Part 8
Beethoven, Rembrandt, Shakespeare,.... wat ze deden en dachten bleef en blijft. Hun daden waren geestelijke handelingen, leefden zelfstandig, buiten en onafhankelijk van de lijflijkheid des scheppers.
Shakespeare, Rembrandt, Dante, ze gaan en leven mee met de menschheid, omdat ze van de eeuwige, wel vergankelijke, maar in haar vergankelijkheid zich altijd herhalende levenskern uit, hun werk hebben opgebouwd. De menschelijke hartstochten, de edele aandriften, de vreeselijke, ze gaven die in hun geestelijken oorsprong doorschouwd, ze vergeestelijkten er de zinnelijke werkingen van en schiepen een realiteit, door haar innerlijke kracht aan het eeuwig-keerende gebonden en dus onvernietigbaar als het bestaan zèlf. Ze maakten zich los van den greep der tijdelijkheid, door zelf léven te worden. Hun werk kon dus niet slinken, evenmin als het Bestaan ophouden.
Natuurlijk kan een deel van hun arbeid, persoon, toestand, verouderen, maar de dingen, waarin zij den eeuwig-onwijzigbaren aard en de diepste werkingen van liefde, begeerte, alle driften en verlangens der menschelijke natuur, in de algemeenste en tegelijk eigenste vormen vastgrepen, deze dingen blijven, onverwoestbaar. Hier openbaart zich de scheppende en onsterfelijke natuurmacht van een geestelijk-arbeidend genie, die in zijn daad,--zijn werk--het leven voortleeft als in het bestaande zelf, gecomprimeerd, saamgevat en onuitroeibaar.
Het militair genie, hoe groot ook in bepaalden tijd, is slechts een klein onderdeel van het uitsluitend geestelijk werkende genie. Zoo ook met Napoleon.
Zijn machtsglorie verblindde.... in den grond iets geheel materieels.
Napoleon was door het oorzakelijk gebeuren naar de plaats gedrongen, waar hij hoorde. Tijdgenoot van een Beethoven, nam hij de aandacht der geheele wereld oneindig meer in beslag. Omdat--het klinkt vreemd--de soort van zijn genie van een zooveel lagere orde was, en berustte op stoffelijke overheersching en stoffelijke glorie. Niet _persoonlijk_ lijkt hij kleiner genie dan Beethoven, maar de soort die hij vertegenwoordigde was 't. Het gevolg is, dat Beethoven voor de menschheid zal blijven leven en millioenen al heerlijker genot schenkt, terwijl de heugenis aan Bonaparte al meer zal verzwakken, en aan het wezenlijke geestesleven der tijden geen deel meer kan nemen. Napoleon heeft ontzettende rampen en vreeselijke doodslaanderij uitgelokt. Ik heb aangetoond dat dit in hem geen individueele wreedheid mag genoemd worden. Hij was wat hij moest zijn: de meest overweldigende herleving van het geconcentreerde heerschersbewustzijn in den nieuweren tijd, toegerust met een demonische grootheid van eigenschappen. De noodzakelijkheid, welke voor zijn glorie had gezorgd, bracht hem met even vreeselijke onverbiddelijkheid zijn val. Eerst liet zij dezen armen, naakten mensch, in duizelende vlucht losschieten tot de wolken; toen weer angstwekkend snel neertuimelen in duistere diepte van rampen.
* * * * *
Als voorbeeld van daemonische persoonskracht lijkt Napoleon onder oorlogsvoerders ongeëvenaard, door zelfbewustheid, zelfvertrouwen en geconcentreerde wilsmacht. En toch is hij een der meest tragische slachtoffers van het lot geweest. Men bestudeere zijn leven en als wij de hoogere en fijnere onderscheidingen bezitten, leeren wij allen veel van zulk een experiment: op welke wijze een mensch, als _stout individu_ de menschelijke machtsgrenzen kan voorbijsnellen. En hoe, óver deze grenzen heen, de grootste en vrijmoedigste heerscher der waereld, achter een bajonet van een Engelsch soldaat gedwongen wordt aan te loopen als machtelooze gevangene; beknelder leeft dan een landlooper, die zich nog vrij in de ruimte zijn ongedierte van 't lijf kan schurken.
