Part 7
Wanneer het knaapje greep naar de gekleurde spelden die Napoleon, bij zijn veldslag-berekeningen en troepen-overzicht altijd op zijn plattegronden en kaarten gebruikte, en alles in de war smakte, zoudt ge niet meenen, dat de tyran en opvliegende trotschaard losstormde, en het kind in een hoek smakte? Het tegendeel is waar. Honderd keer liet hij de speelsche pootjes van het plagende koninkje al zijn spelden-combinaties in de war gooien en nooit volgde de kleinste snauw.
Dat kind nu, werd hem onthouden. Een zijner droefheden, die hij met nimmer-morrende gelatenheid in zijn eenzaamste peinzen doorleefde in zijn ellendige kamer, een somber, verwaarloosd, vochtig krot, een bouwvallige boerderij, waar het stonk naar mest, stalvuil, en waar vetgevreten ratten onbeschaamde wandeltochten langs zijn keizerlijke beenen maakten. Fremeaux zegt niet te veel: „een woon voor beesten gebouwd,” waarin de ellendige Hudson Lowe, den grootsten held zijner eeuw gevangen hield, bewaakt en beloerd bij iedere beweging. En hoe de haat en de afschuw zelfs de feiten van simpel-waarneembaren aard kunnen verwringen, leert u de wijze waarop de vooringenomen Henry ons Napoleon te St. Helena schetst en hoe, in geheel onpartijdige juistheid het Betsy Balcombe doet. Henry schrijft: „In Napoleon is niets indrukwekkends. Zijn gestalte is klein, vet, ineengedrongen, zijn hoofd is tusschen de schouders ingezakt, zijn gezicht dik, met breede kin-plooien. Zijn gelaat is kwaadaardig, barsch van uiterlijk, en zijn vetbuikigheid doet hem op een Spaanschen smulpaap gelijken.”
Het kind van Les Briars, Betsy, beschrijft hem echter later als „iemand van indrukwekkend en edel uiterlijk. Ik heb nog nimmer zulk een eigenaardig gelaat bekeken. Er zijn verscheidene portretten van Napoleon, die vrijwel gelijken; maar wat niemand heeft kunnen weergeven.... 't waren zijn betooverenden glimlach en den indringenden blik van zijn oogen. Zijn gelaatstrekken bleven altijd zeer mooi, ondanks de vreemde bleekte en zekere koelheid soms. Zijn manieren waren zacht.”
Nu zijn de feiten omtrent de afsnijding van hem en het leven van 't jonge koningtje zóó. De Engelschen weigerden hem ieder bericht omtrent zijn kind. Hij wou alles weten van zijn bestaan, zijn doen. Men zweeg. Slechts voor zijn zeer intieme omgeving op St. Helena, tegen de Montholon's sprak hij bij zeldzame gelegenheid even een brandend woord van zijn smachten naar dit kind.
In zijn wegkwijnende veroudering op de mistige St. Helena-rotsen waren zijn slapelooze nachten vooral van een helschen, martelenden duur en eindeloosheid. Tot Gourgaud, de eerzuchtige en humeurige Gourgaud zegt hij: „Gij klaagt en jammert.... Bekijk mij eens.... bedenk mijn slapelooze nachten en daarin mijn ellende! Gelooft ge dat ook ik helsche uren doorleef, als ik bedenk wie ik was en wie ik nu ben, van alles afgescheurd!”
