Natuur en Menschen in Indië

Chapter 11

Chapter 113,335 wordsPublic domain

Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest, eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht, waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen deze, voor den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in leen. De afstammelingen van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun leenheer, de vorsten van Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van Lombok geworden toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien Valentijn noemt als "den Coninck van Baly;" en een Karangassemer ook was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek, den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het oude geslacht een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien hoe zij de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu op hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend die hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische Regeering dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd, had die nog te zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in zulk een uithoek van Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de vorsten der acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde, terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond in zagen,--bedrogen naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van Hoëvell althans verklaart dit in ronde woorden. [12] Der Regeering eerste poging om haar "rechten" geldend te maken deed den oorlog losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude taktiek van "jagen met de honden en loopen met den haas." Maar ditmaal tevergeefs. Zij kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd van het geslacht verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd was, en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht regeerde. Deze zond twee van zijn neven--het waren broeders--als stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een kind nog toen zij, in '49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.

In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.

In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang Assem den vluchteling opnamen en hem als "poenggawa" het bestuur gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene der twee stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte hij hem zelfs tot eenig stedehouder van Karang Assem.

Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk "Doeniet" noemde, nam hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af; hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig in zijn gebied,--een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik's vriend.

Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik den meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe, uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een zedelijke sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt--als indertijd Djilantik zelf--aan kastevermenging. Zelf een Wessya zijnde--alle vorsten van Bali (met uitzondering slechts van die van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste der drie kasten, die gaandeweg de eigenlijke vorstenkaste, de Ksatrya, verdrongen heeft--had hij de liefde verworven van een Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het meisje te zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet, was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest, die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en met zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap, Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem een poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp, door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.

Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden--tusschen landgenoot en vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden, en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij trachtte tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa's, die tot den oorlog dreven--want de machtige edelen waren de strijdlustigen, niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer was--den poenggawa's ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang Assem, die het vorige jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der troepen verklaarde hij, dat geen oorlog te vreezen was: hij hoopte werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen voorkomen. Dat is zijn "verraad" geweest. Voor rechtvaardigheid is het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste schot dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs Lombok te zullen verlaten, en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap, dat nog op het allerlaatste oogenblik de poenggawa's hem aanboden, om hem tot blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen. Natuurlijk niet uit "trouw aan het gouvernement," maar omdat zijn helder verstand hem de vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche wapenen. Zooals hij het den poenggawa's had voorgehouden: "Wanneer het ei wil vechten tegen den steen, wie verliest dan?"--Te Karang Assem loerden zijn neven, Poetoe en K'toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om "een vijand van de vorsten" dood of levend terug te brengen: maar zij wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd, stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond, ten teeken van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot vergiffenis vragen en onderwerping gedwongen.

Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen "het ei" en "den steen" zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe, de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde die hij op Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren ontkende hij, dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa's eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in schijn, oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen zouden zijn. Djilantik's taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.

Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van overtuigd was geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan zij ooit op hun eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden (er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen vermogen tegen velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier zijn Karangassemers, wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens behoeve hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd door den bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.

Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht, waaromheen het haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig, bijna fel. Hij maakt levendige gebaren onder het spreken, als een echte Baliër, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat hij zegt, zegt hij met een zekere drift, alsof hij met zijn geheele persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt--vraagt veel--met de tot in bijzonderheden doordringende volharding en op de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil om het in zijn beschouwing van de menschen en het leven organisch te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots aan: maar bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen door een anderen zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op die wijze te werk; het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.

De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken, en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.

Bali als het land van Goden en Geesten

In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden: en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke bewoners van het land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen aangeboden, onder alle omstandigheden van het leven. De Baliër gaat met haar om als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen en al-machtigen vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit, en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst schuldig is.

In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen van het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten der Baliërs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische Heidendom. En onder den nieuwen invloed van het veroverende en hooger beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed van zoet water aan een rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft, en de groei van koralen en zee-anemonen diep in de donkerte. De machten door de oorspronkelijke Baliërs geëerd, de zon, de zee, de lucht, het water van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam van Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe, geëerd en gediend op het eiland. Het is een toestand zooals het Westen in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude Heidengoden een maar half hen verbergende wijkplaats hadden gevonden, en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en op Kerstmis met groote vuren en het slachten van vee het Winterfeest der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.

De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in zee of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de zon of de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin heeft zich onder de Soedra's een afzonderlijke klasse gehandhaafd, afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten, die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa, zelfs aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche van den ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de geesten, de "boeta's" in de eerste plaats, ontzien en geëerd worden. Als hun aanbidders en "landgenooten" zijn deze oude Heidensche goden tot een lageren rang neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten zij nu inplaats van goden. En zij moeten, "in effigie" voor de poort gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als het Kaoela-volk de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen, maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en verzoend, voor de goede god wordt aangebeden.

Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn, een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is, bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest, dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke beter wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart door het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben, heerschte verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi, die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest: de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past: hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt, het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur, dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam de cholera af en na een korten tijd was er in heel Badoeng geen zieke meer. Zulke "verzoenings-feesten" hebben echter nooit meer dan een tijdelijke uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen menschen meer zijn op Bali, aan wie zij hun toorn en wrok kunnen koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan wel is waar komen zij toch weer terug. Maar de Balische geestenleer ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de groote plechtigheid van het "Eenzaam Maken" gehouden. Met vreeselijk getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in hun huizen en sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur branden, moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah, koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige "Islam-volk," slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver weg van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel zijn ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs--zij krijgen bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den al levendiger wordenden handel--zullen er iets op vinden om mede te profiteeren van deze schikking met de geesten.