Chapter 14
Van opzij gezien, lijkt het als op een trap gebouwd: het voorste gedeelte staat op lage palen; hooger zijn die welke het middendeel dragen; daarop volgt op nog hooger palen gebouwd, een derde deel. Men begrijpt de reden van dezen bouwtrant moeilijk; tenzij dan volgens de uitlegging die zooveel zonderlings verklaart: als het uitwerksel van een oude gewoonte, die zich heeft gehandhaafd ook onder veranderde omstandigheden, waardoor haar eigenlijke reden van bestaan werd opgeheven. Aan den rivier-oever, waar stellig de eerste huizen gestaan hebben, is de doelmatigheid van zulk een trapsgewijs opklimmen der woning duidelijk genoeg: van het watervlak tot den glooienden oever, van daar tot de hoogte van den vasten wal. Men zal dien stijl behouden hebben uit sleur, voor woningen die niet aan het water stonden. Er zijn er die vijf van zulke, telkens een paar treden hooger gelegen, afdeelingen hebben.
De ruimte onder het huis is, al naar gelang van de hoogte, kippenhok, runderstal, voorraadschuur. 's Avonds wordt er een vuurtje van dorre bladers en groen rijs ontstoken. De rook die daar van opstijgt, dringt door de reten van den vloer het huis binnen en verdrijft de giftige muskieten, de plaag van dit land.
Er moet voor de duidelijkheid bij gezegd, dat de vloer van al deze huizen, zelfs van de goed gebouwde, die aan rijke lieden hooren, niet van planken is, maar van uit rotan gevlochten horden. De vezel is taai genoeg om het gewicht van menschen en huisraad (trouwens dit laatste is niet veel!) te dragen. Buigzaam echter is hij ook. Over zulk een vloer te loopen, die meegeeft onder elken stap, doet iemand wanen in een schommelende boot te zijn, en zoeken naar zijn evenwicht.
Te Negara, een centrum van inlandsche industrie, kwam ik onlangs in een smidse, waar van die groote, op zwaarden gelijkende grasmessen gesmeed worden, die over het geheele eiland afzet vinden. Het was een wonderlijke tegenstelling, de lange zware staven ijzer te zien liggen op dien onder hun gewicht inzakkenden horden-vloer. En ik vroeg me af, hoe ter wereld daar vastigheid genoeg was voor het aambeeld en de zware hamerslagen die er op neer dreunen. De oplossing van het raadsel vond ik toen ik weer buiten stond. Tusschen de dunnere palen waarop het geheele huis rustte stond in het midden een geweldige djatistam, die dwars door den vloer heenging. Het boveneinde van dezen stam was het, dat het aambeeld vormde--het eenige punt van vaststaande stevigheid in het geheele huis.
Het volk van Marabahan is, als dat van de meeste dorpen langs de rivier waar die langs oerwoud stroomt, zoekers van en handelaars in djeloetoeng (eigenlijk beloepantoeng genoemd), het wittige boomsap waaruit, onder andere dingen, ook een (minder goede) soort caoutchouc gemaakt wordt. Dit is weer geheel en al een schippersbedrijf: want in kano's gaan ze het woud in en op prauwen vervoeren zij de djeloetoeng naar Bandjermasin. Het past dus goed bij het "rivierleven" van den Bandjarees. Maar terzelfder tijd als djeloetoeng-zoekers zijn de oeverbewoners van de Barito en de andere groote stroomen van Borneo rijstbouwers: de rijst is hun hoofdvoedsel. En het curieuse is dat zij zelf dat essentieel-landelijke bedrijf van den veldbouw veranderd hebben in iets waterigs, als men het zoo mag uitdrukken. Op vele plaatsen namelijk is geen geschikte grond aanwezig voor rijstkweekbeddingen. Wat doet onze Waterman? Van pisangstammen of van grove matten maakt hij een vlot, dat hij met slib overspreidt en te water laat. Daarop zaait hij zijn rijst uit. Een tweemaal herhaalde verplanting brengt later de plantjes over eerst naar een begin van vasten grond langs den oever, dan naar het hooger gelegen veld, waarop de aren zullen bloeien en rijp worden. Zoo heeft hij zelfs zijn akker op het water.
