden, een sarong uit Atjeh van vijf en twintig tot tachtig. Men ziet hier ook waar het geld vandaan komt, dat tegen zulke kostbare dingen opweegt; ten minste, waar het voor een groot deel vandaan komt; van den handel, dien het volk in eigen handen heeft. Op dezen geheelen vollen pasar, waar naast de voortbrengselen van het vruchtbare land, import uit Europa, Amerika, Britsch-Indië, Siam, China en Japan te koop ligt, is niet één vreemde koopman, Chinees noch Arabier te zien. Op Java hebben die het heft in handen, de Chinees die zijn winkels en werkplaatsen over het heele eiland heeft staan, de Arabier die rondgaat met het linnen geldzakje over den schouder, waar de Javaan zoo weinig uithaalt en zooveel in terug brengt. Op Borneo zijn het Chineesche stoomertjes, die de Barito bevaren om boschproduct. Zelfs op de Bataksche hoogvlakte zijn het Chineezen, die den opkoop van vruchten, groenten, eieren en kippen georganiseerd hebben voor de markt te Medan en den zorgeloozen Batak, behalve de moeite ook de winst afnemen. De Minangkabauer echter doet zijn eigen zaken zelf af.

Rondom Fort de Kock ligt een krans van welvarende dorpen, daar kan men zien hoe dit volk zijn huizen bouwt. Het verval in stijl en goeden smaak, dat een onafscheidelijke schaduwzijde is van de hier en nu nieuw groeiende dingen, doet zich ook hier gevoelen aan haastig saamgeflanste vierkante bouwsels onder een dak van gegolfd zink. Maar er is toch nog overvloedig genoeg van inheemschen trant om zulk een dorp een lust voor de oogen en voor de gedachte te maken. De huizen staan hoog, dikwijls op palen; een trap, die soms van steen gemetseld is en met treden en balustrade in sierlijken zwaai zich opricht, klimt naar den ingang. De deur is versierd met snijwerk, dat in sprekende kleuren beschilderd is. In overeenstemming met de versiering der deur is de geheele wand van het houten huis getooid; een breede lijst kleurig snijwerk loopt beneden langs de ramen; een smallere boven, waarvan de kleuren en de figuren licht gedempt worden door de schaduw van den dakrand, en waar, in den wind wuivend, allerlei fijn plantengroeisel over afhangt, orchideeën en varens, mossen, teer slingergewas, dat in de dichtgespreide palmvezel van het dak, de zwarte idjoek, zijn behoef aan voedsel en vochtigheid vindt. Boven al dat bonte van groen, kleur en soms sober aangebracht verguldsel, rijst het dak donker en hoog, met een lange nok, gebogen als de halve maan, waarop een tweede, kleinere nok rust, volgens dezelfde schoone lijn gebogen, zoodat vier slanke, scherpe spitsen twee aan twee oprijzen tegen de lucht. Aan de huizen van rijke geslachten--want het huis is onvervreemdbaar familiebezit hier--is nog een afzonderlijke uitbouw aangebracht in de lengte, van de vloerbalken tot aan de spits van den gevel zoo kwistig gebeeldhouwd, beschilderd en verguld, dat het denkbeeld van bouwwerk verdwijnt, voor dat van een architectonisch kleinood. En de schoonheidszin van den Minangkabauer heeft met den bouw van zulk een woning nog geen volle bevrediging gevonden. Neen! nu moet hij ook zijn voorraadschuur nog bouwen en tooien in denzelfden trant. Dwars door een tuin, die vol bloemen en bloeiend vruchtgeboomte staat, maakt hij een breed pad naar den ingang van zijn erf; en aan weerszij daarvan zet hij een kleine rijstschuur, als een wieg van onder smal en van boven breed, op palen geheven, met een overhangend dak gedekt, en aan alle vier de wanden, van beneden tot boven, bont van vroolijk-kleurig ornament. Zulk een woonstee met den blauwen Indischen hemel er boven, en het welige groen der gaarde half verbergend, half omlijstend, rondom, iets mooiers is niet te bedenken. En het genot van den beschouwer wordt volkomen door de wetenschap, dat die verheugelijke woning een vesting is en een sterkte, onneembaar voor welken vijandelijken nood ook, onvervreemdbaar de tijden door, waarin van moeder op dochter, al een geheele afdalende reeks gezinnen uit hetzelfde geslacht zijn kinderen heeft grootgebracht, en waarin nu nog ongeborenen zullen opgroeien, even veilig als eens die eersten, wier trots op het familiebezit in den rijken tooi van huis en voorraadschuren zijn uiting vond.

Althans, zoo zal het wezen, indien het aloude stelsel ongerept blijft, dat de Minangkabauer tot nog toe heeft gehandhaafd, zelfs tegen den geestdrijvenden Islam in, het matriarchale stelsel. Maar zal dat oude blijven? Het is de vraag. Het heeft nieuwe vijanden gekregen in dezen allerlaatsten tijd.

Volgens de jongste onderzoekers van de geschiedenis van het matriarchaat is deze vorm van het gezinsleven, voortgekomen uit de uitbreiding van den exogamischen huwelijksregel over een geheele groep van onderling gehuwde stammen verloren gegaan daar waar een volk van het zwervende jagersleven overging tot landbouwbedrijf en handel. Toen de man de plaats van kostwinner voor het gezin hernam, door de vrouw bezet gehouden zoo lang haar arbeid in den landbouw in het klein meer leeftocht verschafte dan de zijne op de wisselvallige jacht, hernam hij ook de overmacht, en het patriarchale recht werd buiten alle vergelijking grooter dan ooit het matriarchale geweest was.

Bij de Minangkabauers is het echter anders gegaan. De landbouw is hun voornaamste middel van bestaan en het zware werk daarvan wordt door de mannen verricht. De handel bloeit en is, althans in zijn belangrijkste onderdeelen, geheel in handen van de mannen. Maar niettemin heeft onder hen het matriarchale stelsel zich gehandhaafd tot op den huidigen dag toe.

Zoo als het in den loop der tijden geworden is, werkt het hoofdzakelijk als een economische bescherming van de familie, vertegenwoordigd in de eerste plaats door haar vrouwelijke leden.