Part 6
Ik erken, op het eerste aanhooren klinkt het naïef.... meelij met.... Napoleon. Maar rustig en diep beschouwd, is de uitdrukking volkomen van pas. Men wordt van sentimenteel coquetteeren, van een klein en benepen soort menschelijkheid verdacht.
En toch, en toch, al spot ge met tergende adjectieven, al hoont en sart uw woord er tegen in, toch is Napoleon's zesjarig leven te Sint Helena van een overweldigende tragiek, om bij te schreien soms, en is loochening daarvan hardvochtiger daad dan de „beul” zelf vermag te doen in zijn particulier leven als mensch.
Weerspannige en hardnekkige oordeels-eenzijdigheid kan slechts beletten het grootmenschelijke in Napoleon te erkennen.
Te strenge moraal kan als een tuchthuis van beginselen worden, waarbinnen uw veroordeelde zich doodkniest of verhangt...... Wee, zoo 'n mensch op zijn eigen schaduw gaat gelijken.
Ik hoor al het woedende relaas!
Meelij met hem?! Had hij het met anderen?--Wat gaf hij om menschenlevens? Geen zier. Heeft hij het niet zelf uitgeroepen? Hij oorloogde, zwelgde in krijgspassie.... Doodslaanderij.... dat was hem alles!
Hij is de wreedaardige onmensch die naar Metternich toeschreeuwde: „Wat voelt gij van een soldatenhart! Mijn leven is onder kanongebulder opgeraakt.... strijd is alles.... het leven van een millioen schepsels is me volmaakt onverschillig.”
Met wilden hartstocht zou men hier 't woord schurk willen plaatsen, krankzinnige, grootgekke schurk, die het leven van duizenden offerde aan zijn goden-tartende, diepzieke eerzuchtigheid. Alles drong hij uit de voegen. Zich zelf alleen zocht en zag hij. Als „goed” katholiek gestorven, bleef hij bij zijn leven een godloochenaar, een materialist door en door.
Men kan nu een toren van scheldwoorden op Napoleon's harden kop laten neerstorten, men kan dit demonisch-gevoellooze wezen omslingeren met brandende vloeken,.... de lezer vermag uit vorige pagina's te weten hoe ik hierover denk. Ik noem ze smakelooze krachttermen, breedsprakerige moraal-manifesten, opzichtig vaandelgezwaai van zwetsende pronkridders die met felle en luidruchtige beweeg'lijkheid de aandacht op eigen humanisme gevestigd willen zien.
Voor de psychologische doorgronding van dit leven blijven ze waardeloos materiaal. Ze verklaren veel meer het karakter van den uitschelder, dan van den uitgescholdene. Een vloek-ritueel is het bij de Bourbons, maar heel anders weer bij den republikein, schoon ook deze verdoemt. De socialist raast, de anarchist raast, de nihilist raast. Ze bezien Bonaparte meest als den Egyptischen, menschoffers-eischenden heidenen-god, die slechts in bloedwalm kan ademen.
Maar Napoleon's wezen roeren zij niet. Want dan zouden ze het probleem minder effectvol ethisch en sociaal, doch zuiver psychologisch stellen.
Napoleon beschouwde in zijn tijd het oorlogvoeren als iets grootsch, iets dat als een soort gericht de waereld overvalt. Men is scheppend veldheer, geboren strateeg en vechter of men is 't niet. De scheppende veldheer kan niet met ontroerde harten en beklemmende ethische beginselen krijgvoeren. De aard van zijn werk eischt menschenlevens en bloedvergieten. Het is een bloedende, verschrikkelijke kunst, maar het is een onvermijdbaar en tegelijk grootsch gebeuren. Ik zei u, bij zulke psychologische ontleding van daden-in-hun-oorsprong, houdt ge uw hart vast, zoudt ge willen krijschen van woede, of mij willen toeroepen: we lachen om uw psychologische ontleding. Wilt gij den massa-moord onder een fraaien naam vangen?