De oude waarheid dat de mensch een wezen is, in de hoogste mate begaafd met het vermogen van aanpassing aan zelfs de ongunstigste omstandigheden, treft iemand met geheel nieuwe kracht en beteekenis bij de waarneming van zulke dingen.
Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid
Volkrijk als een heirweg is de Barito bij Marabahan.
Bij de menigten van schuiten, vlotten, prauwen, schepen, die de groote stroom heen en weer draagt tusschen bovenloop en monding, voegen zich hier de menigten van de Negara, die met haar stelsel van zijrivieren en kanalen de groote verkeersweg is voor een dichtbevolkte nijverheids-streek. Het middelpunt van die nijverheid is het groote dorp Negara, een eindweegs stroomopwaarts van haar invloeiïng in de Barito, aan de Negara-rivier gelegen. Naar het oosten, langs de vele zijstroompjes, die van noord en zuid haar toevloeien, liggen Margasari, Moeara Moening, Kloempang, de bedrijvige marktplaats Kendangan, en hoeveel dorpen en dorpjes meer nog, vol bedrijvig volk. Heen en weer, tusschen al die plaatsjes en Bandjermasin, waar, via de Paketvaart-booten en de Javaansche havens, het wereldverkeer begint, gaat altijd door de tocht van allerlei vaartuig, met lange rookwolken, die spiegelend den vloed verdonkeren, met vlaggen en spitse wimpeltjes bij dag, met lichtjes zwevend in de hoogte of vlak boven het water schommelend en een afschijn van verborgen vuur bij nacht, met riemengeplas en ver heen roepende stemmen en den schreeuw van stoomfluiten aldoor. De groote menigte van die vaartuigen zijn Inlandersschuitjes--visschersbooten, vrachtprauwen, tambangans. Maar daar tusschendoor, gering in getal, maar elk op zichzelf aan een geheele vloot van die primitieve scheepjes gelijk, gaan de sterke snelle stoombooten hun gang--die van de Koninklijke Paketvaart, van de Borneosche Industrie-Maatschappij, van de Borneo-Sumatra, van de groote Chineesche firma's, die Westersche methodes toepassen. Zichtbaar in zijn duidelijkste zinnebeeld, een transportmiddel door machinerie bewogen, gaat de nieuwe tijd het binnenland van Borneo in met het onheugelijk-oude vreedzaam in gezelschap. Den geheelen stroom langs zijn de uitwerkingen van die vermenging, eigenaardig en belangrijk genoeg soms, waar te nemen, hier wat minder, daár wat méer duidelijk. Ik had gelegenheid ze van nabij en in bijzonderheden te zien, te Negara.
Negara is beroemd hoofdzakelijk voor scheepsbouw en voor sierlijk koperwerk. Maar nog een menigte andere takken van nijverheid groeien en bloeien hier. Ten eerste alles wat met scheepsbouw verband houdt: houtzagen, touwslaan, vlechten van "atap," dak voor de groote prauwen, en hout-snijden ter versiering van stevens en wanden. Dan het maken van landbouwgereedschap, vooral van de breede, zware messen, met zulk een geduchten slag er in, waarmee de Bandjarees hout kapt en gras snijdt. Veel timmerwerk ook wordt hier gedaan: het gestoken werk, waarmee de huizen der rijken in deze streek versierd zijn, komt allemaal uit Negara. Dat alles is voor Inlander-behoef. Maar nu komt de invloed van het nieuw-tijdsche Westen met andere eischen. Voor een deel gaan die zoowat samen met de behoeften van de Inlandsche markt. De kopersmeden bijvoorbeeld, die sirih-stellen en geld-kistjes maken voor den Inlander, maken voor den Europeaan koperen siergoedje, als b.v. miniatuur-tambangans, bloemen-bakjes, sigaren-kokers, etc. etc. Voor een ander deel heeft de arbeid voor de Europeesche markt dien voor de Inlandsche bijna geheel of geheel en al verdrongen. Er zijn hier wagenmakers, die wel een grobak bouwen volgens Javaansch model, maar vooral toch zich toeleggen op het bouwen van lichte rijtuigjes, zooals alléen bruikbaar zijn op de smalle drassige wegen van het binnenland. Als model hebben zij daarvoor buggies geïmporteerd uit Amerika. En als geheel op de Westersche behoefte berekend, mag men wel de industrie van het mattenvlechten aanzien. De Inlanders gebruiken die matten wel is waar; zij slapen op een matje, zij pakken op reis hun hebben en houden in een matje; maar de verbruikers in het groot zijn de suiker- en de tabakbouwers. Verleden was de export van matten uit Bandjermasin van de ruim 7 millioen stuks, die hij bedroeg in 1909, gestegen tot 15 1/2 millioen. Van de biezen, voor die matten benoodigd, worden tegenwoordig plantingen aangelegd. Het voor de markt gereed maken van rotan ook is een op Europa berekende industrie. De vrachten geschilde, op maat gesneden en gesorteerde rotan, die op vaartuigen van alle fatsoen en slag de Negara en de Barito afdrijven--ruim 47.000 pikol rotan in bundels, ruim 1 1/8 millioen rotan stokken werden in 1911 uitgevoerd--gaan alle naar de groote meubelfabrieken in Europa.