Op den aard zijner eigene grootheid heeft Napoleon ten slotte zelf een merkwaardig klaren kijk gehad. Met Bertrand zich onderhoudend, zegt hij: „Generaal, wat zijn wij anders ten slotte dan lood. Zoo is het einde van ónze soort groote mannen. Evenals Caesar en Alexander, zoo word ik vergeten. Onze namen worden alleen nog voor de schoolbanken opgeroepen, en geheel naar gril en ingeving van den onderrichter hekelt of prijst hij onze daden. Als ik gestorven ben, is ook alles met mij verzonken. De scheppingen van onze grootheid gronden zich.... op het geweld.”
Dat Napoleon eerst zóó de oogen konden klaren en hij zoo vermocht te spreken even voor zijn dood, is misschien wel zijn grootste tragiek geweest.
[decoratieve illustratie]
AANHANGSEL.
Vertaling der aanhalingen.
_Bladz_: 16.
De tegenstelling welke deze buitengewone man met den algemeenen geest van zijn tijd vormt behoeft niet gezocht te worden, ze treft al dadelijk den blik.... Napoleon gelijkt een man van een ander tijdperk.
_Bladz_: 19.
Zelfs Bourienne die op het tijdstip waarin hij zijne „Herinneringen” schreef, persoonlijke redenen had om Napoleon's zachtaardigheid niet op te hemelen, beperkt zich niettemin met deze zinsnede te plaatsen op het oogenblik waarin de jonge Corsikaan verbitterd is door de spotternij zijner medeleerlingen.
_Bladz_: 25.
„Talleyrand vertelde me dat hij geen tijd had om zich te vermaken, om te gevoelen en te betreuren zooals andere mannen.”
_Bladz_: 26-27.
„Ik bezit hier geen andere middelen dan die van te werken. Ik _kleedt me slechts iedere acht dagen_; sinds mijn ziekte slaap ik zeer weinig, het is ongeloofelijk. Ik ga om tien uur naar bed en sta om vier uur 's ochtends weer op. Ik gebruik slechts één maaltijd per dag, om drie uur.... _Dit ís uitstekend voor de gezondheid_.”
_Bladz_: 29.
Op één- of twee en twintigjarigen leeftijd moet Napoleon zeer verschild hebben van wat men in Parijs een beminnelijk jong mensch noemt en zijn vreugde was groot bij Mevrouw Colombier in den smaak te vallen.
_Bladz_: 29.
Te Valencia werd hij al dadelijk opgemerkt; hij beviel de vrouwen door zijn nieuwe en trotsche denkbeelden, door zijn stoutmoedige beweringen. De mannen vreesden zijn logika en de gesprekken, waarin de bewustheid van zijn persoonlijke kracht hen gemakkelijk meesleepte.
_Bladz_: 30.
De waarheden en gevoelens te bepalen welke noodig zijn de menschen in te prenten voor hun geluk.
_Bladz_: 30.
„Volgens de wijze waarop hij dit onderwerp behandelde en ondanks de geestdrift die hij erin legde is het toch geoorloofd te besluiten dat hij niet de minste roeping had voor het vak van zedemeester.”
_Bladz_: 32.
Nimmer heeft een menschelijk wezen zooveel wreedheid, verdrukkingszucht, heftigheid, verspilzucht, lage ontucht, gierigheid in zich vereenigd als deze Napoleon. Nimmer had de natuur nog zulk een afschuwelijk wezen voortgebracht.
_Bladz_: 32.
Diderot, zoon van een messenmaker, was een _zeer onzedelijk mensch_ en heeft heel loszinnige werken doen verschijnen.
_Bladz_: 32.
In 't algemeen was Rousseau in Frankrijk _bekend_ als de laagste der menschen.
_Bladz_: 33.
.... wil Frederik de Groote nà-âpen; hij tracht het hoofd te dragen als Frederik het deed; hij heeft snuiftabak in zijn vestzak als Frederik. Hij heeft dansen geleerd, omdat Lodewijk XIV ook danste. Zoodra hij tot het Consulaatschap geraakt was, ging hij jagen; nooit van zijn leven had hij nog gejaagd; hij werd jager om de koningen van Frankrijk na te bootsen.