Ik zei u, mijn verklaring van deze ziel eischt zeer veel gedachten-stoutmoedigheid. Ik voorspelde u dat ge opbotsen zoudt tegen leeggeplunderde bloemkorven der moralisten, tegen de blinkende pantsers der dogmatici van allerlei slag, tegen de broze ideologie-bloeiselen der humane maatschappij-hervormers.
Toch houd ik tegen uw onstuimigste uitvallen vol: zijn krijgvoeren en zijn eischen van menschenoffers moet alleen psychologisch worden beoordeeld in Napoleon, en dan verliest het de monsterachtigheid als menschelijke daad. Kent ge de schoone zinnebeeldigheid van het oude verhaal waarin de Egregoren, zoogenaamde wacht-engelen, verliefd worden op menschelijke vrouwen en bij deze daemonen voortbrachten die, in jammerlijke mengeling van hemelsche en booze driften gebaard, ronddoolen over de waereld, daden van booze hartstochten volbrengend met de kracht van het goddelijke? Bezie zóó Napoleon's aandrift als veroveraar.--Hij geloofde in de grootschheid van den oorlog, waarin alle vormen van moed, tucht, zelfvertrouwen, doorzettingskracht, overgave, zelfoffering, heldhaftigheid, tot uiting kwamen. Hij weende bij het zien van een koen soldaat! Voel nu dat de krijg hem dus nog iets ánders was dan bloedvergieting. Ik zelf, die het oorlogvoeren om het oorlogvoeren veracht, die het gansche militarisme één krankzinnige en onzedelijke instelling vind, in deze zotte maatschappij van anarchistische voortbrenging; in deze maatschappij, waar alle echte en zuivere menschenliefde uit is weggezonken, en waarin de valsche, gezwollen, ziellooze phrasen van ongevoelde christelijkheid en z.g. humaniteit hun smoezelige en flense triumphen behalen,.... ik zelf probeer de krijgsmansdrift in een reus als Napoleon, die gaaf en eerlijk was in het naar buiten brengen van zijn oorlogslust, zuiver te objectiveeren. Het geheele maatschappelijke leven van nu is één klasse-oorlog, één vreeselijk slagveld, waar niet minder schennend en onmeedoogend de menschen tot ellendig gewondenen worden verminkt en getrapt dan in den concreeten oorlog. Napoleon was als ménsch volstrekt niet bloeddorstiger dan al de chauvinistische en onafhankelijkheids-oorlogen-gedenkende helden, die hem nú met hun scheldvloeken en opgeschroefde verontwaardiging bespuwen.
Voor Napoleon was de krijg iets in-zich-zelf grootsch en geweldigs. Welke geloovige zal het goddelijk Bestuur van wreedaardigheid beschuldigen, als het een Titanic-ramp laat gebeuren, als het aardbevingen, overstroomingen, stormen en branden doet plaats vinden, waarin menschenoffers geëischt worden, op zoo ijselijke en afgrijselijke wijze den dood ingaand, dat zelfs een slagveld er naast, zijn verschrikkelijkheid verliest? Herinnert ge u de angsten der opvarenden van de Titanic, moeders, die zich uit de armen van hun kinderen losscheurden; vrouwen die hun echtgenooten voor hun oogen in de zwarte zeediepte zagen wegzinken?.... De lucht kermde den jammer van al die menschenstemmen terug. En toch bestond de Algoede die het zoo wilde en zoo beschikte. Het was en werd onbegrepen en onverklaard gericht.
[Illustratie: Penteekening van Gros.]
Dit standpunt van het onvermijdbaar gericht moet men ook bij Napoleon's oorlogvoeren innemen. Hij voelde den grooten krijg als een noodlot der volkren, en het leven schonk hem ál de bedwelmende en suggereerende krachten, om voor de menschheid te verschijnen als haar verblindendste veroveraar van den nieuweren tijd. Caesar, Alexander, bleven voor onze droomen, historische schimmen. Nu stond er een wezen op van vleesch en bloed, met bliksemende oogen, een godenwil en hij voerde de soldaten aan die zingende den dood inmarcheerden!