Dat belet niet, dat werkwijzen en gereedschap nog echt inlandsch zijn: tusschen de zuiver-inlandsche industrieën, als die van den prauwen-bouw, en de voor de Europeesche markt berekende is er op dat punt geen verschil. Een prauw wordt gebouwd, een mat wordt gevlochten met hetzelfde gereedschap, op dezelfde manier, nú, als het tweehonderd jaar geleden gebeurde. En die dat doen, zijn niet een ondernemer met zijn arbeiders, maar een gezinshoofd met zijn zoons, broeders, neven, zoodat het bedrijf het gezamenlijke bezit is van een geheele familie, ook al weer naar overouden trant. Er wordt niet betaald volgens den tijd van werken, en ook niet per stuk. Maar bij verkoop van het werk deelen, volgens bepaalde proportie, zij die daaraan meegewerkt hebben in de winst. Zoo althans werd de zaak mij uitgelegd bij den koperslager, die mij als de beste in zijn vak was aangewezen, en bij een messen-smid. En het districtshoofd van Negara, die mij bij de twee bracht, zeide nog, dat dit hier zoo de algemeene wijze van arbeid- en winst-deeling was.
Dat districtshoofd, de Kjai, was zelf een merkwaardig voorbeeld van oudtijds-Oostersche en nieuwtijds-Westersche elementen in vereeniging. Hij had geheel en al het voorkomen van een Maleier van aanzienlijke afkomst, en had zich ook gehouden aan den godsdienst van zijn volk, Islam in schijn, in wezen animisme. Maar hij had Hollandsch geleerd, dat hij, wel niet vloeiend maar toch duidelijk en zelfs zonder sterk accent sprak. En hij droeg, op dien tocht door Negara, Hollandsche kleeren. Zijn zoons laat hij een Hollandsche opvoeding geven. Van zijn dochters sprak hij niet. Ik vermoed dat die, naar den conservatieven trant, het geheele Oosten door ten aanzien van vrouwen betracht, op zijn echt-Inlandsch zullen opgroeien.
De eerste werkplaats waarheen de Kjai mij bracht was die van een prauw-bouwer. In een groote loods, waarvan het los uit bladeren en vlechtwerk ineengevoegde dak de lucht liet doorschemeren, en onder de boomen van een drassig erf rondom, in het midden waarvan het huis van den scheepsbouwer op hooge palen stond, was een aantal werklieden aan den arbeid op vier prauwen van verschillende grootte. Zij hadden gereedschap van eigenaardig model, blijkbaar heel oud al. Onder andere, bijlen in den vorm van een houweel, het blad haaks op den steel gezet, waarvan zij zich bedienden als van een schaaf, en dat met zulk een behendigheid dat het harde ijzerhout zoo glad als satijn werd onder de bewerking. Op de werf werd alleen de kiel van de tambangans gebouwd; iets waaraan vijf werklui anderhalve maand werk hebben en van f 60 tot f 130 samen verdienen. De opstaande wanden zijn het werk van een ander slag ambachtsvolk; de sieraden aan boeg, wanden, pijlertjes, dat doet weer een ander; het dak, dat uit een geraamte van gebogen bamboe en een dek van vlechtwerk bestaat, maakt een derde; de arbeids-verdeeling, men ziet het, kennen de Bandjareezen al. Nog niet de vereeniging van het verdeelde in een gemeenschappelijke werkplaats.
