Chapter 18
Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te begrijpen, zóoveel weten allen die eenigen omgang met hem hebben gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg aan intensiteit toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding, uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten verhouding staat tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in bepaalde vormen nog voortlevende communistische opvattingen, hij de gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer leden. En, eindelijk, dat hij in hartstocht alle bezinning plotseling verliest, "mataglap" wordt, "verduisterd van oogen," en letterlijk in den blinde naar een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook, dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een bloedige wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl, zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden oproer verwekt tegen den hardvochtige.
Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen der Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen, en uit "het juridisch" in het Hollandsch te vertalen. Althans datgene wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat is natuurlijk niet meer dan een onderdeel van het geheel waartegen het verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen of genen mandoer, tandil, employé, administrateur, minder-beduidend dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken van de stemming der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet, maar tegenover het geheele systeem.
Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal--en behoudens de verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders zijn,--vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.
Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover hun eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers op de hand van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder het Nederlandsche gezag; en oneindig veel beter dan als "vrij man" in zijn eigen land heeft Chinees en Javaan het op Deli onder den planter.
Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet. Waarom anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang niet hebben bij de handhaving van de toegepaste stelsels dat de Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat inziende, zich gaan verzetten?
De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer van Deli.
Naar de Bataksche hoogvlakte
In de weinige uren tusschen dageraad en middag kan men van Medan naar de Hoogvlakte der Bataks komen--van de twintigst'eeuwsche beschaving naar den natuurstaat. Een uitstekende weg en automobielen maken het verbijsterende wonder mogelijk.
De weg, die, bij ongelijke deelen, door de planters, den Sultan en de Ned.-Indische regeering is aangelegd, loopt van Medan af een tijdlang tusschen tabaksvelden door, waar hoog, breed, bruin en ruig in hun rieten bekleeding, als reuzen in berenpelzen, de groote droogschuren staan, en over ondernemingen, waar de huizen van administrateurs en assistenten villa's lijken in een wijd, mooi aangelegd park. Dan begint hij te stijgen. Het landschap verandert; in groote golvingen, op en neer, deinen groen-blauwe heuvelrijen aan, de vorm van verre toppen, flauw ontwaard eerst tegen het blauw der lucht, wordt duidelijker, diepe schaduw en koelte van woud valt over den weg, die, wittig, in lange slingeringen klimt, uit een verborgen ravijn klinkt het ruischen en schuren, dat snel water doet over gesteente. Al hooger stijgt de zon aan de fel-blauwe lucht, waarin witte wolken verblindend blinken; maar het is koel hier als in allervroegsten morgen; het gras, het hooge varenkruid, het struikgewas langs de steilten blinkt van dauw. Een lichte wind komt en gaat, in golven van frischheid. En alles geurt zoo. Niet het dauwige en zonnige gras alleen, of al dat kruizemunt-achtige bladerruig langs den weg, of de oranje, roode en paarse bloem-tuiltjes der lantana, die de hellingen als met vonken oversprenkelen, of, zoetst van alles, de arèn-bloesem, in lange, donkere trossen hangende langs den stam, die als een zuil zoo slank onder zijn kapiteel van uitbuigende blader-takken, zwart en monumentaal tegen den vuur-blauwen hemel staat; maar van overal, uit alles, tot uit vochtige steenen en de naakte bruine aarde zelve toe, komt wèl-reuk gewademd. Een niet goed te benoemen fijnheid in de atmosfeer, iets ijls, teeders, héél-zuivers veredelt de forsche weelderigheid der tropische natuur. Van den rand van een steil ravijn af gezien, waarlangs de bergen oprijzen, donker van woud, ligt de verre flauw-blauwe Medansche vlakte, met de fonkelstreep van de zee langs haar zoom, als een andere, vreemde, vèr-verwijderde wereld.