Men heeft beweerd dat deze groote staatsman, deze groote kapitein, die groote wijsgeer, een vijand was van losbandigheid, dat hij zelfs vrij was van de zwakheden welke men enkele groote mannen verwijten kan. Hij bezit twee smaken die men zelden in denzelfden man tegelijk aantreft: hij is ontuchtig met de vrouwen en bezit de ondeugd waarvan men valschelijk Socrates beschuldigde. Zijn aartskanselier Cambacérès staat hem prachtig terzij in deze schandelijke neiging! Ik zou niet verwonderd zijn geweest als hij op zekeren dag, om Nero in alles na te volgen, een zijner pages en een zijner mamelukken huwde. Hij was zonder eerbied voor de kuischheid en verheelde zelfs geen bloedschande; hij heeft openlijk geleefd met zijn twee zusters, de dames Murat en Borghèse; de eerste beroemde er zich jegens een ieder op. Men weet genoeg dat, toen Mevrouw Lodewijk Bonaparte, de dochter van Joséphine, zwanger van Napoleon was, hij zijn broeder dwong haar te huwen. Niet minder zeker is het dat diezelfde Napoleon de vader is van een ander kind waarvan deze dame achttien maanden geleden beviel.
_Bladz_: 34-35.
In dezen grooten overblijver van de XVe eeuw verschijnen zij opnieuw. De werking van het zenuwstelsel is bij hem gelijk aan dat zijner Italiaansche voorouders; zelfs bij de Malatesta's en de Borgia's zijn er nimmer nog gevoeliger en impulsiever hersenen voorgekomen, in staat zulke electrische ladingen en ontladingen te weeg te brengen en waarin de inwendige beroering aanhoudender en donderender was, ook plotselinger in bliksemsnelheid en onweerstaanbaarder in gebeuren. Geen enkel denkbeeld blijft bij hem gewaagd en zuiver; geen enkel ervan is een eenvoudige copie van het reëele of een simpel tafereel van het mogelijke; een elk ervan is een inwendige schok, die onmiddellijk en spontaan ernaar streeft zich in een daad om te zetten; een elk ervan schiet naar voren, snelt op zijn bestemming aan en zou ook zonder oponthoud er toe geraken, indien hij niet door geweld werd teruggedrongen en ingehouden. Soms is de uitbarsting zoo snel dat de onderdrukking ervan niet tijdig genoeg plaats heeft.
_Bladz_: 35.
Op zekeren dag in Egypte, toen hij eenige Fransche dames bij zich had te dineeren, liet hij een mooi wezen, wier echtgenoot hij naar Frankrijk teruggezonden had, naast zich plaats nemen. Plotseling en als door onachtzaamheid stort hij den inhoud eener karaf vol water over haar heen en onder voorwendsel de daardoor veroorzaakte wanorde in haar toilet te herstellen, neemt hij haar met zich mee in zijn appartement; langen tijd, te langen tijd blijft hij daar met haar, terwijl de gasten om de tafel aan het onderbroken diner gezeten, wachten en elkaar aankijken.
_Bladz_: 35.
Te Parijs, een anderen dag, omstreeks het tijdstip van het concordaat, zei hij tot den senator Volney: „Frankrijk wil een godsdienst.” Droogaf en vrijuit antwoordde Volney: „Frankrijk wil de Bourbons.” Hij dient daarop Volney zulk een schop in den buik toe dat deze buiten kennis geraakt en bij een vriend gebracht, daar ziek te bed blijft liggen gedurende eenige dagen.
_Bladz_: 36.
Is het niet ellendig de wijsbegeerte der geschiedenis acht te zien slaan op de roddelarijen van twee blauwkousen; beide toch waren onmachtig ooit de brandende misrekeningen van hunne vrouwelijke ijdelheid te vergeven?
