Chapter 13
Van de inlanders, de Maleiers vooral, zijn er velen in Arabische dracht. Het zijn hadji's die de Arabische kleedij aangenomen hebben ten blijke van die vervulling van den oppersten godsdienstplicht, den pelgrimstocht naar Mekka. Voor een inlander--Javaan of Maleier--is die reis, behalve een daad van vroomheid, ook nog een pleizier-, een zaken- en een studie-reis. Hij spaart er jaren voor: hij maakt wat hij heeft te gelde, en steekt zich in de schuld om de plus minus f 300, die de reis kost, bijeen te krijgen. Hij weet dat het goed-belegd kapitaal is. Want hij, die in zijn dorpje gevegeteerd heeft tot nog toe, nooit komend buiten den engen kring van de pasars uit den naasten omtrek, hij zal nu de wijde wereld leeren kennen, en wat daar te koop is. En in de school van het sluwste handelaars-volk ter wereld zal hij begrip krijgen van handel en nering, en zich kunnen oefenen in die moeilijke kunst van het geldmaken, waarin de Arabieren in Indië hem zoozeer de baas zijn, en waardoor zij in goeden doen komen, terwijl hij, onwetende, arm blijft. Nog een voordeel voor den Mekka-pelgrim: zijn hadji-titel en zijn Arabische kleedij geven hem aanspraak op den eerbied van zijn geloofsgenooten, en op al de voordeelen die daarvan het uitvloeisel zijn. Van het een en het ander weet de hadji goed gebruik te maken. In de Inlandsche handelswijken van Soerabaja staat het "Hadji" op den gevel van een menigte winkels en werkplaatsen. De prauwen die de Brantas op- en afvaren tusschen de havens en het binnenland tot Kediri toe, met rijst, petroleum en allerlei toko-artikelen stroomop, met suiker van de vele fabrieken stroomaf, zijn haast alle het eigendom van hadji's, die prauwvoerders en sleepers in hun dienst hebben. En dezen hadji's aan boord, meest Bandjareezen en mannen uit het binnenland, terugkomend van een zakenreis naar Java, is de welvaart aan te zien aan zware gouden horloge-kettingen en dikke gouden ringen, waarin diamanten flikkeren. Er zijn, kennelijk, zaken te doen op Borneo.
Ook de passagiers der eerste klasse zijn mannen van zaken; en ook dit kleine gezelschap is internationaal. Er is een Duitscher bij, een rubberplanter; een jaar of tien geleden heeft hij in moeras en oerwoud de onderneming begonnen waarop nu een duizend koelies werken, onder een staf van geëmployeerden van allerlei landaard. Zijn buurman aan tafel is een Engelschman uit Calcutta, àl te donker van tint en oogen en al te tenger van gestalte om voor een volbloed Engelschman te kunnen doorgaan. Hij komt, hoor ik, machines koopen voor een Engelsche maatschappij, die van een Duitsche een kolenmijn heeft overgenomen. Met de twee in gesprek zit een jonge Hollandsche ingenieur, die naar petroleum gaat boren. Namen van Hollandsche, Duitsche, Engelsche, Amerikaansche en Russische maatschappijen worden genoemd. Ik hoor van een paar Denen, die op een naburig eilandje een kolenmijn exploiteeren en voor het vervoer een contract hebben met een Japansche firma. Zoo komt, van uit alle vier de hoeken van de wereld, het kapitaal naar het nieuw te ontginnen land. Bandjermasin moet nu al een soort Kosmopolis zijn.--In 't voorbijgaan--hoe lang zal dat woord nog zijn tegenwoordigen klank, den klank van iets bonts en buitengewoons, behouden? Op een plek als dit Paketboot-dek, en in zulk een gezelschap, denkt men allicht: niet zoo heel lang meer! Men hoort met ooren, met ziet met oogen den keer der dingen, en het begin van een tijd waarin het burgerschap van een land tegenover het wereldburgerschap verdwijnen zal, zooals een vierhonderd jaar geleden het poorters-gevoel verdween voor het ontwakende nationaliteits-besef.
Het begint al te donkeren. Wij naderen de monding van den grooten stroom, die van het bergachtige hart van Borneo uit naar de zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan haar zuidelijkste zijrivier, de Martapoera, ligt Bandjermasin.