Bij den koperslager bemerkte ik dat ook sommige toestellen en hulpmiddelen bij den arbeid hen al bekend zijn: de werkman, die bezig was een sirih-kistje te maken, had er een gemakkelijke manier op om wanden en deksel met open-werk te versieren: het blaadje koper ging tusschen twee open-werk ijzeren platen; en met een stel beitels, die precies de vormen van de openingen in het ijzer hadden, werd het koper weggestoken; in een paar minuten was alles klaar. In geen Europeesche fabriek had het meer werktuigelijk kunnen gebeuren. Het drijven van het koper zag ik niet: maar naar het voltooide werk te oordeelen, dat de bestuurder van de werkplaats--tevens het hoofd van het talrijke gezin, door het werkvolk gevormd--mij toonde, moet daarin toch wel wat meer eigen gedachte en kunstvaardigheid steken.
Het werk van den messen-smid was geheel en al ouderwets Inlandsch. Ook hij arbeidde met al zijn familie-leden samen, een paar vrouwen incluis, die de zoó bekoelde messen glad en blinkend schuurden. Zijn aambeeld stond vastgekeild in een zwaren stam, die door den gevlochten vloer der smidse heen, en door het water dat onder het huisje zwalpte, diep in den moerassigen bodem was ingegraven. En de blaasbalg, die het vuur in den leemen oven wakker hield, bestond uit een stel zware bamboe-schalmen, waaruit de dwars-schotten waren weggenomen, en waarin, door middel van een kleinen hefboom, zuigers op en neer werden bewogen. Het ijzer echter dat hij verwerkte--de rotan vloer lag geheel verzakt onder de zware staven--kwam "uit Holland" naar hij zei, met "Holland" alle verre landen aan de overzij der zee, waar blanke menschen wonen, bedoelende; het zal wel Duitsche export-waar geweest zijn. Ergens in den omtrek van Essen misschien was dat ijzer gesmolten, gelouterd, in fatsoen gebracht, door geschoold werkvolk met behulp van ingewikkelde machinerie, onder toezicht van ingenieurs, die jaren van studie en practijk aan hun werk hadden gegeven. En nu werd het hier in het binnenland van Borneo, in een vezelen huisje, half in half uit het water als een eenden-nest, door een naakten bruinen Bandjarees gesmeed tot messen, om er gras mee te snijden en takken te kappen in de "rimboe," in de wildernis. Dat was een zonderling einde na zulk een begin.
De Kjai, die mij van den smid nog naar een pottebakker bracht--daar was àlles, materiaal èn werkwijze èn bestemming Inlandsch--en toen de dorpsstraat langs, waar hij mij fuiken en allerlei vischtuig liet zien in de rivier drijvende om vangst, en daarna in zijn eigen tambangan terug naar de pasanggrahan, kwam in den namiddag, hoffelijk, weer, om een officieel bezoek te brengen. De mantri had hem gelaten in de soort vliegenkast-in-het-groot, die aan de waterzijde van de pasanggrahan is aangebouwd, als de eenige, voor muggen veilige plaats van het huis. Toen ik er binnenkwam, zat hij de Nieuwe Rotterdamsche Courant te lezen, die mij juist dien ochtend uit Bandjermasin was nagezonden, en die ik open op de tafel had laten liggen toen ik met hem uitging. Ik onderdrukte tegelijk mijn verwondering en wat ik hem had willen zeggen over dat Essensche ijzer, dat ik in Bandjareesche "parangs" had zien veranderen. Voor iemand, die de inlandsche prauwen en de stoomboot van de Paketvaart tezamen de Negara had zien binnenstoomen, was er immers, welbeschouwd geen reden tot verbazing.
