Natuur en Menschen in Indië

Chapter 12

Chapter 123,652 wordsPublic domain

Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen in de "godenhuisjes" en een van bladreepen gevlochten versiersel voor de nis, naast de poort, van den "taksoe," den dienenden geest die als bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen vruchten en bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om zoo te zeggen het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten--goden zoowel als menschen van elders--geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats, waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin Doerga gewijd: de tempel aan het strand, ver gelegen soms van het dorp, maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng [13] zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in het mooi. Rondom loopt een muur, bij de "armere" tempeltjes van klei, bij de "rijkere" tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden, een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij toegang geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte, dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter die poort gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers, juist zóo als de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den vreemde-op-de-straat beschut. In dat binnenste gedeelte staan de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa's, en van de hoogere, de Batara's, die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de zon gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk, door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en vergulde pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en ook veel leelijks op Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met porcelein. Het is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei grof goed in tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt, heb ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt, geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien; zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel, is geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om, zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.

Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd, door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De godsdienstige feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor "den verjaardag" van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op "den verjaardag van het letterschrift," die mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. "Dit," zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, "dit noemt u letters: maar het is een Godin! en deze dag is de dag, waarop zij, voor eeuwen "uit haar moeder kwam." Daarom vieren wij haar heden met optochten, en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of schrijven." Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou "het is u ook geraden dat maar te laten vandaag."--Behalve al deze algemeene feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn eigen bijzondere goden--de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten van den Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien, zonder den glans van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs en bamboekokers; op andere keeren een dans van dessa-maagden en jonge mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen; een tocht naar het zeestrand om een wonderdadig beeld te baden; een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de meegedragen goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den geur alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.

En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal, eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven nemen het onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet, die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel, die een verheerlijkt Bali is.

Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?

En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale belijders te winnen op Bali?

Het verleden op Bali en de toekomst

Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone met Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den "koelkoel" het holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen, bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien vreeselijken uitval deed, den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand, stierf onder de lanssteken van den vriend, en vrouwen en kinderen elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van den omtrek der stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier, bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven op Lombok, en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele maal in den dichten drom der toeschouwers bij een hanengevecht of een of andere wayang-vertooning, mannen die het litteeken dragen van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, ontvlucht zijn uit den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek, verminkte tempelmuren, litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt van zijn heden en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan, nog minder van overgebleven. "De Baliërs denken alleen aan hun eigen belangen. Om hun vorsten denken zij niet!" Een Wessya, die met mij sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe volk de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige natuur van den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is een uitzondering; een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren wat overal en altijd alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het noch in zijn arbeid, noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en leven. Zij hadden honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela tot het hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige; vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten mannelijken bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de sawah van een Kaoela plotseling de sawah van den vorst of van een zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en niet tevens wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen en dochters met kerven over het gezicht mismaakten, opdat de Radja hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog maar kort geleden, dat de stedehouders van Gianjar en Bangli bij verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van het recht weduwen en dochters van zonder zoon overleden erflaters als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon van den pas overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den "vrijwilligen" vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder bekend, misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke "beleedigingen" wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de ontrouw van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was geweest, nog in 1905--ik zal ze den lezer besparen. En het volk van Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K'toet, Goesti Djilantik's neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen, dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam tusschen de regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar gewillig onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte, toen na de gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon, een opstand uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters, was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich als een door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door een beroep op zijn godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook, die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal ook van hen die haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen was, en de prinses, die vóor het eerste treffen al een toevlucht had gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten, die haar als Radja hadden beloofd te huldigen. De weinige gewonden zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden, en de leiders boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen vechten; nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke gezindheid van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door de bevolking van Gianjar: een optocht van eenige honderden kwam naar Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet ingewilligd: maar, langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was deze: de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal, den Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten, zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen, waarvan de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven zou. De optocht der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet de mindere te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk, geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk van Gianjar onder het bestuur van den stedehouder, en dien van het volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.