Met gretige tanden den man te verscheuren die hen afwees is voor het zwakkere geslacht de banale en onvermijdelijke wraak der droombeelden, gelijk die van Mevrouw de Stael; zij toch werd koel teruggestooten toen zij ontvlamd was bij den waan weer de groote gunstelinge van voorheen te kunnen spelen, evenals het gevolg moet zijn geweest van het verblijf van Mevr. de Remusat bij den Keizer te Pont de Briques, waar deze dacht een machtigen invloed op hem te hebben verkregen. Als dit geen diepe teleurstelling is hoe zijn dan anders te verklaren de gruwelijkheden in de herinneringen ten beste gegeven en tegelijk de geestdrift of beter gezegd het fetichisme waar Napoleon Mevr. de Remusat mee vervoerde na de lange avonden van samenzijn voorheen door hen geleefd?
_Bladz_: 36-37.
Om deze zaak te bekrachtigen haalt men drie schrijvers aan. Toch is er wel een weinig wantrouwen veroorloofd wanneer men bemerkt dat deze drie schrijvers in werkelijkheid een en dezelfde verhaler zijn.
Bodin toch zegt het feit te hebben van Besnard en Sainte Beuve beroept zich weer op Bodin.
Aldus berustte het verhaaltje van den beruchten schop uitsluitend op de bevestiging van den negentigjarigen Besnard.
Naast deze wrakke veronderstellingen en bewijzen bestaat er een onweerlegbaar feit, dat, minstens genomen bewijst dat Volney, die een beschaafden geest bezat, geen weerwraak wilde en iets anders dan dezen schop ontvangen had: hij behield namelijk zijn senatorszetel en weldra werd hij geldelijk beloond en in den adelstand verheven; bij den val van het Keizerrijk was hij Senator, graaf en kommandeur van het Legioen van Eer.
_Bladz_: 37.
Ja, het is waarachtig de troon van Karel de Groote die zich na tien eeuwen weer opricht.
_Bladz_: 37.
Het was Gode gevallig dezen held met alle groote hoedanigheden te begiftigen.
_Bladz_: 37.
De aarde zweeg voor Alexander die haar wilde onderwerpen; voor Napoleon, de aarde, de zeeën die hij wil oversteken, het heelal dat hij van zijn naam vervult, verkondigen luide de grootheid van zijn ziel!
_Bladz_: 37-38.
De man voor wien het heelal zwijgt is ook die, waaraan het heelal zich toevertrouwt.
_Bladz_: 38.
Welke god heeft ons deze genoegens verschaft? Het is deze buitengewone man die Frankrijk verjongd heeft.
_Bladz_: 38.
Napoleon staat boven de menschelijke geschiedenis; hij behoort tot de heldentijden en is boven alle verheerlijking verheven.
_Bladz_: 38.
Niemand was gevoeliger, niemand standvastiger in zijn genegenheden dan Napoleon.
_Bladz_: 38.
.... „dat hij gaarne tegenspraak duldde en zelfs dat hij vaak toegaf.”
_Bladz_: 39.
„--vond hem zachtaardig van voorkomen, een eenvoud in zijne manieren die afstak bij de altijd tooneelmatige wijze van doen van Lucien.”
_Bladz_: 39.
„--zijn blik verkreeg een oneindige zachtheid.”
_Bladz_: 52.
„Ik geloof dat de liefde schadelijk is voor de maatschappij en het geluk der menschen. Ten slotte geloof ik dat de liefde meer kwaad dan goed doet.”
_Bladz_: 53.
Ik ontvang je brief mijn aanbiddelijke vriendin; hij heeft mijn hart vervuld van vreugde.... Sinds ik je verliet was ik steeds bedroefd. Mijn geluk is bij jou te zijn. Onophoudelijk herhalen zich in mijne gedachten je kussen, je tranen, je liefelijke jaloerschheid; en de bekoorlijkheden der onvergelijkelijke Josephine ontsteken voortdurend een laaiende, gloeiende vlam in mijn hart en zinnen.
_Bladz_: 53.