Een centrum van inlandschen handel
Zooals Negara een middelpunt van inlandsche nijverheid is voor het zuiden van Borneo, zoo is Kendangan een middelpunt van inlandschen handel. Het dorp ligt aan een zijrivier van de Negara, ten Oosten van het dorp Negara. Inlanders gaan heen en weer langs den waterweg, die door de bochtige rivier en een geheel stelsel van dien afstand bekortende kanaaltjes loopt. Den landweg, veel korter nog, kunnen zij niet benutten, omdat die over zeker twintig van zijn goed veertig K. M. lengte geen bevrachte kar verdraagt. Het is niet anders dan een smalle dijk, tusschen een moeras aan den eenen kant, en een kanaal aan den anderen, uit opgebaggerde modder, vermengd met van elders aangevoerd zand, gebouwd. Waar nu het kanaal is, was vroeger de weg. En voortdurende arbeid is noodig om te voorkomen dat die nieuwe weg, uit de opgevischte bestanddeelen van den vroegeren gebouwd, niet weer op zijn beurt een kanaal worde. Elke regenbui--en het regent maar altijd door over dit dampende waterland--doorsopt hem, dat de aarde in bruine scheuten weglekt uit het netwerk van wortels, vezels en rafelende stengels, dat zijn eigenlijke consistentie uitmaakt. Terwijl wij er over heen rijden--ook al weer in een regenbui--in een allerlichtst Amerikaansch karretje van het model zooals tegenwoordig in Negara nagevolgd wordt door inlandsche wagenbouwers--zwalpt de grond of hij zoo dadelijk zich wou begeven onder de kletsend neervallende hoefslagen van het paardje.
Vlak als de zee en als de zee onafzienbaar, ligt rondom het moeras. Zelfs onder het glasachtig-doorschijnende grijs van de dichte regenstralen en het sluierende rook-grijs der neerdruilende wolken-lucht blinkt het fel-groen, als van eigen licht. Het is de water-hyacint, die er die glanzige krachtige kleur aan geeft. Dicht als grashalmen in de wei staan over het wijde waterveld haar groote ronde bladers, rechtop op sappig-gezwollen stengel. [14] Het moeras groeit er langzamerhand dicht van. Als na zware buien het water wast en begint te stroomen, sleurt het er lange strooken van mee, die, als vlottende eilanden, de prauwenvaart op de Negara stremmen, en van den oever tot in het midden van den stroom de breede Barito groen maken. Maar bij millioenen van millioenen nieuw ontspruitend, heeft de weelderende plant in enkele etmalen de ledige plaatsen hernomen met haar sterke, rond-uitspreidende pollen. Tot aan den horizon toe maakt zij alles fel-groen. Hier en ginder donkert er een veeg bruin overheen van met lange pluimen bloeiend riet. Blank glanzen plassen op en kleine meren. En op een enkele plaats, plotseling en hel als zwevende vlammetjes, zuiverrood, zuiverwit schitteren, vér heen over een de diepten van het landschap in loopend veld, duizenden lotusbloemen, rond stralend op hun hooge stelen. Daarna is het eeuwige groen nog eentoniger en triester geworden. Het is of juist de felheid van zijn tint, onnatuurlijk onder dat dempende grijs van wolken en regenstralen, het te somberder maakt. Er is iets onheilspellends in. Verderfelijke koortsen, lijkt het, moeten opwalmen uit dat giftige groen. Een zoo ellendig land zag ik nog nergens. Het is niet alleen verlaten van alle bewust leven, maar het ziet er uit, of geen leven er ooit zou kunnen komen, laat staan dan blijven.
Het is er, niettemin. Geheel alleen op de ledige vlakte staan twee visschershutten, het dak aan rafels, de wanden gescheurd, scheef voorover op verzakkende palen. De mannen verschijnen een eind verder, aan den rand van een blinkenden plas, waar zij hun net in gespreid hebben. Zij hebben hun gore lompen over het hoofd getrokken, tegen den killen regen en tegen de wolken venijnig-stekende muskieten, die, door den rook van het smeulende vuur niet te verdrijven, zoemend hen omzwermen. Als grauwe, ruige, door wind en weer verhavende vogels staan zij daar op hun magere beenen. De ellende van hun bestaan is uit de verte hun aan te zien. Het stoomertje van de Koninklijke Paketvaart, dat om de veertien dagen te Negara komt, wordt dikwijls aangeklampt door arm volk uit deze streek, uren roeiens ver gekomen in hun sampans om wat kinine en medicijn tegen de kwaadaardige huidziekten, die over hun heele lichaam in walgelijke wonden uitbreken. De watervogels zijn er beter aan toe, die tenminste tegen het water kunnen. En die er ook genoeg eten uit ophalen, wat de visschers niet alle dag doen. Dikwijls schuilt de visch weg in de ondiepe plekken van het moeras, onbereikbaar voor hengel of net. Dan nemen de visschers een zonderling middel te baat: zij steken het moeras in brand. Voor de smeulende hitte vlucht de visch naar de meertjes, waar fuiken en netten al gespreid staan.