Even voor zijn dood is hij van een grootsche zelfbeheersching. Het uur komt waarop hij zijn testament wil maken, alleen tezaam met Comte de Montholon. Hij wil rusten tusschen de Seine-oevers. Een hartverscheurend oogenblik nadert, als hij zich, hijgende van benauwdheid en inspanning moet uitspreken over het lot van zijn achterblijvend kind, dat te midden van zijns vaders lasterende vijanden opgroeit, en de Weensche hofatmospheer inademt; als hij het lot bepeinst van dit dierbare tienjarig knaapje, zijn bloed, zijn alles. Napoleon was getrouwd met Maria Louise, dochter van den Oostenrijkschen Keizer Frans. Maria Louise's persoonlijkheid kan ik hier niet behandelen. Toch moet haar gedrag tegenover den grooten man, met enkele woorden gekarakteriseerd. Het was monsterachtig, wreedaardig en weerzinwekkend zelfzuchtig. Ze heeft de tragische grootheid van haar gemaal met een harte-kilheid beoordeeld, zooals men ze niet erger van een vijand verwachten mag. Dat zij, tijdens Napoleon's leven bijzit werd van Graaf Neipperg, 't deert ons niet. Ze heeft nooit wezenlijk van Napoleon gehouden. Bovendien, intiem-persoonlijke aangelegenheden kunnen ons niet ter beoordeeling verlokken. De daad, in haar subtielsten oorsprong, ontgaat meestal den buitenstaander. Maar voor iedereen en geheel controleerbaar feit is haar schandelijke en openlijke verwaarloozing van Napoleon _na_ zijn val. Eens toch was zij zijn vrouw, ving ze mee óp de schittering van zijn roem. Ze hadden een zoon. Ze wist dat het Napoleon's oogappel was. Had zij nu Bonaparte niet moeten probeeren te naderen, of een enkel troostwoord toeroepen, ook al had ze hem niet lief als echtgenoot? Had zij die schriklijk-sombere eentonigheid der St. Helena-gevangenschap niet met een énkel zoet of zacht woord van meelevend herinneren moeten breken? Altijd hoorde hij in de stille avonden de zee-branding tegen de rotskusten; nooit, nooit een ander geluid, een andere stem.... En daar, in het glanzende hofleven.... zijn vrouw kommerloos lachend, en genietend.... het stemmetje van zijn argeloos kind erneven....
Ze heeft nimmer het geringste levensteeken gegeven, noch één troostwoord gesproken. In zelfzuchtige genots-bedwelmingen laat zij zich bevleien door den baron, haar minnaar, en ze lastert mee op haar man mèt de lasterende en hoonend-spottende vijanden.
En Napoleon, zonder één wrevelig woord, wachtte op, snakte naar dit levensteeken. Maar de zee bleef druischen, eeuwig druischen, hetzelfde donkere gezang tegen de rotsen en bazaltblokken. En in zijn krot, riekend naar stallucht en schimmel, sprongen de vette ratten met hupsche sprongen over zijn beenen.
Geen tragiek?
En op het uur nu, kort voor zijn dood, stelt hij zijn testament. Het vreeselijk-bleeke en ingezonken gelaat start in hevige droefheid. Hij mijmert en aarzelt vóór hij Montholon verder dicteert. Eindelijk werkt de haperende stem zich los uit de hevige ontroering, overwint hij smaad, krenkings-gevoel en verbitterd na-peinzen.... verzoekt hij te schrijven: „Ik kan mijn voortdurende tevredenheid betuigen over mijn dierbare echtgenoote, Maria Louise, en in haar bescherming beveel ik mijn kind aan. Voor haar zelve, voel ik tot op dit laatste uur niets dan teedre en innige gevoelens.”
Ik heb dit gedeelte van zijn testament nooit met droge oogen kunnen lezen. Het is zoo ontzettend-ingehouden smartelijk en zoo gróót-menschelijk van beheersching. En op een ander plan van gewaarworden, geeft het gelijksoortige ontroeringen als het groot-menschelijk geschreven testament van Beethoven, dat ook een geweldig brok levenstragiek saamvat in zijn droefste vormen.
* * * * *
Nu kan men nog zeggen, dat de teederheid van Napoleon alleen door de doodsuren was ingegeven, diepte en duur miste. Maar lees dan hoe Napoleon zich tegenover de onbeteekenende en onwaardige vrouw Louise gedroeg, tijdens zijn glorie en erkend keizerschap van Frankrijk. Coulaincourt verklaart dat al zijn aandacht en oplettendheid naar haar ging.