O! zoo het geweest zou zijn voor den bevrijdingsstrijd der menschheid, zooals de socialisten dit willen en vurig begeeren.
Daar staat hij nu, levend voor de oogen der menschen, koener dan Caesar, stouthartiger dan Alexander, daemonischer dan Frederik de Groote. Hij betooverde en maakte tot bukkende bewonderaars van zijn genie mannen als Goethe en Heine. Hij zou door een wereldoverheersching de menschheid rust en vrede brengen. Achter al het bloed licht een ideaal.
Maar het ideaal van een tyran.
Voor ons psychologisch hèt aanknoopingspunt.
Zijn onverschilligheid, als strijder, voor menschenoffers, staat er ten nauwste mee in verband. Hij zou waereld-heerscher worden en de volkren vrede brengen en die bewaren. Naïeve en tegelijk daemonische waan! Zóó, in dien waan, werd hem de krijg een soort van bovennatuurlijk gericht. De offers móesten vallen,..... Bezie het niet dus als een individueele wreedheid van den ménsch Napoleon. Het beginsel, ik erken het, om zooveel menschenlevens voor veroverings-oorlogen te durven opeischen, heeft een wreede worteling, maar het is het daemonische gevolg van een daemonisch-grootsche veroverings-gedachte, een scheppingsdrift, ingeboren en onverwoestbaar. Bij zulk een duizelende machtsontwikkeling geheel aan den krijg ontleend, moest de waan naar beheersching van een wereldrijk dit menschenbrein overmeesteren. Dat is het punt waarop Napoleon door de noodzakelijkheid zélf tot slachtoffer wordt gemaakt, door de onverbiddelijkheid der causale levenswetten meegesleurd, terwijl hij zelf denkt mee te sleuren. Een stuwkracht, zelve gestuwd! Op dit punt van zijn roem walg ik van Napoleon's comediespel, zijn krank vertoon en zijn maatschappelijke machts-verblinding. En tegelijk zegt de dramaticus in mij: schenk hem juist nu uw edelste aandacht en zuiverste gevoel, want bij de beoordeeling van zijn innerlijk wezen heeft hij deze het meest noodig. Napoleon geloofde met een bovenzinlijke zekerheid aan zijn roeping als waereld-heerscher. Allereerst zijn krijgsgenie, zijn onoverwinbaarheid, zijn soberheid, zijn verheven ernst, zijn onbegrensde moed, zijn doodsverachting, zijn geniaal beheerschen, zijn koen overzien van ontzaggelijke legers. Zelfs in 't aanzicht van den dood blijft dat gevoel hem doorbruisen. Hij alleen zal de volkren bezielen. Koningen verdringen zich in zijn kabinet en wachten als gewone generaals en maarschalken, tot hij zal verschijnen. Zijn ontzaggelijke heerschersnatuur heeft alle vorstelijkheid getemd en gedwee doen worden.