Twee dagen voor dien van onze reis had een aardstorting een gedeelte van den weg overstelpt: werkvolk was nog bezig met wegruimen en gelijk maken, en een twintig man kwamen te hulp om den auto over de zacht-inzakkende plek te krijgen. Ik had al Bataks gezien te Medan. Als Zigeuners zaten ze, langs den eenen kant van de Esplanade, voor de lange rij van hun overhuifde buffelkarren in het gras gehurkt, ieder bij zijn koopwaar, vruchten meest en groenten uit het gebergte, en flesschen palmwijn; 's avonds flikkerden hun wachtvuurtjes; zonderling keken de donkere gezichten op uit den schijn. Maar hier pas, in hun eigen omgeving, zoo velen bij elkaar, en buiten het verwarrend vergelijk met de vele andere Oosterlingentypen der stad, kwam hun eigenlijk wezen goed uit. Niet groot van stuk zijn zij echter forsch gebouwd, en hun bewegingen bedaard en krachtig. In het gezicht vertoonen zij tweeërlei type: het eene, het Maleische, dat grof is van trekken en ommelijn, heeft iets sombers en dreigends; wat komt door een boven de oogen sterk vooruitspringend voorhoofd. Het andere maakt een zeer verschillenden indruk; de trekken zijn rechtlijnig, de glanzige oogen lang en smal, de mond welgevormd, het gezicht ovaal. Er is verwantschap tusschen dit type van Batak en de Britsch-Indiërs, die men in Medan ziet. Inderdaad wordt een immigratie uit vastelandsch Indië, als voor eeuwen plaats gehad hebbende, door ethnografen aangenomen. De weg naar de Hoogvlakte loopt langs het Batakdorp Sibolangit; wij gingen het bezien. De wijze van binnenkomst was over eenige steenen en een bamboe omheining heen. Weg of pad was er niet te bekennen. De huizen stonden her en der, elk op zichzelf. Wonderlijke huizen! en mooi! Aan niets doen zij zoozeer denken als aan sierlijke schepen. De wanden, van planken, als die van een schip, staan, evenals scheepswanden, schuins naar buiten. Men peinst, verbaasd, over de reden die de menschen tot zulk een bouw gebracht mag hebben. Half verwacht men dat het huis, als een schip, zal beginnen te slingeren in den wind; en men gaat denken aan verschrikkelijk geweld van zee en storm, iets als de zeebeving van Krakatau bijvoorbeeld, die een heele vloot van visschersschepen omhoog geslingerd en op het gebergte weer neergeworpen heeft; daar zijn dan de scheepsrompen tot huizen verbouwd....
Die lage, schuins-uitgebouwde huizen staan op palen, een voet of vijf boven den grond; en onder een geweldig hoog dak, waaronder zij, als verloren, schuil gaan. (Zóo gaat een schip schuil onder de wijdte en hoogte van zijn volle zeilen.) De nok van dat bovenmatig hooge, steile dak, is versierd met gehoornde buffelkoppen, die bukken tegen een onzichtbaren vijand: de storm, de bliksem en de donder zijn het, die zij dus dreigend afweren. Onder dat toornige en het donker van het met riet en zwarte palmvezel gedekte dak, staat vroolijk het driekant van den gevel vol aardige kleuren, in een sierlijk patroon beschilderd. De lage wanden van het huis zijn ook versierd. Ten eerste met het zwartige vlechtsel van arenvezel-touw, dat de planken, in een gleuf gevoegd, bijeenhoudt--want de Batak, als elke Maleier, spijkert niet, maar bindt zijn huis in elkaar. Door de wijze waarop dat touw door de reten wordt geregen ontstaat de teekening van twee paren reusachtige hagedissenkoppen (een kop en pooten aan elk einde van het lange lijf) naar voor- en achtergevel van het huis gericht. Een tweede ornament is een geschilderde rand van rankend gebladerte, dat, onder de hagedissen, langs den wand loopt. Zóó, tegelijk imposant en vroolijk, half paalwoning, half schip, donker van dak en bont van gevel, staat het wonderlijk-mooie huis van den Batak, de heemstede elk van acht gezinnen. De bewoners zien er stemmiger uit. Mannen en vrouwen dragen kleederen van één kleur, indigo-blauw; hier en daar enkel loopt een randje van wat lichter blauw, soms een simpel motiefje, door