Champagny verklaart, dat al zijn fijnste aandacht onafgebroken naar de keizerin ging.
* * * * *
Er zijn nog vele getuigenissen meer te geven van zijn kieschheid, bewondering, liefde en ontzag, welke hij Maria Louise toonde. Zelfs Metternich getuigt gretig mede. En 't allermeest, in haar eerste huwelijks-correspondentie.... Maria Louise zelve, bekentenissen van liefde, overgave en geluksvervoeringen, welke niet meer konden te niet gedaan worden door latere woorden: „eigenlijk heb ik voor Napoleon nooit wezenlijk teedere gevoelens gekoesterd.” Dat waren de kille woorden van de beangste bijzit van generaal Neipperg, geheel in strijd met haar eigen, ongedwongen gegeven getuigenissen van huwelijksgeluk aan haar vriendinnen. Het is Levy die dit feit in zijn boek over Napoleon voortreffelijk doet gevoelen.
* * * * *
En nu, Napoleon's eigen tragisch leven op St. Helena.
Allereerst dan de boosaardige kwellingen die hij te dulden en te verduren had van Hudson Lowe, den menschelijken waakhond van Napoleon. Over dezen man is veel geschreven, zelden iets wezenlijk-verdedigends. Ik wil me niet in bizonderheden verdiepen over den krassen kommandant van St. Helena, wat den oorsprong van zijn haat aan Napoleon betreft. Ik constateer slechts daden, en hun verderfelijke krenking van Napoleon's rust.
Zoo goed als Maria Louise zekere stoutzinnige verdedigers of goedpraters van haar daden vond, o. a. in Fournier, „Maria Louise et la chute de Napoléon,” en zelfs de krijgshaftig zwarte lappen voor de oogen dragende baron Neipperg, zoo goed kreeg op zijn beurt, ook Hudson Lowe zijn pleiters van verzachtende omstandigheden. Onder meer het boek van Seaton „Napoleon's captivity in relation to Sir Hudson Lowe.” Ook Edmond Meyer neemt het voor Hudson Lowe op, wat de noodzakelijkheid zijner waakzaamheid betrof. Bovendien behooren de rapporten van Balmuin nog genoemd, den Russischen commissaris, aan zijn toenmalige regeering overlegd. En dan nog dient gememoreerd wat Forsyth ter verdediging van Hudson Lowe, den kwelgeest van den onttroonden keizer, in het midden heeft gebracht.
Seaton vooral is door Paul Fremeaux aangepakt. Eerst Fremeaux door Seaton, Hudson Lowe's verdediger, en toen, op onbarmhartige maar zeer gedocumenteerde wijze, Seaton door Fremeaux, een der grootste, zoo niet de grootste kenner van alles wat betrekking heeft op Napoleon's leven te Sint Helena. Eerst toont geestig Fremeaux aan, dat de twéé verdedigers van Hudson Lowe slechts één persoon zijn, onder twee namen werkend.
Forsyth en Seaton zijn dezelfde. Het voortreffelijk en gevoelig, toch zeer zuiver geschreven werk van Fremeaux lijkt mij het boeiendste boek over St. Helena gepubliceerd en maakt den indruk van volkomen betrouwbaarheid en met groote zaakkennis bearbeid te zijn. Toch, alweer, het beste is, eigen indrukken, na alle gegevens omtrent personen en handelingen te hebben bestudeerd, aan eigen gevoel te toetsen. En dan maakt Hudson Lowe een vreeselijken indruk. Een dwarse, trotsche, domme tergnatuur, van al het geniale en spontaan-groote afkeerig uit afgunstigen wrok; wrok der middelmatigheid tegen geestelijk-machtigen.