Zijn taal, volstrekt niet fraai, dikwijls gebrekkig van stijl en zins-samenstelling, is brutaal, scherp, bijtend en hoonend. Hij ontziet niets en niemand. Zijn bewegingen zijn overbewust van macht; hij minacht en vertrapt de bewondering die om hem heen perst als zooveel atmospheren druk. Hij veracht ze en eischt ze tegelijk. Hij beleedigt en spot en tart reuzen van kerels, mannen van evenveel moed en koenheid als hij; hij krenkt vrouwen; hij kwelt en maakt de parade van een parvenu. Men begrijpt niet, dat niet één stoutmoedig schepsel hem in de nabijheid van zijn leger heeft aangedurfd. 't Zou heerlijk geweest zijn, juist zulk een geweldenaar met gelijk geweld te hebben zien behandelen. Maar diezelfde doldriftige hooner en spotter kan verrukkelijk charmeeren en zijn nijdigste en onrustigste vijanden met één slag tot vurige vrienden en bewonderaars maken. Gij zult iemand belegeren en ge wordt zelf belegerd. Zijn blik, zijn gang, zijn woord, ze zijn loutere betoovering. Gij verzet u,.. ge wilt niet. Ge knabbelt op uw nuchterste woorden. Ge bespot zijn kleine beentjes, zijn vrouwelijke handjes, zijn aandikkend buikje, zijn gedrongen gestalte. Heel de kleine heerscher, met zijn al kalend hoofd, lijkt u een opgetooid burgerman, wreedelijk door 't lot begunstigd, befooid door Fortuna. Maar hooge rang en schittering van costuums, en gouden pronkkoetsen en heel dat flonkerend keizerlijk borduurwerk, brengen u niet van de wijs. Ei, gij zelfbewuste en hoogzielige, gij nadert den burgerman. Zijn glimlach is al beangstigend.... uw dapperheid zinkt reeds. Hij kijkt.... Mijn hemel! Wat stalen krachtoogen.... Hij spreekt.... Mijn god, wat een synthetisch verstand.... Gij valt niet met uw gelaat ter aarde, omdat ge geen Oosterling zijt en geen bemorste broek wilt hebben. Maar ge voelt sidderend: hier ontstraalt het genie zijn levensgeheim.
In deze alles-bedwelmende machts-sfeer ademde Napoleon.... hij zou de volkren richten. Ziehier den oorsprong voor zijn onverschilligheid waar het menschenlevens in den krijg gold. Het opperste individualisme ontbolsterd uit een soort verward-verheven altruïsme. Viélen de menschen, ook God eischte zijn offers in storm, brand, orkaan, overstrooming en aardbeving. Dat meedoogenloos-grootsche en cosmisch-onbewogene moest hem richtsnoer zijn tegen eigen weekelijkheid.--Juist op deze grens grijpt hem de tragiek met ontzettende kracht en vaart aan. Hij valt en tuimelt van zijn troon.--Zijn wezenlijke val is veroorzaakt door zijn angstwekkend-halstarrigen waan, die alleen zulk een wezen kon overmeesteren.
En nu wil ik u doen zien dat er vreeselijke tragiek in Napoleon's leven was.
* * * * *
Wij allen zien Napoleon eerst in zijn onbegrensde glorie, de krijgsgod van bijna gansch Europa. Hij is almachtig. Zijn wil wordt een wezen van duizend lichamen. Hij vermaagschapt zich, hij, de Corsicaansche avonturier, met een vrouw van keizerlijken bloede.... de trotsch-mooie Marie Louise. De glorie straalt als een brand achter hem aan. Plots de oorlog met Rusland, met zijn overweldigend mengleger van allerhande natie-soldaten. Gij hoort de namen Smolensk, Moscou, Borodino, Berezina en ze staan vóór u, de veldslag-ontzettingen. De roode vlammen van Moscou ruischten boven het hoofd van den veroveraar, maar tegen groeiend vuur bleef ook hij machteloos. Toch wil hij nog naar Kremlin zien, terwijl onder hem de bodem staat te smelten in het vlammengegloei, en de rook de gansche stad in een stikwalm omwolkt. Eindelijk wijkt hij voor het gesmeek zijner oudste en koenste generaals, die niet willen dat hij in het vuur omkomt. Dan de terugtocht over de Berezina. De aller-jammerlijkste en meest-tragische in de geschiedenis der veldslagen. Zijn veldheers-roem heeft den eersten hevigen knak. Hij blijft oorlog voeren. Zijn eigen volk begint nu te morren, donker, dreigend..... Hij hoort niet! Het gestap der brigades en 't gebulder van het geschut overstemt alles. Half militair Europa leek een groot hospitaal. Het beroemde groote leger was vernield door vuur, kou, ellende. Napoleon wou het herstellen. Het verraad van Moreau blokte het lot voor zijn voeten. Bernadotte deed mee. Napoleon ondervond den afval van alle half en heel veroverde rijken. Een bondgenootschap tusschen de door Bonaparte bevochten mogendheden ontstond en bedreigde geheel Frankrijk. Toch wou en bleef hij vechten tegen een overweldigende overmacht. Eindelijk zijn val, ook als gekroond vorst. De verbonden mogendheden eischen dat hij afstand doet van den troon. Hier boekt de geschiedenis het verraad van Marmont, den maarschalk van Bonaparte.
