Natuur en Menschen in Indië

Chapter 15

Chapter 153,848 wordsPublic domain

De export-cijfers van Bandjermasin toonen hoezeer de copra-handel toegenomen is in den allerlaatsten tijd. In 1909 was de uitvoer ruim twee millioen pikol: in 1911 was het ruim vier millioen. Dat komt alles door inlandsche kooplui van inlandsche planters. Zóo als Kendangan zijn er een menigte dorpen in de Zuidooster-afdeeling van Borneo, die geheel en al van deze teelt en dezen handel leven. De inlander heeft daarmee, blijkbaar, een groot voordeel gewonnen. Maar dat voordeel heeft zijn nadeel, en geen gering nadeel ook. De loonende en geen werk hoegenaamd eischende klapperteelt heeft den rijstbouw overbodig gemaakt en tegelijk daarmede de inspanning, de orde en het gemeenschappelijk overleg van het landbouwersleven. De luiheid van den natuurlijken mensch heeft zich in den Bandjarees--niet in de vrouwen, wel te verstaan, maar in de mannen--ontwikkeld tot wat werkelijk een zedelijke ziekte mag heeten. Het is hem een genot den geheelen dag en zijn geheele leven lang absoluut niets te doen. De aap plukt de klappers; de vrouw splijt ze; de zon droogt ze; de voerman haalt ze op; hij zelf ligt op zijn mat en neemt het geld er voor aan. En dan gaat hij pleizier maken. Dat wil zeggen: drinken, dobbelen en wedden bij hanengevechten. Het eind van de pret is gewoonlijk vechten. Daar heeft hij zijn "parang" voor--zijn gesmeed mes uit Negara, dat bij het handvat smal is en aan het uiteinde breed, en waarvan de slag door dik hout en door vleesch en been al even gemakkelijk gaat. Een geschil over een paar duiten bij het dobbelen, een slok palmwijn of bier uit den toko van den Chinees te veel, een extra venijnige slag door den eenen vechthaan den anderen toegebracht--en het mes wordt uit den riem getrokken. Naar ik hoor hebben de vechtersbazen langer tijd noodig voor hun genezing tegenwoordig dan vroeger: het bier en de met allerlei chemicaliën geurig en kleurig gemaakte foezel, waarop zij zich onthalen, beginnen hun werking te doen gevoelen, zelfs op deze ijzersterke gestellen.

Om het verleden te treuren geeft niet veel--maar men zou aan de verleiding toegeven, tegenover zulke toestanden, en wenschen, dat men de noodzakelijke ontwikkeling der feiten kon tegenhouden en den Bandjarees weer maken tot wat hij was, voor de Westerling in zijn land kwam.

Pasar-dag op het groote plein van Kendangan, dat geheel vol ligt met uitgespreide copra, [15] waar de opkoopers, met hun scherp kijkende oogen, keurend doorheen gaan; terwijl langs den landweg op lange rijen de volgeladen ossenkarren er aan komen en op de rivier de prauwen zoo dicht naast elkaar vastgemeerd liggen, dat zij een breeden vloer vormen over het water: dat ziende, krijgt men pas een voorstelling van de rijkdommen van dit land en van de beginnende ontwikkeling onder dat deel van het volk, dat aan de oude trage sleur van het inlanderleven zich heeft onttrokken, om met dien natuurlijken rijkdom zijn voordeel te doen. Op Java ziet men zoo iets niet. De rijkdom van het land is, misschien, grooter nog. Maar die er van profiteert is de Hollander en de vreemde Oosterling.

Hier zijn geen, of bijna geen Arabieren; maar weinig Chineezen; handeldrijvende Hollanders of andere Westerlingen evenmin. (Eén enkele, hoor ik, woont te Kendangan). Handelsman is de Bandjarees zelf.--Men kan, geloof ik, wel zeggen, dat hij dat geworden is in den omgang met Arabieren in hun eigen land. Komt men op den pasar, dan ziet men het plein als in tweeën gescheiden: de eene helft is voor den kleinhandel, echt-Inlandsch, zooals men het precies zoo op Java of op Bali zou zien: etenswaar, medicijnen, bloemen, stukgoed, snuisterijen; daar krielt het van vrouwen en van slenterende, sigaretten rooken de, koekjes etende en "stroop" drinkende mannen; ook al weer precies als op Java. Maar de andere helft, dat is het terrein van den groothandel. Het is er leeg, in vergelijk met de stampvolle klein-markt haast verlaten. Maar ieder van die mannen, die hier met een opschrijfboekje en een linnen geldzak rondgaan tusschen de met copra volgeladen ossenkarren, verhandelt alléén zooveel als een paar honderd van die klein-venters en koopers. En het treft dat bijna allen den hadji-tulband dragen. De tocht naar Mekka is hun studie-tijd in de wetenschap van den handel geweest.