Hudson Lowe heeft Napoleon duldeloos gesard, onbeschoft behandeld en grovelijk beleedigd. Hij heeft hem _in_ zijn val op smadelijk-plompe en harteloos-onhebbelijke wijze, ieder uur van zijn vulgair cipierschap, _aan_ dien val herinnerd. Hudson Lowe heeft al de tragische grootheid,--ook in zijn ongeluk bleef Bonaparte een reus,--van Napoleon bezoedeld met zijn bureaucratische douanen-gestrengheid, en geen minuut verzuimd, zijn kleine, bekrompen cipiersziel te toonen, als hij maar den „generaal” kon kwetsen en kleinhouden. Hij heeft van zijn laffe, maar veilige overmacht zich klaar bewust, een geslagene en gebondene afgemat en getergd met schandelijk-onkiesche en wee-opdringerige contrôle. Zooals een opzichter van een drukke week-markt in een provinciestadje de baas speelt over boeren en buitenlui, met zijn officieel petje op den lompen kop, zich bluffend-lekker voelt met zijn rijks-gezag, zoo, even bekrompen en opgeblazen en stom-aanmatigend, voelde zich de gouverneur van St. Helena tegenover den gevangen Napoleon. Met een haveloos verstand tastte hij diens rang en grootheid aan, en de grievendste beleedigingen in den omgang bedacht hij om dit „generaaltje” klein te krijgen. In Automarchi's dagboek verhaalt deze docter van Bonaparte, op welke wijze Napoleon verzoeken van zijn familie, om hem in zijn gevangenisschap te troosten, van de hand wees. „Nimmer zal ik er in bewilligen dat mijn familie ziet op welk een weerzinwekkende en hatelijk-minachtende wijze de Engelschen mij hier behandelen, aan welke beleedigingen en gemeenheden ik hier word blootgesteld. Ik wil niet dat iemand dàt ziet. Het is al erg genoeg, dat ik het zélf moet dulden.”
Automarchi verhaalt van de ontroering die den keizer beving bij deze woorden.... Ook deze dokter getuigt telkens en telkens weer van Napoleon's humeur op St. Helena. „Napoleon,” verhaalt hij, „luisterde naar ons, beantwoordde onze vragen, moedigde ons in een onderhoud aan door zijn geestige, gevatte opmerkingen. Hij was vriendelijk, opgewekt, correct, zachtzinnig, hij was een zeer beminlijk en goed mensch, vol hartelijkheid, eenvoud en belangstelling. Als hij iets verweet was het op den toon van een vriend; raad gaf, op dien van een vader. Op het moment van toorn, kon hij een oogenblik verschrikkelijk zijn; maar was deze voorbij, en meende hij iemand onnoodig driftig te hebben behandeld, dan deed hij alles om 't weer goed te maken.”
Zoo schetst ons Automarchi den rampzaligen man, die zelf voelde dat hij voor de waereld opgehouden had te leven. En deze tragische held werd in zijn ongeluk nog getergde prooi van het kleingiftige waakbeest Hudson Lowe.
Dapper, om een opgesloten leeuw, in zijn kooi met een lang stroo de ooren te kittelen en met een stok te dreigen. Wie voelt niet den starend-stalen blik van een gekrenkt koningsdier, als ge 't gewaagd hebt in laf genoegen, hem in zijn traliekooi óp te jagen met uw malle parapluie? Het kijken van zulk een heerschend schepsel, drong evenmin tot dezen bekrompen kustwachter door.
In de meest persoonlijke levens-aangelegenheden van Napoleon wou hij schaamteloos doordringen. Hij gunde hem geen rust, geen beperkte vrijheid van wandelen en bewegen, zelfs zijn omgeving geen voldoende voedsel. Hij omgonsde hem met zijn waakzame oplettendheid, als een mug, loerend op zoet menschenbloed, en die, na iederen wilden slag van de hand in 't duister 's nachts, een slapelooze kwelt, sart en afmartelt. Eens werd het zóó erg dat Napoleon hem toegang weigerde tot zijn woon, en bezwoer dat hij slechts over zijn lijk den drempel zou overtreden. Toen, een weinig beangst, druilde de kweller af.