Napoleon voelde zich van alles verlaten! Zijn getrouwen vielen hem af, de geest van het oude regime begon weer rond te werken. Napoleon deed afstand van den Franschen troon.
Op dit punt zijner geschiedenis begint Napoleon's lijden, en juist nú eisch ik uwe objectiviteit. Ik zal u achtereenvolgens, doch zeer kort, doen zien wàt hij doorstaan heeft, inderdaad met ontzaglijke heldhaftigheid.
* * * * *
Hij teekende het afstandstractaat. Zijn vrouw en kind trokken naar Weenen. Eenige dagen later nam hij van zijn leger afscheid. Hij omarmt het vaandel voor het front der troepen en zegt dat dit omarming van heel zijn leger, al zijn soldaten is.
De soldaten schreiden.
Ontzettend moment, door zijn tragische trilling, een wereld van menschen verlammend in stomme ontroering. Even voor dit feit zou de zelfvergiftiging van Napoleon hebben plaats gevonden.
't Moet in zijn ooren vreemd geklonken hebben, al wat het decreet hem puntsgewijs voor de voeten wierp. Dat hij, Napoleon, de grondwet had geschonden door onwettige belastingen te heffen; dat hij het Wetgevend Lichaam in zijn rechten had beknot; dat hij de rechterlijke macht had vernietigd, enz. Dat en meer wierp hem de Senaat voor de voeten. Achter dit decreet schemerde het valsche mom van Talleyrand, stonden Dalberg, Bournonville, Jaicourt. Napoleon lachte smadelijk toen hem het decreet werd gelezen. Het laatste punt. Frankrijk had hij met rampen overladen, door tegen de verbonden mogendheden te vechten inplaats van vrede te sluiten.... de Senaat verklaart het Fransche volk niet meer gebonden aan een eed van trouw jegens den keizer; Napoleon en zijn nakomelingen mede vervallen van den troon.
Het Wetgevend Lichaam had het decreet bekrachtigd. Maar Napoleon beheerschte nog zijn leger. Ook hier was de eerste opstandige tegen zijn keizerlijk- en veldheersgezag, Ney, zijn koenste maarschalk. De andere maarschalken weigerden mede Napoleon te gehoorzamen. Dat was zijn felste slag. Toen trad hij af, te Fontainebleau. Van alle vleiers, vereerders verlaten, gehoond en uitgescholden door toongevende couranten, bleef hij achter. Al wat hij tot het grootste aanzien had gebracht, ging tot de op Napoleon zegevierende machten over. Zijn glorie verzonk niet slechts, hij werd diep en diep vernederd, door al zijn vrienden en lallende vereerders. De gedachte van Levy krijgt hier relief. Napoleon leerde dáár, te Fontainebleau zien, al het verachtelijke, trouwelooze en weerzinwekkende in den mensch. Napoleon, de man die vijftien jaar lang de hoogste glorie van Frankrijk belichaamde in zijn geheele persoon, die het tot duizelingwekkenden wereldroem had gebracht; die de bewierooking van een geheele wereld had te besnuiven gekregen, de titan als veldheer, strateeg van ontzaggelijk genie, en die het Fransche vaandel tot de wolken had aangestooten,.... hij werd nu op tartende en laaghartige manier gekrenkt, beleedigd en bespot door dezelfde lui die hij sarcastisch even er voor, hun lof en hielenlikkerij verzocht te matigen. Zijn maarschalken, met hun schitterende borsten, hun pluimen en cocardes, hun statiedegens en vechtsabels, zijn maarschalken waren het die op brutaal-uitdagenden toon Napoleon's troons-afstand het klemmendst eischten. Is dat geen tragiek, geen schrikkelijk botsingsspel van het lot? Met een sarrende onbeschaamdheid bemodderden ze hun strijd-afgod, loerende op een even gunstige en vette functie bij de Bourbons, als ze bij den gevallen Napoleon bezetten.