Niettemin dient gezegd dat Mekkagangers gevonden worden ook onder gering en arm-gebleven volk. Zelfs vrouwen ziet men met den om de slapen gevouwen sluier der hadji's die zwaar werk doen. Maar over het algemeen kan gezegd, dat de èchte Maleier, de niets-doener, de dobbelaar en liefhebber van hanengevechten, die naar den pasar gaat als naar een feest, terwijl zijn vrouw naast hem zwoegt met een mand op den rug, die zij aan een zeel over het voorhoofd spannend draagt,--dat die de thuis-blijver is. Terwijl de Maleier van het nieuwe slag, die naar den pasar gaat om geld te verdienen, die copra opkoopt en boschproducten, en in zijn eigen prauw naar Bandjermasin brengt, en die daarvandaan terugkeert met rijst uit Rangoon en winkelwaar uit Europa,--dat die de Mekka-ganger is. Op de markt te Kendangan ziet men de twee typen naast elkander.

Langs de Barito

Van Kendangan terug naar de Barito, die ik tot Poeroek Djahoe op wilde varen, tot in het hart van Borneo toe, nam ik inplaats van den land-, den waterweg, die door een geheel systeem van riviertjes, beken en kanalen gaat. De prauw was telefonisch besteld uit Negara (zoo zonderling zit hier oud en nieuw dooreen). Een matras, een kussen, een muskieten-tent en een provisie eten en drinken voor den dag maakten er een geriefelijk woninkje van. Het binnenkomen had zijn moeilijkheden: de opening tusschen dak en prauwrand is maar laag: men moet kruipend er door en tegelijk precies in het midden den voet zetten om de prauw in evenwicht te doen blijven. Veel ruimte is er ook niet. Althans niet in het verticale; men kan niet anders dan liggen of, eenigszins bukkend, zitten. Maar met dat al bevond ik deze wijze van reizen een alleraangenaamste. Het is betrekkelijk koel op het water; geen stof; geen muskieten binnen het zorgvuldig vastgemaakte gordijn: de prauw maakt een zachte schommelbeweging op den maatslag van de riemen, die uit het groenige water blanke fonteintjes opwippen; rechts en links glijdt het bedrijvige leven voorbij van de rivier, en de oevers maken daar een lijst langs van stammen, tot halver hoogte gezien, aanlegplaatsen, badhuisjes, buurten van op palen staande hutten, waar naakte kinders omheen spelen. De prauw vaart midden tusschen badende vrouwen door. Van een vlot, waar een man languit ligt te rooken onder een muskieten-gordijn, dat als een draperie schuin weggeslagen in plooien afhangt van het atapdak, terwijl zijn kameraad met een vlag-vormigen waaier van gevlochten vezel een houtskolenvuurtje aanwakkert onder den kokenden rijstpot, worden de roeiers aangeroepen met een vraag waarvandaan en waarheen. Van bruggetjes, waar wij onderdoor glijden, kijken, vroolijk en nieuwsgierig, gezichten naar beneden. De Bandjarees is vrijmoedig: de tegenwoordigheid van een Hollander belemmert hem niet. Mijn roeiers en het volk op prauwen, vlotten, steigers, brugjes zijn doorloopend in gesprek. De reis, die van halfacht 's ochtends tot ruim tien uur 's avonds duurde, was zoo vol vroolijkheid en afwisseling, dat ze mij geen oogenblik te lang leek.