* * * * *
Napoleon's vereenzaamde leven op Sint Helena is van een angstwekkende verlatenheid geweest. Iederen dag groeide de doods-schaduw voor zijn oogen. Ook het sterf-bewustzijn van Napoleon loochende Hudson Lowe, en zijn ziekte beschouwt hij argwanend als een soort tooneelspel van een arglistige.
Geen brief mocht Napoleon ongeopend ontvangen noch verzenden. Alles moest eerst door Hudson Lowe gelezen en gekeurd worden. Achter iederen stap van den keizer volgde de stap van een bewaker. Zes soorten van signalen werkten op het eiland ten dienste van een gansche vloot, om Napoleon te bewaken van uur tot uur,.... Deze onteerende ziel deed het met wellust en wrok en verscherpte nog de meest krenkende voorschriften met een hatelijk genoegen. De meest gestrenge bevelen had deze man niet dan zonder zekere ingetogenheid en ontroering moeten volbrengen, gelijk zijn voorganger. In tegenwoordigheid van Admiraal Molcolm riep Napoleon het hem toe: „U vult uwe dagen door allerlei kleinzielige, grievende en beleedigende dingen voor mij uit te denken. Als gedeporteerde boeven, zoo bewaakt ge ons. Generaals, die enorme legers hebben aangevoerd, behandelt gij als korporaals.... Een boek, mij opgedragen als keizer, hieldt gij achter, omdat ik er in als keizer werd toegesproken.” Toen steeg de drift en verontwaardiging van Napoleon en hij viel uit, geweldig:
„Mijnheer, bedenk wel, ik ben keizer, kéizer Napoleon.... het is een boosaardige beleediging mij „generaal” te noemen. Engeland zal niet meer bestaan als men nog van Keizer Napoleon zal spreken.”
Deze uitdagend-gloeiende woorden zijn wel in hooghartigen trots door den regeerder en heerscher Napoleon gesproken. Het was een losbarsting na grievende en vernederende gedragingen, lang en lang van den cipier Sir Hudson Lowe te hebben geduld. Misschien te fel, te zelfbewust, te hoog-brandend van individualistisch gevoel tot vlam van toorn aangeflakkerd, maar toch begrijpelijk en te verwachten. De waakhond gromde en ging voort met kwellen en sarren en sprak, de gansche roemrijke geschiedenis van Napoleon uitschakelend, van den barschen en lompen „generaal” Bonaparte.
Fremeaux spreekt over Hudson Lowe met niet minder afschuw dan Kielland, en vele anderen, die zoo goed als ik de zware verantwoordelijke bewakings-taak van dien gouverneur erkennen, doch welke met zooveel kiesche tact had moeten worden ten uitvoer gebracht.
Vlak vóór de in stilte weenende oogen van Napoleon, heesch hij ieder uur, de zwarte zeilen van het schip dat neven den gevangene, den Dood als passagier had opgenomen.
* * * * *
Een der vreeselijkste dingen voor Napoleon op St. Helena was...... de verveling. Heel de slaperige en ingezonken, moede en lustelooze omgeving van den keizer te Langwood werd er door aangevreten. Napoleon zélf kwelde ze het hevigst. Alle getrouwen wilden, ziek van heimwee, ellende en verveling, hem verlaten. Las Cases.... Mevrouw de Montholon, Graaf de Montholon, zijn allertrouwste zelfs.... Mevrouw Bertrand.... O, die eindelooze, kwijnende dagen op het rotseneiland, dit kille, grauwe, sombere oord, ze groeiden aanéén tot onafzienbaar zich uitrekkend grauw, grauw van verveling, eentonig en droefgeestig en troosteloos als het eeuwige zee-geruisch.