Napoleon-zélf kon zulk een laaghartig overloopen naar den vijand, zulk een ziels-verraad niet dragen. „Ze hebben hart noch ziel”, riep hij uit. „Het lot heeft mij niet zóó geslagen als deze daden van weerzinwekkende zelfzucht en trouweloosheid mijner wapenbroeders.” Hij had ze met eer, rijkdom en roem overladen; hij had ze als dappere soldaten bemind, zooals alleen Napoleon 't kon.... Neen.... hij kón dit schurken-verraad niet dragen.
's Avonds, in alle eenzaamheid nam hij vergif in. Hevige kramppijnen scheurden zijn lichaam. Hij kon het kermen niet smoren. Zijn kamerdienaar Constant snelde toe en zag den keizer krimpen in stuiptrekkingen. In zijn lijflijke ellende jammerde zijn stem nog: Marmont heeft me verraden en in 't hart geslagen. Ik hield zoo veel van hem. Berthier's afval heeft me den genadeslag toegebracht.--Docter Yvon, in allerhaast geroepen, kon nog een sterk tegengift bezorgen, dat hem redde.
Coulaincourt verhaalt: „Toen Napoleon wakker werd kwam ik voor zijn bed staan. De bedienden verwijderden zich, we bleven alleen. Zijn uitgemagerde wangen en zijn ontzielde blik waren vreeselijk om aan te zien. Hij zocht met zijn doffe oogen de dingen, tastend en zwak-herinnerend om zich heen. Heel zijn doodsbleek gelaat drukte smart, vernietiging uit.”
Bij deze opleving klaagde hij ondanks zijn pijn weer: „Het lot wilde niet dat ik omkwam door vergif. O, denk niet, dat het verlies van mijn kroon mij zoo bedroeft. Mijn loopbaan was genoeg voor den roem van één man.... Maar wat me het hart verbrijzelde.... het is de afzichtelijke trouweloosheid, de ondankbare laagheid mijner strijdkameraden. Zooveel lafhartige en rauwe zelfzucht heeft me een walg van het leven gegeven. Ik kreeg afschuw van al het ademende. Wat ik in de laatste twintig dagen voor smart en droefheid heb doorstaan,........ is voor niemand te beseffen.”
Is hier niet de tragiek, de ziels-tragiek van Napoleon in volle werking? En voelt men niet méé met zulk een door verraad en afval voorbereiden ondergang? Ik sprak van ziels-tragiek. De lots-tragiek zou volgen. Op zijn reis van Fontainebleau naar het verbanningsoord Elba, liep te Provence de opgehitste bevolking naar de plaats waar Napoleon van paarden moest wisselen. Van verre besmakte men zijn koets met groote keien, en een menigte dromde vlak voor zijn bleek gezicht en schold hem uit voor lage tyran, monster, ellendeling!.... Toen de scheldwoorden-voorraad opraakte en het gepeupel zijn haat nog niet had gekoeld, begon men te dreigen met lynchen.
Graaf Walburg verklaart, dat Napoleon moest worden vermomd in de kleeren van een postkoerier.