Te Marabahan kwam ik weer aan boord van den kleinen Paketvaartstoomer, de Negara. Rechts en links had zij een breede laadprauw aan zich hangen, vol volk en vracht, die zij van Bandjermasin en de tusschenliggende plaatsjes af de rivier opsleepte, het binnenland in; tot daar waar de stroomversnellingen, gevaarlijk tusschen de steenbanken en zandplaten der bedding, het meevoeren van zulk een last onmogelijk maken, hield zij die twee prauwen bij zich, als een vogel onder uitgespreide vlerken haar jongen. En onder al de drukte van lossen en laden, landen en aan boord komen door, hadden wij van het dek der Negara af altijd-door het schouwspel van geregeld zijn gang gaand, huiselijk inlanderleven op de prauwen. Over den rand heen werd in de rivier gewasschen en gebaad; op uitgerolde matten werd geslapen en gedobbeld; vrouwen zaten elkanders haar schoon te maken; kinderen speelden op de stille manier van hun slag; tegen zonsondergang verschenen mannen op de plecht, spreidden een matje uit, en verrichtten met knielen, terneerbuigen van het voorhoofd tot den grond toe, en weder opstaan, het Moslemgebed. En tot driemaal per dag toe--het was almee bij wijze van tijdverdrijf, denk ik--werd er gekookt en gegeten. Zij hadden--mannen zoowel als vrouwen--kleine draagbare oventjes van gebakken klei bij zich, zooals er te Negara gemaakt worden: daar ging een houtskoolvuurtje in en de rijstpot of de pan met toespijs boven op. Die toespijs was meest "terasi"--een gegiste brij van visch. De Maleiers hebben een spreekwoord: "gekookte terasi, gebakken terasi, het is eenerlei, het eene stinkt zoo erg als het andere:" het spreekwoord heeft gelijk.

Van Marabahan naar Poeroek Djahoe is het vier dagen stoomen: de eerste drie blijft het landschap hetzelfde. Het is al maar oerwoud. Hier en daar is een bres gekapt in den eentonig-groenen hoogen wal. Daar staat een gehucht van bruine huisjes, met een landingsplaats, waar volk staat te wachten op de boot. Er liggen rijstvelden links en rechts, op de primitiefste manier ontgonnen in het woud: door verbranding. De geblakerde stompen der afgehouwen boomen steken zwart op uit het groen. Het dorpje en het ruige veld glijden voorbij en weer begint het oerwoud. Geen teeken van menschelijk leven valt er waar te nemen. Maar het is er, niettemin. Een volk van woudloopers is hier doende met het kappen en omlaagrukken van den wilden rotan, die in gewrongen bundels en trossen van als touw zoo taaie stengels door het geboomte geslingerd hangt; met het zoeken van gom- en harssoorten, en met het inzamelen van de was en den honing der wilde bijen, die hun zwartige, op groote zakken gelijkende nesten ophangen aan de takken der "kwala"-boomen. Hier en ginder ziet men een enkelen van die bijzonder hooge boomen, verdonkerd door de nesten der bijen, boven het omringende groen uitsteken; en dan hoort men hoe hevig en lang er om zulk een boom gevochten is. De was wordt hoog betaald, met tot f 90 per pikol toe; en de hoeveelheid is aan het slinken, te oordeelen naar de exportcijfers van Bandjermasin, die voor 1909 een hoeveelheid aangeven van ruim 16.000 K. G. en voor 1911 slechts ruim 4000: vandaar al die strijd. Ook de getah, die uit bast getapt en uit bladeren gekookt wordt, gaat, over het geheel gerekend, achteruit in hoeveelheid: van ruim 100.000 pikol in 1909, daalde ze tot ruim 70.000 in 1911. Waarschijnlijk niet omdat er niet meer is in het bosch, maar omdat dat meerdere onbereikbaar is, zelfs voor Bandjareesche woudloopers. Als er eens een begin gemaakt werd met regelmatige exploitatie--ja, dàn!--De rotan is, ook op primitieve wijze ingezameld, nog overvloedig loonend. Overal ziet men de dunne buigende stengels met hun wimpelende bladers boven de boomtoppen uitsteken. Het lijkt wel of ze te sneller aangroeit, naarmate er meer van gekapt wordt. Van ruim 42.000 pikol in 1909, steeg de export tot ruim 47.000 in '11 van dunnen rotan, die in opgetroste pakken wordt verkocht: geheele heuvels van zulke pakken zag ik op de landingsplaatsen liggen: de prauwen waren er volgeladen mee op den terugtocht naar Bandjar; in de zwaardere soorten, de rotanstokken, is de vooruitgang nog beter te zien: van ruim 40.000 tot ruim 1 millioen stuks. Ook de voorraad hout is onuitputtelijk: geen nog zoo rauwe manier van roofexploitatie kan daar een merkbare vermindering in brengen. Bij honderden en nog eens honderden drijven de stammen, tot vlotten samengebonden, de Barito af, en al haar zijrivieren. Meest wel bamboe en allerlei wildhout; maar dikwijls toch ook is aan het diepe inzinken van het vlot te zien, dat er vele stammen van edele soort tusschen zijn; djati en de verschillende soorten die onder den naam van ijzerhout bekend zijn niet alleen, maar menigten van andere, nog nooit in Europeesche havens ingevoerd, en die toch prachtig materiaal voor bouw- en zelfs voor schrijnwerk zouden zijn. Jaren geleden al werden mij door een houtvester op Java monsters getoond van Borneo-hout, dat hij op zijn reizen, de Barito op, meegevoerd had, achter zijn prauw aan; gevlamd, geplekt, met donkere rozetten geteekend, fijn gestreept, gesterreld hout, in de prachtigste tinten van goudgeel tot zwart toe, met allerlei spelingen in het roodachtige, het grijze, het paarse zelfs. Hij had zijn best gedaan om er een markt voor te vinden in Holland en was niet geslaagd. Het gezicht van al die vlotten riep de herinnering wakker en den wensch naar nieuwe pogingen en beter uitslag. Als men denkt aan de armoe van Holland juist aan goed hout!