* * * * *
Napoleon zit in zijn donker vertrek, ingezonken. De droefheid kwijnt in zijn gedoofde oogen.... Hij hoort het zee-ruischen.... Het wordt avond; stilte.... angstige, drukkende uitgestorvenheid; het wordt nacht.... Slapeloos mijmeren, verlangen en smachten naar iets dat nooit weerkeert.... Het wordt weer morgen.... dezelfde kwellingen, eentonigheid en bedrijfloosheid. Hij grijpt altijd weer naar dezelfde boeken.... komt altijd weer terug op dezelfde gesprekken.... ziet altijd weer dezelfde gelaten, oogen, trekken, onder één licht, en dezelfde naargeestige kamer. Nooit een nieuw gezicht, een nieuwe stem, een afleiding, wisseling van omgeving.
En zulk eentonigheids-gemartel voor een man als Napoleon, die in de hoogste beweeg'lijkheid, wisseling van gebeuren, vrijheid van handelen, eerst ademen en gezond kon blijven.
Zaagt ge ooit een visch op het droge luchtzuigen, die vreeselijke, krampachtige trilling in de kieuwen, de benauwing in het springende, plotselinge stuiptrekkende bewegen? Zoo moet, in deze opgeslotene, omknelde gevangenschap Napoleon zich gevoeld hebben.
Zijn vroege dood verloste hem van dat duistere, kruipende, zich zacht uitrengelende, dan weer inkronkelende monster: verveling, dat hem de dagen, de avonden, de nachten tot een knagend-martelend verdriet maakte.
„Alweer een overwinning op den tijd,” riep hij wild uit, als hij na een gesprek of een voorlezinkje, vroeg hoe laat het was, en het bleek later te zijn dan hij vermoedde.
Wekt ook zulk bestaan geen diep, smartelijk meegevoel?
Ondanks, of misschien wel door zijn peinzende droefgeestigheid, gaf hij prachtige gedachten over allerlei dingen; kostelijke bespotting van de geneeskunst, geheel in den geest van Rousseau. Maar zeer klare en schoone dingen beweerde hij over het treurspel. Den treurspel-schrijver stelde hij oneindig veel hooger dan den grootsten en den meest nauwkeurigen geschiedkundige. Gene gaf de ziel, de andere slechts het uiterlijk gebeuren der dingen. En dat gebeuren vaak nog verward en onjuist. Ook Napoleon's geestelijk leven op Sint Helena zou een afzonderlijke studie en behandeling waard zijn.
[decoratieve illustratie]
ZIJN BESTEMMING.
Als men zich nu afvraagt: wat was en wat is Napoleon nu eigenlijk voor de menschheid, dan kan men vrijelijk antwoorden: voor de menschheid _was_ hij tijdens zijn leven een der grootste verschijnselen en verschijningen; _is_ hij, ná zijn leven, niets meer.
Dit zonderling-tegenstrijdige feit wordt verklaard door den aard van zijn genie en enorme gaven, die toch alleen uit een bestaans-negativiteit groeien konden. Als ge den levenden bloei van een tarwe-bloem ziet, dan hebt gij vreugde in haar schoon, maar ook weet ge de gezegende kracht van het zaad, waaruit ze is opgeschoten. Ook de giftbloem heeft een levens-bloei, die in haar flonkering en gloed toch de kwaadsappigheid van haar bloed niet verbergen kan. Het oorlogs-genie, en het geestelijke genie staan in zulk een bange verhouding tot elkaar. Het oorlogs-genie gekoppeld aan een machts-wellusteling, een heerscher, nog angstwekkender.