* * * * *
Is zulk een tafreel niet van een ontroerende tragiek? Wie durft de gedachten peilen die toen in Napoleon's brein zullen zijn opgejaagd? Nog moesten hem de kreten: „Leve de keizer!” de ooren bekitteld hebben, toen even daarna het door de lucht gierde: „Leve de koning, den dood aan den vuilen Corsicaan!” Gisteren nog de beheerscher van een ontzaglijk volk, door een wereld van menschen toegejubeld...... vandaag postknecht, vermomd voor zijn eigen koets uitloopend om een smadelijken lynch-dood te ontgaan. Misstaat hier het woord meelij met zulk een hoon en zulk een val? Het dolgeworden gepeupel, dat zich de keel had rauwgekrijscht bij zijn waereld-overwinningen, wou hem nu, bij Argon, in flarden scheuren, of hem aan de galg knoopen. In zijn stille oogen brandden tranen toen hij de golvende dreig-menigte zoo zich zag dringen rond zijn koets om hem te vermoorden.
Ik verhaal geen geschiedenis van Napoleon. Daarom ga ik zijn triumftocht, toen hij van Elba was gevlucht naar Frankrijk, voorbij. Ook den slag bij Waterloo breng ik slechts in herinnering. Achter al deze ellende ligt zijn rampzalig zesjarig verblijf te St. Helena.
[decoratieve illustratie]
ZIJN VERBLIJF OP ST. HELENA.
Te St. Helena werd Napoleon prooi, laaghartig gekwelde prooi van Engelschen haat en onridderlijken wrok. Rond de piek van Diana, de steilste rotspunt van St. Helena, zou het leven van dezen keizer, op de meest sombere wijze beëindigen.
Maar nog zes jaar zou hij in zijn vernederingen leven en hoe groot gedroeg hij zich in zijn ongeluk en smart.
Het ballingsoord zelf was één droeve verschrikking. Als vesting-eiland kón het aanzicht niet afschuwelijker. Een geheel plantlooze rotsenkust, waar de zee eentonig of wild tegen opspoelde. De bazaltpieken groeiden als versteende schepselen donker de lucht in.
Het is hevig ontroerend te zien hoe goed en rustig Napoleon zich schikte in de strenge orders der Engelschen.
En ook ervaart men de grootheid van zijn wezen, als ge leest hoe weinig klein-verbitterd of gegriefd hij is. En hoe heerlijk-eenvoudig hij als mensch bleef! Betsy Balcombe, verhaalt in haar gedenkschriften, op welke wijze zij Napoleon op St. Helena leerde kennen. „Niemand,”--schrijft ze--„heb ik in mijn leven liefdevoller met kinderen zien omgaan. Hij begreep hun eenvoud en volgde met fijnen tact hun ongekunstelde invalletjes, om zich met hun kleine genoegens te vermaken. Mij, was hij, als veertienjarig kind, gelijk een makkertje. Ik sarde honderd maal zijn uiterste geduld, en nimmer deed hij een beroep op zijn rang of leeftijd, om mijn opdringerigheid af te weren.”
En als men nu weet hoe zachtjes dit woord „opdringerig” voor Betsy's gedrag nog luidt. Hij verdroeg van dit vreemde, stout-koutende kind alles, letterlijk alles met onverstoorde goedigheid.
Vreemd, niet waar, zooveel teederheid en innig-fijn geduld aan te treffen bij zulk een „beul” en ongenakelijk-hooghartigen geweldenaar.
Toch is er een oplossing misschien voor Napoleon's overgroote kinderteederheid. Hij had een zoontje achtergelaten, den koning van Rome.
Hier breekt een der smartelijkste dingen van den mensch Napoleon uit. Van dit kind hield hij met een teed'ren hartstocht. 't Was zijn oogenlicht. Hij kuste en koesterde het, wiegde het op zijn armen; het was hem de heele wereld, het liefste dat zich op aarde rond hem bewoog. Als ge leest wat De Meneval vertelt van zijn liefde en geduld tegenover dit gekoesterde koninkje.