De invaart is hachelijk bij nacht, wegens ondiepten en banken van slib. Maar de afnemende maan geeft licht door een scheurend floers van wolken heen: de kapitein waagt het. Wij stoomen de Barito-monding binnen, breed als een zee-arm, dan Oostwaarts de Martapoera op. De dichte flikkering van lichtjes in de verte is Bandjermasin.
Op de wandeling naar het hotel--rijtuigen zijn hier niet,--zie ik van de stad--of, om op zijn Indisch te spreken, van de "plaats,"--niet anders dan een gestadigen glans van water, waarop lichtjes flikkeren en weerkaatsing van huizen en boomen zwart tegen een flauw wit van manegloor ligt. Het hotel, een ware doolhof van gebouwen, gebouwtjes, overdekte galerijen, staat op palen. Inplaats van over paden loop ik over planken door den tuin. Door den kier van de vensterluiken zie ik alweer water. En een geluid van riemslagen en kabbeling van golven tegen een strevenden steven is het laatste wat ik, in halfslaap al, hoor.
Den geheelen morgen ben ik aan en op de rivier geweest. Een vroolijke drukte als het daar is, een leven, een bedrijvigheid! De Bandjareezen, lijkt het wel, wonen op het water. Hun huizen staan langs den oever, maar meer in de rivier dan op het land. Als men de winkelbuurt doorgaat denkt men aan een gewone stad: daar is een breede, goed onderhouden straat; daar staan in regelmatige rij de huizen,--groote Chineesche winkels, pakhuizen, werkplaatsen, de loodsen van den pasar. Maar men kijkt wat verder naar binnen in het half donker van die in de diepte gebouwde huizen: daar gloort licht: door een wijd openstaande poort komt zonneschijn naar binnen en de spelende glans van water, het bruine dak van een prauw glijdt voorbij. En als men den hoek van de straat om slaat, staat men opeens voor de volle breedte van de rivier, en daarlangs, langs de breede waterstraat, staan de achtergevels van de huizen hoog op palen, en loopplanken, bruggetjes, steigers, dobberende vlotten maken als het ware een smalleren weg, een soort "kleine steentjes" er langs. Hier, niet aan de voorzijde, is de eigenlijke drukte. Bij dozijnen liggen de sierlijke prauwen--lang, zwart, smal, als Venetiaansche gondels rank gebogen met hoog opstaanden en versierden boeg--naast elkander gedrongen, voor de aanlegplaatsen. En koopwaar wordt in en uit gedragen. Sommige van die groote prauwen--ze zijn een twintig meter lang, op het oog--zijn zelf winkels: als een wand die van den vloer tot aan het dak reikt, staat over de geheele lengte in het midden van de prauw een dubbele winkelkast; in de hokjes ligt Europeesche exportwaar opgestapeld: blikjes, sigaretten, lucifers, leerwerk, snuisterijen, garen en band, manufacturen van alle slag. De koopman zit naast zijn druipenden riem; de klanten komen er aangeroeid, klampen den drijvenden winkel aan, en laten zich hun begeer binnen boord reiken. Dat is misschien een stapel bont sarong-goed, recht uit Twenthe; kant opgeklost op een blauw stuk karton waarop in groote letters "Made in Austria;" Engelsch shirting; Britsch-Indische zij. Er wordt aangeprezen en afgedongen. Een prauw scheert weg, twee andere komen er aan.
De rivier is er vol van: woonprauwen, winkelprauwen, vrachtprauwen, prauwen vol rijst, prauwen vol vruchten, prauwen vol kippen en snaterende ganzen. Tusschen de groote vaartuigen door schieten bij dozijnen de kleintjes,--uitgeholde boomstammen, waar de roeier achterin zit, terwijl de boeg even opgetild staat boven het water: als waterspinnen zoo vlug en nukkig schieten zij met korte sprongen vooruit. Midden op de rivier zwoegt een stoombootje; een eindelooze sleep vrachtprauwen hangt er aan. Ik tel er honderd en zie onduidelijk in de verte, nog een menigte meer. Geweldige houtvlotten drijven stroomaf. De stammen zijn aan elkander vastgesjord tot een vloer; een huis staat er op; een heel gezin woont daar. De kinders loopen te spelen en de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, spoelt kleeren, terwijl de man en de zoons het drijvende erf tusschen schuiten en prauwen door boegseeren, voorzichtig dat het niet tegen de straat van steigers aanbonkt. De geweldige stammen komen uit de bosschen van het binnenland. En daarvandaan komt ook de sago en de rotan, en de djeloetong en de copal, en de damar, die de stoombootjes van Chineesche handelaars en de schepen van de Paketvaart, van de Borneo-Sumatra en van de Borneosche Industrie-Maatschappij, die de ontelbare honderden prauwen en bootjes met rustelooze bedrijvigheid aanvoeren. Men hoeft de tot zinkens toe geladen vaartuigen maar te zien, om te begrijpen, dat er nog veel meer noodig zouden zijn voor een behoorlijk vervoer. En dat, wederom, als dat vervoer er eenmaal was, de overvloed van producten nog grooter zou worden.