Als de zon eenigen tijd achtereen onafgebroken heeft geschenen en riethalmen en verdorde bladeren van watergewas heeft gedroogd, wordt de smeulende gloed wel eens een vlam, die overwaait op den weg en zijn turfachtigen grond in brand zet. Het komt voor dat mijlenver die smalle strook aarde in rook en bleekgele kruipende vlammetjes verandert. Een neergudsende regenbui bluscht den brand weer. Kort voor onze komst moest dat hier en ginder gebeurd zijn: op plekken zagen wij den weg zwart verkoold.
De tijd leek eindeloos dat wij al maar over dien smallen zwalpenden weg door de water-hyacint reden, doorweekt van regen, en aangezicht en handen brandend van de giftige steken der muskieten, die als een dunne nevel om ons heen dreven. Maar ten laatste kwam een verandering. De grond begon een weinig te rijzen. Inlanderhutten stonden in groepen bijeen, naast elk huisje eenige kleine terpen waarop klapperboomen groeiden. Toen werd het riet dichter, de waterhyacint verdween voor struikgewas, allengs hooger staken boomen er uit op, de weg klom over bruggen, en werd hard en breed, eindelijk was het vast land rondom. En daar verscheen al het eerste teeken van westersche beschaving: een telegraaf-leiding. Even voor den middag bereikten wij Kendangan.
Het dorp gaat geheel en al schuil onder de klappers. Zoo dicht staan de hooge, smalle stammen, dat men, langs den dorpsweg rijdend, den indruk krijgt van te bewegen door een reusachtig halmenveld. Van links en rechts komen de huizen te zien tusschen die zwartige strepen. Ze zijn gebouwd volgens het bekende model, hoog op palen, en met trapsgewijs oploopende verdiepinkjes, als klommen zij uit de rivier naar den hoog-en-drogen oeverkant op. Stevig en wel-verzorgd, vele zelfs versierd met gebeeldhouwde pijlertjes en Negaraasch snijwerk langs balustrade en dak, staan zij midden op ruime erven, waar hier en daar, in de rond-plekkende schaduw van de palmkruinen, aardig heestergewas bloeit. Van diezelfde palmen komt de welvaart, die hier over alles haar aangenamen schijn heeft gespreid. Kendangan leeft van de copra. Op de wekelijksche markt, waarheen het volk uit den geheelen omtrek geroeid, gereden en geloopen komt, is copra de voornaamste waar.
De bereiding gaat op primitieve wijze. Als de vruchten rijp zijn, worden zij van den boom geplukt (de Kendanganner, die véél liever lui is dan moe, heeft soms een aap dien hij daarop africht) en op een puntig ijzer in tweeën gespleten. Ontdaan van de houtige schil, worden dan de kern-helften in de zon gedroogd. Op het voorgalerijtje van ieder huis in het dorp liggen ze bij hoopen opgetast. Opkoopers rijden rond met een ossenkar om, wat voor den verkoop gereed is, mee te nemen naar de markt. Op pasar-dagen is de grond van het ruime plein er mee bespreid, zoodat er niet dan smalle paadjes tusschen over blijven, die de politie werk heeft om open te houden; en de heele lucht is vervuld van den eigenaardigen, onaangenamen, zurigen reuk. De hoeveelheid copra hangt, overigens, af van het weer. Drie dagen regen maken de markt flauw. Want de zon is het die de copra moet drogen. Doet zij het niet, dan doet het niemand anders. De Bandjareezen hebben wel naar de vraag van de Westersche markt zich geschikt, maar willen nog aan geen Westersche methodes van productie. Het gaat ook wel op zijn inlandsch, vinden zij. Zij verdienen toch genoeg.