inbinden van de nog ongeverfde stof verkregen, een rij ovaaltjes, die op snoeren kralen lijken, zoo bij den eersten oogopslag. Een enkele heeft aan het korte jak wat versiersel van gestikte figuren, kleur op kleur. De indruk is wat somber en eentonig voor oogen, gewend aan de kleurige kleedij van Java en vooral, het prachtige Bali. Maar niettemin staat al dat blauw van kleeren en bruin van huid mooi bij elkaar. De kinderen fleuren het op met een menigte sieraden, die zij om hals en polsen, op de borst en langs het gezicht dragen: zilveren armbanden, kettingen van groote zilveren muntstukken (Straitsdollars en oude Spaansche matten vooral), gouden bellen en bolletjes, allerlei fijn sieraad aan dunne snoertjes, dat, boven aan de oorschelp vastgemaakt, langs hun wangen bengelt. De vrouwen tooien zich met een eigenaardig gevouwen hoofddoek, die als een breede rol boven het voorhoofd ligt en een langen, gewrongen, horizontaal uitstaanden kegel vormt tegen het achterhoofd aan. Aan weerszijden blinken daar hand-lange zilveren ornamenten in lier-vorm tegen, dubbele, van elkander afgewende spiralen aan langen stengel; het linksche ornament naar voren, het rechtsche naar achteren gericht. Deze "oorijzers" en de blauwe kegel-kap, die zij in fatsoen houden, vormen een even schilderachtigen als vreemden hoofdtooi. Alleen geeft het den Westerling een pijnlijk gevoel te zien, hoe de zware zilveren stengel boven door de oorschelp der vrouwen heengaat. Het sieraad zit wel vast in den hoofddoek, maar wordt toch door het oor ook vastgehouden. En, naar ik hoor, gebeurt het vaak, dat bij het gebukte werken op den akker, zulk een ornament losschiet, en de oorschelp doorscheurt.
Vrijmoedig als de Bataks gelukkig nog zijn, kwamen mannen, vrouwen en kinderen op ons toe, vroegen van waar en waarheen en wat wij kwamen doen, en boden ons een dronk aan: het zoete water uit eenige klappernoten, die een jongen rap uit den boom ging halen.
Zij zagen er welvarend en weltevreden uit, goed-hartig ook, niettegenstaande het donkerende van dat over de oogen uitspringende en licht-fronsende voorhoofd. En de kleine kinders, dik-gebuikt en piep-smerig, waren allerliefst. Door kippen, honden en horden pikzwarte varkens heen brachten zij ons naar de plek, waar de omheining overgeklommen kon worden. En wij kregen een vriendschappelijken groet mede op de weer voortspoedende reis naar de hoogvlakte. Een goed uur later hadden wij haar bereikt--een gedempt-groene, hemel-wijde rondte binnen een kring van in verte verflauwende ketens en toppen, waar boven uit, majestueus, twee bergkolossen rijzen: de harmonisch-aan stijgende Sinaboen, de schoone kegel, in het Zuidelijke Westen; en in het Noord-Oost, geweldig met zijn gescheurde toppen en fel-bleeke zwavel-schacht, de Si-bajak, wiens naam "de Heerscher" beduidt.
Onder de Karo-Bataks
In gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier voor emmer, schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje van het dorp naar de rivier af. Ons ziende, bleven zij staan. "Eh, zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan Besar zijn meegekomen?" Eene riep terug: "Dat zijn geen mannen, maar vrouwen!"--"O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij noemt mannen vrouwen!"--"Neen, vaders-zuster, ik spot niet! Die twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen." Al de vrouwtjes begonnen te lachen. Wat? Geen sarong noch slendang aan, en geen doek op het hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg, en op den openbaren weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem, en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen, geheel en al niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande naar eigen wil--dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes, wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner wicht op den rug zwoegden, moesten er om lachen.
Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen geweest tusschen Hollanders en Bataks.
Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor ten Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo, die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische beschouwsters bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.
Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de regeling der toestanden door het gouvernement leefden zij in hun dorpen onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo lang het hun goed docht. Het beginsel van erf-opvolging bestond; maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,--en doorzette--dat de best-geschikte hoofd werd. Die geschiktheid bestond in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest welbespraakt zijn. Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen, van houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder hoofd trad daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij een goed advokaat was. Verder werden geschillen, die op die vreedzame wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering was niet bindend; alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij het en trok van leer. In het gevecht van dorp tegen dorp, (dat evengoed particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het was in alle dingen één voor allen en allen voor een bij de Bataks), was, alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan bleven zijn aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de op erf-opvolging gegronde aanspraken van mededingers. Te Kaban-Djahe, het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door landbezit en opkomenden handel wel kan gelden als hoofdplaats der Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd vertoonen, de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij zijn bekend onder de teekenende namen van "de Grove" (Pa M'Belgah) en "het Lampje" (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk, elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje zegevierend te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door den "Grove" uitgevochten zijn menigvuldig in en rondom Kaban-Djahe.
Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond, waarin een man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij in de beenen. Er vielen niet vele dooden bij die "oorlogen," het was veel geschreeuw en weinig wonden. Maar de schade aan veld en vee toegebracht was dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij kwamen, wanneer het met zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de "condottieri" der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer zaak. Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo's waren van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen heug en meug, omdat ze niet anders durfden. De Atjehers waren vechtersbazen, hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten betaalden zij zichzelven onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust, van voortdurend gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de annexatie. Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere, begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het waren maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel meer dan een schijn van verzet. Eéne voorwaarde echter stelden zij allen, zonder uitzondering, en met den meesten nadruk: de grond moest hun eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij wilden geen toestanden als in het benedenland, waar de sultans het land verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden legden zij zich zonder meer bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op den duur nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren [22]. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen, toenemend vervoer en volle markten.
In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en last-dier. Dáárvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in heerendienst? Bij dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet, als een Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen zij op het kantoor van den ambtenaar. "Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach, mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje! Hij moet werken! werken met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen, zooals het toch de plicht is van ons vrouwen!"--Zij hebben de bakens verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: "Mijnheer, wilt u zoo goed zijn en mijn man eens manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!"
Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men mag wel zeggen géén bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door beddingen, diep ingesleten in den lossen tuf-grond. Van de heuvels af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en geboomte tusschen het lichte groen van den alang-alang. Er is weinig plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Baliërs. De Batak bouwt op drogen grond. In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput, zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien, is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond, en ook beter gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet, bespaart de Batak zich die inspanning en maakt een rijstakker door een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te steken. Eenige jaren achtereen geeft de grond hem dan vanzelf vrucht genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan er heen, een heele schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande, stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende bewerkt. Het is een zonderling gezicht, zulk een rij den grond "omstekende" vrouwen; met hun lange staken lijken zij lans-draagsters, zich oefenend in een spiegel-gevecht.
De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt--immers de hitte doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,--bedreigt ook nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren woudrijkdom is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als waaronder tegenwoordig Italië lijdt--vermindering van regenval, en, bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens tegengehouden waterstroomen. Dit, om nog te zwijgen van het gebrek aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen de natuur-mensch, zorgeloos. En zelfs strenge straffen helpen maar weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.
De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen, dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen geven klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer de rijstdiefjes niet, verschrikt, zéer verre blijven.
Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest van het jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij om te gaan helpen.
De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen alles in een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan, en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid, aarde, alles in een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast, voert den lichten afval mee; en de korrels vallen op een hoop.
In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk blok is de voltooiing van den arbeid.
Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook. Maar daarvoor zouden andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter zal de Westerling er moeten brengen.