Borneo is pas in het begin van zijn ontwikkeling. Wat er van worden zal, is nog niet te zeggen: maar vast en zeker, iets overweldigend groots. En de Barito in het Zuiden, de Mahakam in het Oosten, de rivier van Pontianak in het Westen zijn voor dat nieuwe leven de stuwende straten.
Stroomopwaarts het binnenland in
Sedert van ochtend halfacht zijn wij op weg naar het binnenland, stroomopwaarts langs de Barito. De tocht begon in een "tambangan," die ons van den oever naar het diepe midden bracht van den stroom en naar den kleinen stoomer, die daar lag te wachten om de reis de Barito op te beginnen. De "tambangan," de rank gebouwde, sierlijk gedaakte Borneaansche gondel, is het nationale vaartuig bij uitnemendheid, en tevens het kostelijkste bezit van den Inlander. Een gezin dat een tambangan heeft, is er goed aan toe. Met de tambangan wordt gevischt, vracht gevaren, handel gedreven de vele riviermarkten langs, wordt overgezet, worden reizigers vervoerd op dagenlange tochten. Een prauw van de grootte van die, waarin wij vanochtend geroeid werden, kost vijfhonderd gulden. Meest is zij een familie-erfstuk: het taaie ijzerhout van haar kiel houdt het een dertig jaar uit. De eigenaar behandelt haar met zorg, en met iets wat wel haast liefde mag heeten: ongeveer als een Hollandsch keuterboertje zijn eenige koe. Men hoeft hem maar bezig te zien, om dat te begrijpen. De wijze waarop deze booten geroeid worden, is een aan de bij ons gebruikelijke recht tegenovergestelde: de roeiers zitten met het gezicht naar den steven, en slaan de riemen van voren benedenwaarts naar achteren, zoodat zij vooruit komen door het water van zich weg te duwen, zooals een vliegende vogel de lucht van zich wegduwt. De stuurman, die als hoofd van de bemanning der boot met "tambangan" wordt aangeroepen, staat of hurkt achterop: staat hij, dan kijkt hij over het dak van het gondelhuisje heen; gehurkt, houdt hij door een driekant venstertje in den achterwand den koers in het oog. Nooit, nergens laat hij de prauw aanstooten. Ik verbaasde mij er over hoe vlug en veilig de onze, een smallen gladden visch gelijk, heengleed door de dichte scholen van vaartuigen waar de rivier donker van zag. Bij de gewone verkeersdrukte had de Paketvaartboot het vertier van laden en lossen aangebracht: en in den nacht was er een schip aangekomen, met een paar honderd Mekka-gangers aan boord, wien nu geheele zwermen verwanten, vrienden en vereerders tegemoet kwamen varen. De stroom geleek een drijvende stad, met allernauwste straten. Maar zonder aan een van die honderden her- en der-schietende, riemen reppende bootjes, zwaargaande vrachtprauwen, schommelende houtvlotten zich te schrammen of te schuren, zonder een hort of een stoot, stuurde onze tambangan naar de stoomboot. Zij voer weg: en langs ons heen gleed aan weerskanten der rivier de waterstad voorbij, schepen die drijvende huizen, huizen die vastgemeerde schepen, straten die kanalen zijn. Over plaatsen waarom lang en fel gevochten is, voeren wij daar. Van de eerste jaren van vijftienhonderd af hebben Spanjaarden, Portugeezen, Hollanders, Engelschen met de inboorlingen en met elkander gestreden om het bezit van de rivier. Wij lezen hoe de Engelschen een faktorij bouwden op een vlot; en later een sterkte op palen; en hoe het volk, dat zij door hun aanmatigenden trots verbitterd hadden, eindelijk tegen hen opstond en met zulk een woede hen aanviel, dat zij zich moesten redden op de schepen en dat diegenen, die het leven er afbrachten, op de vlucht naar Batavia hun heil moesten zoeken. Op den strijd met de wapenen volgde de strijd met het geld: de uitslag was voor den strijder die het het langst volhield, voor de Oost-Indische Compagnie, niet gunstiger. Zij