De zwarigheid zit waarschijnlijk in het vervoer: bij tijden is de Barito zoo laag, dat zelfs vlotten blijven liggen. Zeker is het deze omstandigheid, die de exploitatie tegenhoudt van de steenkolenbeddingen langs de oevers. Waar de grond begint te rijzen, naar het gebergte toe, komen die aan de steilere oevers te zien. Groote brokken steenkool liggen voor het oprapen tusschen het struikgewas. De Negara deed er haar voorraad van op. De steenkool is, hoor ik, niet zoo goed als de Engelsche, maar veel beter dan de Japansche, en zou de exploitatie zeker rijkelijk loonen, kon ze maar vervoerd. Maar daar zit 't hem. De waterweg is gebrekkig; een landweg is er niet. Een Hollandsche maatschappij, die de zaak begon, heeft haar moeten opgeven. Een Chinees doet het nu in het klein.

Op den tocht naar boven kregen wij een bewijs voor oogen van de moeilijkheden der vaart op de Barito: een Chineesche stoomboot, gestrand op een zandbank. We vernamen dat zij daar al sedert drie maanden zit, met geen geweld weer vlot te krijgen. En zelven ondervonden wij de weer-strevende kracht van den stroom bij de groote versnellingen rondom het midden in de rivier gelegen eilandje, Poeloe Asoe. Viermaal werd de stoomer teruggeslagen van de wervelende water-glooiïng, en eenmaal zoo dicht tegen den oever aan, dat takken en kruinen van boomen met gekraak over het geheele dek schoten: de vijfde poging eerst bracht de Negara in het weer gladde water bovenstrooms, veilig uit het gevaar.

Zóó is de toestand; een schatrijk land, een volk voor ontwikkeling vatbaar; een begin van Westerschen handel, die ook voor den Inlander van voordeel en nut zal kunnen zijn; maar voorshands alles nog belemmerd en stokkend, omdat het eerst-noodige ontbreekt: voldoende middelen van verkeer.