Al Napoleon's levens-bewegingen waren gericht op stoffelijke glorie en op concrete geweldenarij, en daarmee al gebonden aan het vergankelijke en materieel-wegzinkende. Zijn veldheers-genie mag met een glans uit de hoogte omstraald zijn geweest, het miste den geestelijken ondergrond van de dingen die eeuwig blijven en altijd weerkeeren in het bestaan. Onder bepaalde voorwaarden kon dit genie stralen voor den tijd waarin het zich openbaarde, was het van levende waarde, daarna slechts werd het van historische beteekenis voor het nageslacht. Niet slechts zijn daadwerkelijke glorie, maar ook het innerlijk wezen eindigt bij en met den persoon zelf. Zijn scheppende daad heeft geen duur; ze vergaat met het gebeuren en de wisseling aller dingen, komt steeds verder en verder van ons af te staan. Dit is bij geestelijke grootheid en bij daden van scheppende werkers op geestelijk gebied, in ruimsten zin bezien, nooit het geval. Ik zou willen schrijven: die worden ons steeds klaarder en onbenevelder in hunne schoonheid door den tijd-afstand heen.
Ik verzoek u even een stap achterwaarts in de geschiedenis te doen. Voor wie onzer _leeft_ nog het vechtgedoe van Alexander de Groote? Voor wie al de andere handelingen van vechthelden, als hun daden niet door een groot kunstenaar bezongen of in beeld gebracht zijn? Ge zult opmerken: dan léven toch hun daden. Zou 't? Of leeft alleen de geestelijke herscheppings-daad van den kunstenaar, die een doode en verwelkte stof met nieuw leven uit zijn hart bezielde? Over tienduizend jaar....
Nu lacht ge.... ik voel 't!
En toch allersnoepigste en gewiktste lezers.... en toch zal het moment over tienduizend jaar er even onafwendbaar zijn, als morgen.... uw „twaalfuurtje.”
Over tienduizend jaar,--ik ga voort ongestoord,--zal de gansche Napoleon uitsluitend een historische herinnering zijn.... Niets meer.
Nu nog bestaan onze rechtsinstellingen, onze militaire legers, onze scholen, onze klasse-verhoudingen.
Dán is er een geheel andere maatschappij, met een geheel andere techniek en door een gansch ander levens-ideaal gestuwd. Men zal de strategie van Napoleon achterlijk noemen, hoe geniaal ook in de lijst van zijn tijd, en om den waan van een wereldrijk-verovering, onder auspiciën van één schepsel, lachen. Onafhankelijk van de dán bestaande maatschappelijke ontwikkeling zal men zeker zijn persoonlijk genie, in geestelijke vormen naar buiten tredend, erkennen en ontzaglijk noemen, en toch in heel zijn individueele bestaan slechts een slachtofferschap zien van tijd, aanleg en gebeuren. Voor het geestelijke leven van het menschdom zal dit eens zoo groote genie waardeloos wezen. Want zelfs de inspiratie's die zijn daden kunnen wekken in jonge zielen, als koenheid, wilsvastheid, daadkracht, discipline, zullen andere uitwerking hebben, omdat ze op geheel andere objecten betrokken, ook slechts door geheel andere prikkels in actie worden gebracht. Een tijd, waarin het bloedvergieten als een afschuwelijke, lage en zieke daad, door de geheele menschheid zal worden gevoeld en beoordeeld, kan ook nooit moed- en koenheid-inspiratie doen putten uit de moordlessen eener achterlijke strategie.
Napoleon's naam zal historie, doodgewone historie geworden zijn, zoo goed als beschouwingen over zijn leven en werken, en eens zal het menschengeslacht zoo ver van hem afstaan, als wij van bepaalde helden uit de oudheid. Zijn menschelijke natuur, zijn verschijnen, zijn bloei en ondergang kunnen altijd door een groot beeldend kunstenaar naar voren gehaald, en ieder geslacht worden voorgehouden. Maar deze grootheid zal altijd weer een door andere opgewekte zijn, en slechts als herinnering blijven leven. Hij liet niets achter!
Juist,... met al zijn enorme gaven, is zijn genie voor den nazaat onvruchtbaar, stierf af mét zijn persoon.
* * * * *