had het volk van Bandjermasin gedwongen peper voor haar te bouwen. "Maar," zegt Veth, "de staatkunde der Compagnie had Bandjermasin als een slang omkronkeld; maar toen zij het geheel in haar macht had, voelde zij haar eigen krachten uitgeput, en liet het uit eigen beweging los." Nadat Daendels den post had ontruimd, haalden de Bandjareezen zelf de Engelschen weer in, en Alexander Hare begon zijn avontuurlijke politiek van kolonisatie met Javanen, die hij met geweld uit hun dorpen deed oplichten. Het herstelde Nederlandsche gezag maakte daaraan een einde, en het scheen omtrent de jaren twintig, dat de toestand geregeld was geworden. Toch is sedert, als men weet, dit moedige volk niet minder dan tot driemaal toe opgestaan om te trachten zijn vrijheid te herwinnen. Nu schijnt het wel dat het zich bij de voldongen feiten heeft neergelegd. Misschien heeft het nieuwe handelsverkeer en de voordeelen, die onder het Hollandsche bestuurstelsel van tegenwoordig ook het geringe volk daardoor geniet, het zijne daartoe bijgebracht.
Het schip heeft Bandjermasin achter den boeg: de huizen zijn verdwenen en de schepen, een enkel visschersbootje, enkel nog maar met een mannetje er in, dat zijn net uitwerpt, een kano, waarin, onder een reusachtigen hoed, tot over de randen van het vaartuigje heenreikend, een vrouw met een paar kinders, meer te zien dan te raden valt, komen hier en ginder de rivier afgedreven. Plotseling gaat als een groot zacht licht voor ons open: uit de smallere Martapoera stevent het schip de schijnbaar oneindige wijdte van de Barito in. Als op een zee zeilen wij--een rustig golvende, paarsig-bruine zee. In een schemerige verte komt flauw een lage oever te zien. Als na eenigen tijd de koers der boot den wal nadert, zie ik, dat wat een strook laag land leek, hoogstammig oerwoud is, en besef door de gedachte beter nog dan zooeven door de zinnen de ontzaggelijkheid der afmetingen van den prachtigen stroom. Hij is hier bijna een kilometer breed. Het plan is geopperd, eenige jaren geleden, om de haven van Bandjer, waar groote schepen niet dan met moeite draaien kunnen, hierheen te verleggen; de plaats was zelfs al gekozen: aan den linkeroever, tegenover Poeloe Kembang, het Bloemeneiland, op Hollandsche kaarten als Apeneiland genoemd, om de menigte grijze apen, die het bevolken, en die door de inlanders voor heilig gehouden en met offers geëerd worden; een goede weg naar Bandjer loopt daar langs. Maar de handelsstand opperde bezwaren; het plan werd niet verwezenlijkt. Misschien echter komt de nieuwe haven er toch nog, de rivier-ruimte voor Bandjer zal de al aangroeiende menigte der handelsvloot, Inlandsche en vreemde, zoo heel lang niet meer kunnen bergen. Borneo is een land waar de dingen snel groeien. In de streek rondom Bandjer is sedert 1897 de bevolking van 25.000 op 46.000 gestegen. Die van het geheele gewest, Zuider- en Ooster-Afdeeling Borneo, wordt geschat op anderhalf millioen. De gelegenheid voor handel en scheepvaart zal evenzoo moeten groeien.
Wij varen de invloeiïng voorbij van de Kwien, den waterweg naar Bandjer. Te midden van een vloot van kleinere vaartuigen ligt er een stoomboot, die tweehonderd prauwen op sleeptouw heeft. Een lang dorp van bruine paalwoningen staat langs den oever gerijd. Spiernaakte kwajongens, van te voren al glimmend van pret, komen op een ren den oever afgevlogen, springen in een prauw en roeien de boot tegemoet, om zich eens heerlijk te laten schommelen op de lange schuinsche golven van het kielzog. Die geen prauw bezit, springt in het water. De zwarte koppen, de bruine natte lachende gezichten bobbelen rondom het schip. Er zijn krokodillen bij honderden in de Barito; het pleizier is zooveel te grooter.