SUMATRA

Aankomst te Medan

Aan boord van de "Rumphius" al--(en o! hoe heeft het me gespeten, dat de reis niet langer duurde, en ik geen tijd had voor het volle genot van al de mooie dingen in die nieuwe drijvende "rariteit-kamer," die schilderachtige zeventiend'-eeuwsche figuren langs de wanden, en die prachtige vogels, al dat loover, kruid en gebloemte, en die blazoenkleuren tusschen namen en jaartallen glorend op glas, waarmee Lion Cachet een waardige omgeving heeft gemaakt voor de beeltenis van den grooten natuuronderzoeker, die ook een geschiedschrijver was, den Blinde, die zooveel meer dan eenig ziende zag!) Nu dan, aan boord van de "Rumphius" al krijgt de naar Medan stevenende reiziger een voorgevoel van de belangrijkheid en snelle ontwikkeling der stad en tevens van het voorloopige van sommige Medansche toestanden. In den meest letterlijken en lichamelijken zin krijgt hij dat gevoel: namelijk als het schip begint te slingeren. En dat zit zóó: het verkeer van Medan is in den laatsten tijd verdriedubbeld; de schepen moesten driemaal meer ruimte hebben dan waarmee zij vroeger konden volstaan; en om rustig op het water te liggen, heeft een groot schip een bepaalden diepgang noodig. Maar tegen zulk een diepgang is de ingang der Medansche haven, Belawan, door een zandbank versperd. En daarom moeten schepen breed zijn en plat, en slingeren, Medan en de zandbank ter eer. Niet lang overigens zal het meer behoeven. Een begin is al gemaakt met het groote werk, dat Medan een haven zal verschaffen zóo als de stad die behoeft. Belawan heeft al den trek van het nieuwtijdsche en grootscheepsche in zijn ruimen--en toch reeds te eng blijkenden--aanleg, in zijn gedrang van reizigers en koelies, in zijn hooge en breede viaduct vooral, dat kenteekenende bouwsel van een verkeer, waarbij de ren der donderende treinen den mensch geen plaats meer laat op den beganen grond. Te sterker treft, daarna, de eenzaamheid van de streek, waardoor de lijn naar Medan loopt. Alles moeras-poelen, plassen, laag struikgewas, slingerplanten, een groep hooge boomen, verloren staande hier en ginder. Watervogels reppen zich klapwiekend weg voor den trein. Geen menschelijk wezen is ergens te zien. De spoorbaan is de eenige weg--een eindeloos-lange brug van de haven naar het vasteland. Eindelijk is het bereikt: de grond begint te rijzen. Kleine stations, elk met een groepje huizen erom en er achter, staan op langs de lijn, vestigingen, vroeger van Hollanders, sedert lang al voor Medan verlaten en nu door inlanders en Chineezen bewoond. Zijwegen loopen het land in naar de tabaksondernemingen, tegen den voet van de heuvels gelegen, die, naar het Westen toe, in al hoogere klingen opstijgen naar de blauw tegen de lucht glanzende toppen der Bataksche bergen. Dan komt, blinkend van nieuwheid, het stationsgebouw van Medan.

Geheel anders is de stad dan eenige andere in Indië. Alles er aan is nieuw, frisch, op bedrijvigheid berekend en verkeer. Het is goed te zien dat de bouwers de handen vrij hebben gehad en ruimte naar allen kant, in den letterlijken zin en ook in den overdrachtelijken. Een goede dertig jaar geleden was hier niets dan woud en wildernis, waar een rivier breed doorheen stroomde, en, ergens in de verte, een Maleisch vorstje, niet veel rijker noch beschaafder dan het half-wilde, half-boersche volk, van wier schatting-duiten hij leefde. Het nieuwe bedrijf, dat van die wildernis een voor de wereldmarkt teelende landbouw-streek zou maken, vond nergens hinderende grenzen, noch machtsverhoudingen, sterk genoeg om het te dwingen tot concessies met zijn wezen en behoefte in strijd. Het "paleis" van den Sultan--of beter de paleizen, want hij heeft een nieuw gebouwd voor het oude, waarin hij zich niet thuis voelde, en zijn harem is in een afzonderlijk, groot, getorend en gekoepeld gebouw gevestigd, en ook de "troonopvolger" heeft een eigen, statig verblijf--de paleizen van den Sultan, en de groote school voor zijn en zijner verwanten kinderen, en het rechtsgebouw, waar de rechtspraak in zijn naam over een (al verminderend) aantal onderdanen wordt uitgeoefend, en, ten slotte, de groote, waarlijk prachtige moskee, zijn blijdschap en trots, met haar vijf koepels en slanke minaret, waarvan des avonds het gebed der Moslemin af klinkt: die geheele steenen sultanspracht is, inderdaad, het zegeteeken van den tabaksbouwer.

Uit de grondpacht van de altijd door zich uitbreidende ondernemingen, uit de sommen door de Nederlandsch-Indische regeering uitgekeerd als vergoeding voor rechten, die zonder tabaksteelt en tabakshandel nooit anders dan leege woorden waren geweest, uit de algemeene welvaart door het nieuwe bedrijf ontstaan, is dat alles verrezen. De opvolger der boersche Maleische vorstjes van voorheen zou zich kunnen noemen: Sultan van Deli, bij Tabaks genade. Het geval heeft zijn komiek-in-grooten-stijl:--en zijn zwarigheden....