In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.

Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad: het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij, zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer uit de voornaamste haven van Zuid-Bali, Benoa in Badoeng, zijn welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911 toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer bijna verdubbeld is: invoer 1908 voor een waarde van f 646,280; 1911 voor f 1,455,164; uitvoer 1908 voor f 1,141,781; 1911 voor f 2,179,209. Het verschil kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de gewende hoewel slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid zou zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen, Chineezen vooral, die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met afpersing. Nu zal ook de Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar f 4000 winst opbrengt in 't jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld f 13 per dag te verdienen met den verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen verstrekt omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot rijpen laat, en enkel in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste exemplaren, vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan, hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met den akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel is verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan komt dat door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar uit: maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het geheel. Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland bedraagt niet meer dan ruim een half millioen. Eene andere belasting wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.

Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller dan de Balische "grobak;" voor uitbreiding van telegraaf en telefoon; voor scholen--de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van onderwijs begeerenden niet bergen--; voor geneeskundige hulp, die altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen worden. Zeker moet ook, op den duur, rechtsgelijkheid verkregen: de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog, nu het Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër het recht heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens--als iets dat vanzelf spreekt--te noemen den plicht om den inboorling te beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd zal hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch gebruik, zonder den wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden uit het Westen. Met die bescherming is gelukkig al een begin gemaakt: van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan--en door alle poenggawa's van het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als door de "zelfbesturen" is het met instemming aanvaard--om te Dèn Pasar een museum te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen van dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode verzameling wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal open staan, als elke poera; en het groote bad, de "pantjoeran," wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het museum, waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen navolging van uitheemsche wansmakelijkheden.

Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben voor het werk der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het oude Oosten volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn tijdelijk bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.

Mochten zij toch, en spoedig, komen!

BORNEO

Eerste indrukken van Borneo

Aan boord van de Koninklijke Paketvaartboot zijn wij op weg naar Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin. Er zijn maar weinig passagiers in de eerste klasse, een half dozijn; op het derde-klasse gedeelte van het dek echter is het vol. Het geheele gezelschap der opvarenden, Europeanen en Oosterlingen te zamen, geeft in zijn bonte samenstelling ten naaste bij een begrip van de wordende maatschappij in het land waarheen wij op weg zijn.

In de derde klas zijn het Maleiers, Javanen, Chineezen, Arabieren. De Javanen zijn grootendeels koelies, mannen en vrouwen, die op de vele rubberondernemingen gaan werken, met een contract voor drie jaar. De vrouwen hebben zich huiselijk ingericht, met matten, kussens, aarden potjes met eten en de welbeminde sirih-doos. Zij zitten en liggen op het dek niet anders dan ze het zouden doen in hun eigen huis op Java. De mannen zitten te rooken.

De Chineezen houden zich afzonderlijk van de overigen en bij elkaar. Er zijn er verscheiden bij, die hun staart hebben afgeknipt, daarmee te kennen gevend, dat zij republikeinsch gezind zijn en eene geheel nieuwe orde van zaken toegedaan in het verre Chineesche vaderland, en ook in het tegenwoordige, het vaderland-bij-adoptie, Nederlandsch-Indië. Zij spreken gedempt en druk, misschien wel over de troebelen in Soerabaja van een dag of wat geleden, den onverwachten aanval van de lieden uit Macao op den kapitein-Chinees, en de houding van het Nederlandsche bestuur. Was de aanval werkelijk onverwacht? Er wordt onder Hollanders wel aan getwijfeld. Op de strakke gezichten dier druk en zacht sprekenden is niets te lezen. Zij konden het even goed over hun zaken hebben als over de gebeurtenissen in China en op Java. Het zijn kooplui. In Bandjermasin hebben zij landgenooten, dùs bloedverwanten, zakenvrienden, mede-leden van de groote nationale bonden, bij de vleet. Verder het binnenland in mogen zij zich voorshands niet vestigen. Officieel en in theorie. De practijk is rekkelijker.