Het paaldorpje verdwijnt, rondom is weer de groote eenzaamheid. Wij varen zoo dicht langs den oever nu, dat ik het gebladerte van boomen en heestergewas, en zelfs de wilde vruchten aan de takken en de bloemen tusschen varens en oeverriet onderkennen kan. Daar die lage, op varenpollen gelijkende bladerbossen, wijd uitgespreid, dat zijn struiken van de nipah, die alleen dáar groeit, waar zeewater haar drenkt: mijlenver stroomt bij vloedgetij de zee de Barito op. Die grootere, die als fonteinen van bladeren staan, zijn sagopalmen. Lange, zwiepende sprieten van rotan steken boven de toppen uit van het hooge wildhout. Een ficus toont hier en ginder zijn donkerglimmig gebladerte. Bijwijlen komt onder het zware groen het bruin te zien van daken, en langs het oeverriet het donkere vlechtwerk van uitgezette fuiken. Door een bres in den boomenwal zie ik ruige rijstvelden, op primitieve wijze bebouwd. De zon hangt dofrood op den rand van het westelijk oeverwoud. De vlottende eilandjes water-hyacint, die langzaam tegen het schip aangedreven komen, spiegelen roode bladeren in een rooden vloed. Dan vangen aan weerszijde van de rivier houten hutjes den afschijn en staan verguld. Wij hebben Marabahan bereikt, de hoofdplaats van de streek die wij zooeven binnengevaren zijn.
Het is de eerste post in het binnenland.
Sedert eenige dagen ben ik nu te Marabahan, het welvarende inlander-dorp aan de samenvloeiing van de Bahan (door Hollanders meest Negara genoemd) met de Barito, aan welke ligging het zijn naam Moeara-Bahan eigenlijk, dat is mond van de Bahan, te danken heeft. De geweldige breedte der vereenigde rivieren ligt voor mij uitgegoten. En altijd door heb ik het gevoel van op het water te zijn. De dorpsweg, de huizen, het geheele land heeft iets vlottends, iets dat drijft en schommelt.
Op de kaart is het goed te zien hoe het water doende is met den opbouw van Borneo. Rondom een middelpunt met naar alle zijden zich rekkende uitloopers van gebergte, brengen, van buitenaf de zee, van binnen uit de groote stroomen, zand, slib en moerasgrond aan. Het zuidelijke deel van het eiland, het stroomgebied van de beneden-Barito, ligt als een diepe, vlakke driehoek tusschen heuvelklingen, die van het Noordelijk bergland uit naar Zuid-West en Zuid-Oost loopen. Al stroomende heeft de Barito met haar zijrivieren, die alle van het Oostelijk gebergte komen, het opgebouwd. Het is nog maar ten halve gevormd en gestevigd. Ook in den eigenlijken zin van het woord is Borneo een land in wording.
Het volk heeft stroomop den loop van het water gevolgd. Bij menigten liggen de dorpen langs de groote rivieren. Allen zijn ze op dezelfde wijze gebouwd: in een enkele oneindig lange reeks huizen langs het water, als langs een natuurlijken weg. En zoo dicht opeen soms dat de laatste huizen van het eene dorp pas den voorbijvarende uit het oog zijn, of de eerste van het volgende dagen al weer op. Geen van deze dorpen heeft als de Javaansche een omheining, ter afsluiting van welken aard ook. En evenmin ziet men eenige scheiding tusschen de erven. Enkel hier en ginder staat een los ineengevoegd staketsel naar den landweg toe, dat langs een geheele rij loopt en waarin poortjes tot elk erf afzonderlijk toegang geven. Het is zoo van buiten af al te zien, dat niettegenstaande de sterke immigratie die van oudsher uit Java hierheen is gegaan, en, die onder hoezeer veranderde omstandigheden dan ook, nog steeds aanhoudt, het Borneaansche dorp zijn eigen van de Javaansche wezenlijk verschillende wijze van ontwikkeling heeft gevolgd. Hier wonen geen menschen die zich op het land hebben vastgezet, met een tuin en zorgvuldig, van vader op zoon, bebouwden akker. Dit zijn reizende en trekkende handelslieden, voor wie het water de handelsweg is. Vandaag zijn zij hier, morgen ginder. Zij binden zich maar weinig aan een plek.--Verleden zag ik uit de Negara er aan komend, een groot vlot voorbij drijven, waarop een geheel huis stond. Niet een scheepshuisje, als er zoo veel op prauwen en vlotten staan: neen! een wezenlijk, echt huis, een huis dat ergens op het land had gestaan. Op een goeden morgen klaarblijkelijk, had het den bewoner verveeld, juist dàar te wonen. Hij had zijn buren bij elkaar geroepen, met hun allen hadden zij het huis, zoo als het daar stond, van zijn palen getild, en op een vlot: Vrouw en kinders waren op den vloer gaan zitten op de gewende plaats. En de man met een langen boom in de handen, om zijn huis en huisgezin, met de kippen, de koe, en den rijstvoorraad voor eenige dagen, van vastraken aan den oever en verongelukken verre te houden, was voorop gaan staan, uitkijk houdend naar een plek die hem beter aanstond voor woonplaats. Hij zal wel ergens aan den westelijken Barito-oever beland zijn denk ik. En wie dezer dagen gaat kijken zal het oude huis op het nieuwe erf zien staan.