Medan, dan, is een stad in den Europeeschen stijl van nieuwe steden. Het heeft een winkelwijk, waar aan weerszij van de breede straat groote met spiegelruiten blinkende winkels staan, vol nieuw, duur goed; het heeft een waterleiding, die tot in alle hoeken van de stad een koel, kostelijk-helder water brengt, op de bergen ontsprongen en door een natuurlijken filter van zeventig meter hoog zand gezeefd; het heeft electrisch licht in de huizen en langs de straten; een villa-wijk, waar langs de schaduwige lanen de huizen te midden van grasvelden en bloembedden liggen; een plantsoen; een wijd, door groote en hooge gebouwen omringd plein, waar in het koele van den dag voetbal-spelers en tennissers bij menigten aan het spel zijn. Zelfs de geringe buurten, als die der Chineezen en die der Britsch-Indiërs, hebben lucht en licht en een algemeenen schijn van zindelijkheid, van welvaart zelfs. Het ziet er alles wèl-verzorgd, nauwkeurig-geregeld, goed onderhouden uit.

In die wijde lichte ruimten is het bont van allerlei nationaliteiten. Veel Oostersch volk woelt door elkaar in de Vorstenlanden en meer nog te Soerabaja en in Bandjermasin. Maar hier in Deli zijn voor de tientallen van daar honderdtallen en uit een grooter aantal verder uiteengelegen streken afkomstig. Hier zijn niet enkel Chineezen en kooplieden uit Bombay, maar ook Japanners, Bengaleezen, Sikhs, Arabieren. Zij houden ook goeddeels aan hun eigen dracht en gewoonten vast. Kom in de Chineesche wijk en daar ziet ge de vrouwen loopen in wijde broek en baadje van glimmend-zwart katoen, met een kind op den arm, dat midden op zijn kaal geschoren kopje drie sluike vlokken haar heeft hangen en om zijn hals een tooisel van veelsnoerige goud-en-bonte kettingen. Tegen den avond komen de mannen voor hun deur een pijp opium rooken. Zij zitten in groepjes bijeengehurkt om een dobbelspel, vlak aan de straat. Door de openstaande huisdeur komt het altaar van de goede geesten en de voorvaderen te zien, met veel bloemen en verguldsel opgesmukt. Met de armen op de boomen van het lichte tweewielige wagentje, dat zij, als een paard, trekken, slenteren de hongkong-mannen voorbij, op hun gemak als in de stad waarnaar zij heeten. Het Chineesche element is sterk hier in Medan: zoo groot een bestanddeel van de bevolking maakt het uit, dat men in het openbare leven er rekening mee moet houden, en kennisgevingen, op de muren aangeplakt, in twee talen gesteld zijn: in het Hollandsch en in het Chineesch. Het Chineesche kerkhof beslaat breede strooken lands, vlak langs de stad. Er is een prachtig versierde Chineesche tempel, en de majoor-Chinees, die den drank in pacht heeft, het spel, en tot pas geleden de opium, is verscheiden malen millionair.

De andere nationaliteiten, niet zoo talrijk noch zoo machtig als de Chineezen, houden niettemin evenzeer aan hun eigen trant en gewoonten vast. Japansche vrouwtjes, hier gekomen om op de eenig voor hen mogelijke wijze, en die in hun eigen land niet veracht wordt, een sommetje te verdienen waarop zij, teruggekeerd in Japan, kunnen trouwen en een huishouden opzetten, loopen in sluiken kimono op hoog-gezoolde schoenen; een enkele duwt, moederlijk behoedzaam, een alleraardigst poppetje van een kind, ook in kimono, in een Europeesch kinderwagentje. De Britsch-Indiërs dragen ieder het kostuum van hun eigen streek. Daar zijn Sikhs, met prachtige gestalten en trotsche gezichten, indrukwekkend onder een zorgvuldig-geplooiden witten tulband, hoog als een bisschops-myter. Daar zijn Bengaleezen, zwart als brons, met een vuurrooden lap om de lenden, gemakkelijk gaande naast hun kar, een arm op den schoft van den roomwitten gebulten trekos. Bombay kooplui loopen in geruiten zijden sarong en met goud geborduurd mutsje. Vrouwen vertoonen zich getooid met een fel-gekleurde bloem in de wrong van hun golvend blauw-zwart haar, en, in beide neusvleugels, een door en door gedreven wit-beenen of wit-houten stiftje, dat van verre al zonderling blinkt in het duister van het wel-besneden gezicht. Arabieren, mager en felkijkend als havikken, loopen met naakte voeten in gele en roode sloffen, een soort witten talaar over een bont onderkleed, en een tulband. De Javanen hebben hun sarong op de traditioneele wijze geplooid, en hun vrouwen dragen de kabaja en den karakteristieken haarknoop. En ook het vele volk uit Borneo laat zich herkennen onder Maleiers en Bataks uit.