Ach! ik bid je, laat mij eenige van je gebreken zien; wees minder schoon, minder gracieus, minder teêr, vooral minder goed. Wees vooral ook nimmer jaloersch, ween nooit; je tranen ontnemen mij het verstand, verschroeien mijn bloed. Wees ervan verzekerd dat het niet meer in mijn macht staat een enkele gedachte te hebben die niet voor jou is,--en een denkbeeld, jou niet toegewijd.
Rust goed uit. Herstel spoedig je gezondheid. Kom bij me; en dat we tenminste, alvorens te sterven, kunnen zeggen: „Wij waren zooveel dagen gelukkig!” Duizend kussen en zelfs aan Fortuné ondanks zijn kwaadaardigheid.
_Bladz_: 58.
„....dat hij zelfs in het schaakspel zijn beide raadsheeren weer wist te herwinnen. Hij hield er niet van dat men dit te ernstig opmerkte, hij lachte er zelf het eerst om, maar was toch kwaad als men er te veel belang aan hechtte; en feitelijk moest men er eigenlijk meer om spotten dan er kwaad om worden, want hij speelde nimmer om geld.”
INHOUD.
blz.
Psychologie van den kunstenaar-historicus 5
Napoleon's jeugd 16
Vereerders en Haters van Napoleon 28
Napoleon als karakter 40
Karaktertegenstrijdigheden 52
De Tragiek van Napoleon 63
Zijn verblijf op St. Helena 82
Zijn bestemming 95
Aanhangsel (Vertalingen der aanhalingen) 101
+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: aan de onzettende rampen van het | | C: aan de ontzettende rampen van het | | B: à la Louise Mülhbach, die | | C: à la Louise Mühlbach, die | | B: dezen haat verteld.--„Waar ik | | C: dezen haat vertelt.--„Waar ik | | B: machtige keizer .Als ge leest | | C: machtige keizer. Als ge leest | | B: force l'entrâinaient facilement.” | | C: force l'entraînaient facilement.” | | B: te zien. Als een zelfdzaam | | C: te zien. Als een zeldzaam | | B: Borghèse; le première s'en | | C: Borghèse; la première s'en | | B: madamme Louis Bonaparté, fille de | | C: madame Louis Bonaparté, fille de | | B: intervalle, sie elle n'était contenue | | C: intervalle, si elle n'était contenue | | B: même à Fortuné en depit de | | C: même à Fortuné en dépit de | | B: en depit de sa méchanceté.” | | C: en dépit de sa méchanceté.” | | B: Schilderij van Gérard | | C: Schilderij van Gérard. | | B: werd van Graaf Neipperb, 't deert | | C: werd van Graaf Neipperg, 't deert | | B: van generaal Neipperb, geheel in strijd | | C: van generaal Neipperg, geheel in strijd | | B: baron Neipperb, zoo goed kreeg op | | C: baron Neipperg, zoo goed kreeg op | | B: _Bladz_: 16. | | C: _Bladz_: 16. | | B: „De tegenstelling welke | | C: De tegenstelling welke | | B: _Bladz_: 25 | | C: _Bladz_: 25. | | B: _Bladz_: 26-27 | | C: _Bladz_: 26-27. | | B: _Bladz_: 29 | | C: _Bladz_: 29. | | B: _Bladz_: 29 | | C: _Bladz_: 29. | | B: _Bladz_: 30 | | C: _Bladz_: 30. | | B: _Bladz_: 30 | | C: _Bladz_: 30. | | B: _Bladz_: 32 | | C: _Bladz_: 32. | | B: _Bladz_: 32 | | C: _Bladz_: 32. | | B: _Bladz_: 32 | | C: _Bladz_: 32. | | B: _Bladz_: 33 | | C: _Bladz_: 33. | | B: _Bladz_: 34-35 | | C: _Bladz_: 34-35. | | B: onweerlegbbaar feit, dat, minstens | | C: onweerlegbaar feit, dat, minstens | | B: „Napoleon staat boven de menschelijke | | C: Napoleon staat boven de menschelijke | | B: _Bladz_: 39 | | C: _Bladz_: 39. | | B: jou niet toegewijd.” | | C: jou niet toegewijd. | | B: hij speelde nimmer om geld. | | C: hij speelde nimmer om geld.” | | | +--------------------------------------------------------+