Als overal langs de rivier, hebben te Marabahan alle huizen een soort uitbouw aan het water, tegelijk een plaats om te landen van de boot uit, en een plaats om te baden en te wasschen en te plassen voor de huisbewoners. Het vlot bestaat uit boomstammen van een bepaalde soort, die alleen in het oerwoud worden gevonden. De boom moet op stam gestorven zijn en al zoolang gestaan hebben, dat insecten tijd hebben gehad, om hem in zijn geheele lengte en breedte te doorboren met honderdduizenden uitgeknaagde gangetjes. Dan wordt hij geveld en naar de rivier geroeid--geroeid, want ook het oerwoud van Borneo staat in het water: de bosch-grond is een bosch-vloed. Dikwijls kan men inlanders zien, die op zulk een stam, licht als een kurk drijvend, de rivier afkomen. Ze hebben het schuitje, waarin zij uitgetogen zijn, achter aan den stam vastgemaakt. Daar zitten ze schrijlings op den boom, de afhangende voeten koel in het water, een pagaai in de hand, waarmee ze nu en dan den hen af-voerenden stroom een nalatig slagje helpen, een zonnehoed op het hoofd, een strootje in den mond; zij lijken donkere, misschien door de tabak lichtelijk van hun hemelsche waardigheid omlaag gehaalde, rivier-goden. Een vlot van zulke stammen gemaakt houdt het tien jaar uit tegen de drie die gaaf hout weerstand zou kunnen bieden aan de wrijving en schuring van het water. De steigers zijn los verbonden aan den wal, zoodat ze met den stroom kunnen rijzen en dalen. Ze hebben veel speelruimte noodig. Want het vloedgetijde der zee doet zich gevoelen tot op 150 mijlen de rivier op. En als de zware regens vallen boven in het gebergte, het bronnenland van de stroomen, stijgen zij binnen enkele uren meters hoog. Tot tien meter toe heeft het plotselinge waterstands-verschil bedragen: huizen, aan gene zij van den landweg gebouwd, stonden aan het water, en de steiger dreef op gelijke hoogte met den deurdrempel.
De weg is op zulke gebeurlijkheden berekend: een sterke schoeiïng beveiligt hem aan den rivierkant. De planken van die schoeiïng zijn, ondergronds, dwars onder den weg door, met kabels verbonden aan zware, diep ingegraven stammen aan gene zij. Het mag gezegd: de weg ligt voor anker.
Langs zijn landwaartsche zij liggen de huizen: of liever, staan zij. Want allen zijn op palen gebouwd. Om het gewicht, dat de drasse grond moet dragen, zoo gering mogelijk te maken, zijn er de lichtste bouwstoffen voor genomen: hout en vlechtsel van riet en bladeren. En verder is dat gewicht nog verdeeld door den vorm, waarin het huis is gebouwd: dien van een kruis. Van een lang middengedeelte steken rechts en links twee korte dwarse uitbouwsels uit. Het dak is berekend op de zware regens die hier vallen: steil loopt het op naar een spitsen nok. Zoo staat voor hemelwater en voor grondwater het huis veilig; als het overdekte nest van een watervogel in de biezen hoog en droog.