Chapter 16
Dat alles komt hierheen, om den arbeid in de tabakstuinen. De Chineezen zijn de eigenlijke arbeiders, de verbouwers van de plant; de Bengaleezen de hoeders en verzorgers van het trekvee; de statige Sikhs, (wier imposant uiterlijk volslagen gebrek aan moed en kracht schijnt goed te maken) de wachters; de Javanen doen het grondwerk, hun vrouwen het sorteeren van de bladeren in de schuur; de Bandjareezen zijn de timmerlui en huisbouwers. Als een zuigende maalstroom werkt het bedrijf, die van rondom alle wateren zijn kolk in trekt. Onder de Europeanen, onnoodig te zeggen, een overeenkomstige mengeling van nationaliteiten, als blijkt uit de namen op kantoren en winkels; veel Zwitsers en Zuid-Duitschers, veel Schotten en veel Engelschen. De Engelsche invloed doet zich het sterkst voelen. Er is iets Engelsch zelfs in het uiterlijk der stad, met die wijde rechte straten en, binnen banden van asfalt, het prachtig-onderhouden, schitter-groene gras.
Buitengewoon interessant om waar te nemen is die malende rassen-kolk, door een sterk bedrijf in werveling gehouden, en gespijsd, jaar op jaar, met stroomen van honderden uit het westen, van tien duizenden uit het Oosten. Wat daar nog eens uit te voorschijn zal komen, boven en behalve geld?
Tabak in Deli
In ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand ons Westerlingen scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk van de Delische tabakscultuur. Maar van de tienduizenden die dat werk verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de verklaarders. Ook al kende hij de vele talen van die menigten van Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans, Bandjareezen, Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven oordeelen. Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige belangstelling in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van het standpunt van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling zal niet anders dan een éenzijdige kunnen wezen; voor meér geef ik ze niet.
Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op het oogenblik voor de wereldmarkt werkt: de tabaksteelt op de Oostkust van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man die, op Java zijnde, toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging, in een Chineesch vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning inrichtte die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde f 0.50 per pikol tabak de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest omzien naar ander werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap hadji's te Penang overgebleven. [16] Maar de hadji's wilden veel liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met Chineezen uit Singapore. Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees hielpen over dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,--de aflevering van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke reusachtige afmetingen zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou voortbrengen--een industrie in een nieuw land met uit den vreemde binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.
De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen. Bij getalen werden maatschappijen opgericht. [17] Het werk ging nu in het groot.
De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,--oerwoud doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken, die in vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg vertragen; in poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren duizenden en tienduizenden arbeiders noodig om in die woestenij ruimte te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een verhuizend volk uit alle omliggende landen waar honger geleden werd naar Deli: uit Britsch-Indië, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit Europa ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland, uit België, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs (als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia) kwamen arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de financiers-groepen in de verschillende landen die hun kapitaal in de nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders met de hand. Tusschen de strandmoerassen en het barre gebergte, omringd door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig naar alle zijden gelden.
Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen, aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie Riouw; tot een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats en de overige tabakvoortbrengende streken als onderafdeelingen. Het Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan, die voet voor voet moest wijken. De regeering trok de rechten aan zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder Nederlandsch gezag en recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht in de Nederlandsch-Indische schatkist de al aanzienlijker bedragen der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die om zijn vijandschap met dien van Siak belang had bij een leven in vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes zich tegen die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen, kwamen troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit, en nieuw land werd voor hen opengesteld.
Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was opgericht. In het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe organisatie tegenover de regeering te staan in zake de verhouding tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering die wilde regelen oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties van 1880, '91, '97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden treffen.
De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer. Een dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar niet recht. De Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche durf-allen en den Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor zou er niet gekomen zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En zulk een volharding, geestkracht en mate van wetenschap stelde zij tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke moeielijkheden der natuur van het moerassige, zwaar overgroeide land, dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven Belawan met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend langs drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911 het transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim 400.000 ton vrachtgoederen. [18] Een begin is gemaakt voor een verdere uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in het Oosten der Bataksche hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport voor hun producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels heeft dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven tot de hoogvlakte en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon; en het telegraafnet heeft bijna 200 K. M. lengte.
Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De jaren van 1884 tot '92 waren de magere die op zoo vele vette volgden, en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen ging alles wat buiten het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei kon van zeventien ondernemingen maar eén enkele in stand gehouden worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht "voor hulp-behoevende Europeanen." Er was geen geld, er was geen werk, en het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis op de tabaksmarkt van '92, die op een jaar van misoogst, van lage prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er weer bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf in Holland toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij: zij verbeterde te allen kant haar methodes, zij verbeterde haar gewas, zij verbeterde haar arbeid. In '88 al had de organisatie der planters, ijverend voor altijd ruimer immigratie van werkvolk uit China, het Immigrantenbureau opgericht, waardoor regeling en nauwkeurige contrôle en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum Swatow tot stand kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend besmette streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan. Op de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met de beste zorgen en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige meest menschlievende planter het niet bereiken, dat een zieke koelie naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming, noch voorkomen dat zijn ziekte de oorzaak werd van de ziekte van wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke krachten werden vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der tropische ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.
Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen ineen om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen tot wering onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.
Tegelijk en op dezelfde wijze--die van wetenschappelijk onderzoek en proefneming--gingen zij aan de verbetering van de geheele cultuur. Er werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in het laboratorium begon de arbeid met nieuwe methoden om de ziekten der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en om de voorwaarden van haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele andere belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het was een stad geworden, éenig in Nederlandsch-Indië, een stad met "Europeeschen" zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven voorzien; en met een gehéél eigenaardig kenmerk: de jeugd van alle Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit--dat er geen oude menschen zijn in Medan noch in Deli--weer een uitwerking van den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter tijd dan elders geld genoeg verdienen om verderen arbeid in de tropen onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar gaan zij naar hun geboorteland terug, niet denkend aan "ver-indischen" en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo is de volk- en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli in 1912.
Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten. En daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht, toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu, dan zij twintig of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben gehoord van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa; zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en bewust of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan en den Soendanees uit een afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen uit den binnenlanden van Borneo en het Sumatraansche gebergte is het koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de Chinees is tot politiek bewustzijn ontwaakt.--Hoe zal dat alles Deli aandoen? Alleen dáarover is verschil van gevoelen: over de wijze van de inwerking. Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.
Tabak en Tabakkers
Toen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode waas van den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken waar zij het blad afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden naar de droogschuur droegen, was het Chineesche koelievolk aan den arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit den blakenden zonneschijn, zaten de Javaansche vrouwen het blad te rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot op manshoogte boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin; en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.
Ik kwam terug in Juli; toen was de "schuurtijd" begonnen. Het volk, dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had geloopen, was bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur; en in de fermenteer-schuur ook was de tabak, die op die velden gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld als hooischelven, stond de oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele rij er om heen, zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op kleur; terwijl een menigte vrouwen op den verhoogden vloer in het midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak, die afgebroken en in een andere schikking der bladerbundels weer opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten de beoordeelaars, Chineesche mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord te spreken, met een tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan, bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels werpend. En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de laatste voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van het stoomschip dat de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.
De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd, was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en Maart. Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor de stapels gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken voor het gesorteerd en voor de tweede maal gefermenteerd was. In negen maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds waren op het veld de arbeiders al weer aan het werk die de velden bereidden voor een nieuwen oogst.
Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden verricht, arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met de suiker. Maar inplaats van de complicaties door machinalen arbeid en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren van anderen aard, ten deele van de teelt op zichzelve, ten deele van plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.
De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt een voortdurend verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies en van de schuren voor het drogen van het blad. Drie jaar lang kunnen de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der "plantwegen" waarop het gewas wordt geteeld, ligt verdeeld in drie strooken, die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde veld-strook afgehaald, dan begint de verhuizing-in-'t groot. Een nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar lang braak heeft gelegen: en mèt het werk gaan de werkers en het werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een jaarlijksche: in den "schaar-tijd" komen alle assistenten (op één na, die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen in de huizen gelegen op het "emplacement," d. w. z. het terrein rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden en een gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd, den arbeid van een groote menigte volk- en hooge uitgaven.
Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, teweeggebracht door de oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij was: de ontstentenis van inheemsch werkvolk, en de noodzakelijkheid van te werken met uit den vreemde geïmporteerde arbeiders van verschillende en ten deele onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!--in de toekomst.
Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw (waarvan altijd maar 1/8 in bewerking onder het heerschende stelsel van bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur en van vier tot zes employé's, een volk van duizend arbeiders, mannen en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn vijfhonderd Chineezen, mannen alleen. De andere vijfhonderd, allen of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders, zijn, Javanen, Boegineezen, Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen heeft elk een eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed als eigen gewoonten en zeden die het geëerbiedigd wil zien, en eigen vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van eigen ondeugden, waarmee rekening gehouden moet worden.
De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De Chineezen wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters, "tandils," die weer onder een hoofd-tandil staan. Zij hebben een tempel op de onderneming; en een theater (in den trant van de zeventiend'-eeuwsche theaters van Londen gebouwd) en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling gescheiden. Naar Deli komen Chineezen van drieërlei ras: Hailokhong, Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden dateerende verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en jong-Chinees, keizersgezinde en republikein. Verder zijn allen, zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden neerzitten rondom het matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als doodsvijanden naar de keel vliegen aan het eind van het spel. De administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om moord en doodslag te voorkomen bij nachtelijke opstootjes in het speelhuis.
De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles op zijn Javaansch is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur, maar wel eigen mandoers en ook eigen velden voor rijstbouw. Zij dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan dezen in speelschulden. Zij zijn min of meer getrouwd onder elkaar (dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke veroorzaakt rare duikelingen, vooral als de evenwicht-verstoorders, als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.